Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1612

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
00902/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1612
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte stelde te laat appèl in. Hof behandelde de zaak in appèl zonder in te gaan op de overschrijding van de appèltermijn. HR grijpt niet ambtshalve in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00902/05

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "overtreding van artikel 78, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene Politieverordening voor 's-Gravenhage 1982" veroordeeld tot een geldboete van € 60,- subsidiair een dag hechtenis.

2. Namens verdachte hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 00902/05, 00903/05 en 00904/05. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Alvorens de middelen te bespreken merk ik ambtshalve het volgende op. Het onderhavige arrest van het Hof betreft het hoger beroep van een vonnis van de Kantonrechter van 8 september 2003. Bij de stukken bevindt zich een ambtsedig proces-verbaal inhoudende dat op "dinsdag 23 december" aan de verdachte in persoon is medegedeeld dat hij is veroordeeld bij uitspraak van dezelfde datum als waarop voormeld vonnis is gewezen, onder vermelding van hetzelfde parketnummer als in genoemd vonnis. Voorts houdt dit proces-verbaal in dat de verdachte is medegedeeld dat hij binnen veertien dagen een rechtsmiddel kon instellen. Dit proces-verbaal is bevestigd op een papier waarop is aangetekend "Ingekomen Unit Strafzaken 01 maart 2004 Gerechtshof/Ressortsparket 's Gravenhage". Uit een en ander volgt onmiskenbaar dat de in genoemd proces-verbaal vermelde datum van 23 december moet zijn 23 december van het jaar 2003. Dat betekent dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat de verdachte op 23 december 2003 van de inhoud van genoemd vonnis op de hoogte is gesteld en dat hij dus tot en met 6 januari 2004 hoger beroep kon instellen (art. 408 lid 1 onder c Sv). Verdachte heeft echter pas op 7 januari 2004, dus te laat hoger beroep ingesteld.

5. In het onderhavige geval is het Hof aan de overschrijding van de appeltermijn voorbijgegaan. De vraag rijst nu of de Hoge Raad alsnog ambtshalve het arrest van het Hof dient te vernietigen en de verdachte alsnog niet-ontvankelijk dient te verklaren in zijn hoger beroep. Toen het voordragen van middelen nog niet een voorwaarde was voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de verdachte, placht de Hoge Raad wel zo te handelen (o.a. HR 14 april 1998, NJ 1998, 630). Nu echter de Hoge Raad thans - afgezien van overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase voorzover niet voortvloeiend uit overschrijding van de inzendingstermijn - slechts bij hoge uitzondering buiten de middelen om casseert(1), de verdachte in een geval als het onderhavige, waarin aan hem in appel geen hogere straf is opgelegd dan in eerste aanleg, door het negeren van de appeltermijn niet is benadeeld en het openbaar ministerie in de overschrijding van de appeltermijn geen reden heeft gezien te requireren tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en tegen de ontvankelijkheid van het hoger beroep in cassatie niet is opgekomen, ligt ambtshalve uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep minder voor de hand.(2) De noodzaak daartoe zie ik ook niet. Het kan heel wel aan het openbaar ministerie als orgaan belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (art. 124 Wet RO) worden overgelaten toe te zien op de naleving van termijnen voor het indienen van de rechtsmiddelen van verzet en hoger beroep. In het civiele procesrecht ligt dat anders. Daar treedt doorgaans niet een partij op die de handhaving van de rechtsorde tot zijn taak dient te rekenen en beoordeelt de rechter, hoewel de omvang van het geding in hoger beroep wordt bepaald door de inhoud van de grieven, ambtshalve(3) of de termijn van hoger beroep in acht is genomen. De Hoge Raad treedt daar ook ambtshalve op als de appelrechter een partij ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in zijn hoger beroep, en wel omdat de voorschriften over de appeltermijn van openbare orde zijn(4) en handhaving daarvan dus niet kan worden overgelaten aan partijen die daarvoor geen verantwoordelijkheid dragen.

6. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat artikel 78 lid 1 van de Algemene Politie Verordening voor 's-Gravenhage 1982 (APV Den Haag 1982) onverbindend is wegens strijd met het legaliteitsbeginsel, zoals neergelegd in art. 1 lid 1 Sr, art. 16 Grondwet en art. 7 lid 1 EVRM, nu de daarin vervatte verbodsbepaling te vaag, dan wel onvoldoende bepaald is.

7. Art. 78 lid 1 van de APV Den Haag 1982 heeft als titel 'overlast bij of in gebouwen' en luidt:

"Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn, op of aan de weg:

a. in een raamkozijn of op een drempel of stoep van een gebouw te zitten of te liggen;

b. tegen een deur of raam van een gebouw te leunen;

c. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden."

8. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij te 's-Gravenhage, op 01 augustus 2002, zonder daartoe bevoegd te zijn, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Krayenhoffstraat, zich zonder redelijk doel in een portiek heeft opgehouden."

9. Het Hof heeft hiertoe één bewijsmiddel gebezigd, inhoudende als verklaring van verbalisant dat hij zag dat verdachte op 1 augustus 2002 op de Krayenhoffstraat te 's-Gravenhage zonder daartoe bevoegd te zijn en zonder redelijk doel zich ophield in een portiek en dat hij verdachte in een portiek zag hangen, alsmede als verklaring van verdachte, afgelegd tegenover de verbalisant, dat hij daar niet zat.

10. De toelichting op het middel bevat de klacht dat de in art. 78 lid 1 APV Den Haag 1982 omschreven gedraging te weinig geconcretiseerd is, waardoor verdachte niet kon weten welke gedragingen strafbaar waren, zodat hij zijn gedrag daar niet op kon afstemmen. Onder meer zou onduidelijk zijn wat de zinsnede 'zonder daartoe bevoegd te zijn' inhoudt alsmede wat onder een 'redelijk doel' zou kunnen vallen. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen zouden bovendien geen enkele nadere invulling geven aan de in artikel 78 lid 1 APV Den Haag 1982 voorkomende termen. Het Hof zou er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat betreffend artikel verbindend is en had verdachte dienen te ontslaan van alle rechtsvervolging.

11. Alvorens het middel te bespreken schets ik in het kort het wettelijk kader en de jurisprudentie waarop het middel doelt.

12. De inhoud van de wets- en verdragsbepalingen waarop in de middelen een beroep wordt gedaan luidt, voor zover van belang, als volgt:

Art. 16 Grondwet en art. 1 lid 1 Sr:

"Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling"

Art. 7 lid 1 EVRM (eerste volzin):

"Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde."

13. In de zaak Kokkinakis (EHRM 25 mei 1993, Publ. ECHR series A. vol. 260-A) oordeelde het EHRM dat aan het lex certa vereiste - het vereiste dat de strafbepaling duidelijk is - is voldaan, indien het individu met behulp van de wettekst en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie kan voorzien welk gedrag strafbaar is (rov. 52): "The court points out that Article 7 § 1 of the Convention is not confined to prohibiting the retrospective application of the criminal law to an accused's disadvantage. It also embodies, more generally, the principle that only the law can define a crime and prescribe a penalty (nullem crimen, nulla poena sine lege) and the principle that the criminal law must not be extensively construed to an accused's detriment, for instance by analogy; it follows from this that an offence must be clearly defined in law. This condition is satisfied where the individual can know from the wording of the relevant provision and, if need be, with the assistance of the courts' interpretation of it, what acts and omissions will make him liable."

14. In het Sunday Times arrest (EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146) werd in het kader van de vraag of sprake was van "prescribed by law" als bedoeld in art. 10 lid 2 EVRM van onder meer "penalties" overwogen: "(..) a norm cannot be regarded as a "law" unless it is formulated with sufficient precision to enable the citizen to regulate his conduct: he must be able - if need be with appropriate advice - to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail. Those consequences need not be foreseeable with absolute certainty: experience shows this to be unattainable. Again, whilst, certainty is highly desirable, it may bring in its train excessive rigidity and the law must be able to keep pace with changing circumstances. Accordingly, many laws are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague and whose interpretation and application are questions of practice."

15. In HR 2 april 1985, NJ 1985, 796 werd de vraag aan de orde gesteld of de term 'onbehoorlijk gedrag' in art. 4 par. 3 sub d ARV, luidende: 'Het is verboden: d. op enig gedeelte van de stations of in de treinen te vechten, handtastelijkheden te plegen, vuurwerk af te steken, anderen uit te schelden of lastig te vallen dan wel zich op andere wijze onbehoorlijk te gedragen" verenigbaar is met art. 7 EVRM en art. 1 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat deze bepaling, ook voor wat betreft het verbod zich op de stations en in de treinen - op andere wijze dan door het plegen van handtastelijkheden etc. - onbehoorlijk te gedragen, niet onverenigbaar is met genoemde bepalingen. Daarbij is van belang, zo oordeelde de Hoge Raad, dat de onderhavige norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om gedrag op de stations en in de treinen, en dat het voorts betreft een norm die, in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 26 april 1979, NJ 1980, 146, is "inevitably couched in terms which, ...are vague and whose interpretation and application are questions of practice".

16. Een vergelijkbare uitspraak is te vinden in HR 1 september 1998, NJ 1999, 61, rov. 5.1. In die zaak ging het over art. 54 APV Amsterdam, luidende: "Het is verboden zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een portaal, telefooncel, parkeergarage of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen en/of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze ruimten bestemd zijn." De Hoge Raad oordeelde de bepaling niet in strijd met het bepaaldheidsgebod, nu de norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om in dit artikel omschreven gedrag in - onder andere - een portaal.(5)

17. Tegen deze achtergrond is de bepaling in de onderhavige zaak niet in strijd met het bepaaldheidsgebod. De norm is immers in zoverre geconcretiseerd dat het gaat om in art. 78 lid 1 APV Den Haag 1982 omschreven gedrag (zitten, liggen, leunen, dan wel zich ophouden) op bepaalde, in het artikel aangeduide plekken (een raamkozijn, drempel, stoep, deur of raam van een gebouw, een portiek en een poort). Een burger kan dus zonder meer uit de tekst van de bepaling opmaken welk gedrag hij moet laten wanneer hij daartoe niet bevoegd is. Een redelijke en alleszins voor de hand liggende uitleg van de zinsnede 'zonder daartoe bevoegd te zijn' is dat de overtreder toestemming van de eigenaar dan wel de gebruiker van het gebouw, de portiek of de poort moet hebben wil hij zich straffeloos op de in het artikel omschreven wijze gedragen.(6) De beschreven gedragingen impliceren immers steeds het gebruik van andermans eigendom.(7) Gelet op de strekking van art. 78 als maatregel tegen overlast(8) moet voorts duidelijk zijn, dat de zinsnede 'zonder redelijk doel' ziet op kort gezegd het rondhangen in een portiek of poort terwijl men daar niets te zoeken heeft. Daarbij teken ik aan dat wie bevoegd is zich in een poort of portiek op te houden daartoe doorgaans ook wel een redelijk doel zal hebben, zodat aan het begrip "zonder redelijk doel" slechts bij uitzondering zelfstandige betekenis zal toekomen.

18. De tekst van art. 78 lid 1 APV Den Haag 1982 is voor een ieder, en dus ook voor verdachte voldoende duidelijk om zijn gedrag daarop af te stemmen. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld is dan ook niet nodig dat aan de in betreffende bepaling voorkomende termen in de bewijsmiddelen een nadere invulling wordt ingegeven.

19. Het voorgaande brengt mee, dat het in de beslissing van het Hof opgesloten oordeel dat art. 78 lid 1 APV Den Haag 1982 verbindend is, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte art. 78 lid 1 APV Den Haag 1982 verbindend heeft geacht, nu de bepaling in strijd is met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM), alsmede met het recht op vrijheid van beweging (art. 2 van het vierde protocol bij het EVRM en art 12 IVBPR).

22. Art. 8 EVRM luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

23. Art. 2 van het vierde protocol bij het EVRM(9) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.

3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

24. Art. 12 IVBPR luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft, binnen dit grondgebied, het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen.

3. De bovengenoemde rechten kunnen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden of van de rechten en vrijheden van anderen en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten."

25. De toelichting op het middel bevat de stelling, dat het recht op privacy en het recht op vrijheid van beweging mede het recht omvatten om met welk doel dan ook te gaan en te staan waar men wenst, zolang daarmee maar geen inbreuk wordt gemaakt op de rechten van anderen. Voorts zou van de beperking op het recht van bewegingsvrijheid, zoals neergelegd in de onderhavige verbodsbepaling, niet gezegd kunnen worden dat deze noodzakelijk is ter bescherming van één van de in de verdragsartikelen genoemde belangen. Het Hof is er daarom, aldus het middel, ten onrechte van uitgegaan dat de onderhavige bepaling verbindend is en had verdachte dienen te ontslaan van alle rechtsvervolging.

26. Uit de rechtspraak van het EVRM zijn de contouren af te leiden van het begrip privé-leven als bedoeld in art. 8 EVRM. De fysieke en psychische integriteit behoren in ieder geval tot het privé-leven. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is art. 8 ook van toepassing bij heimelijke afluistertechnieken, het aftappen van de telefoon, het doorzoeken van een woning en het afnemen van lichaamsmateriaal. Ook het leggen en onderhouden van contacten met anderen behoort volgens het EHRM tot het privé-leven.(10)

27. Tegen deze achtergrond vormt de verbodsbepaling van art. 78 lid 1 APV Den Haag 1982 niet zozeer een inbreuk op het recht op privacy, zoals bedoeld in art. 8 EVRM, maar vormt deze eerder een inbreuk op het recht op bewegingsvrijheid, zoals bedoeld in art. 2 van het vierde protocol bij het EVRM en art. 12 IVBPR.

28. De laatstgenoemde twee verdragsbepalingen staan - telkens in het derde lid - op het in die bepalingen neergelegde recht op bewegingsvrijheid beperkingen toe, die noodzakelijk zijn onder meer ter handhaving van de openbare orde. Art. 78 is opgenomen in paragraaf 1 "Maatregelen tegen overlast" van afdeling 4 "Andere aangelegenheden betreffende de openbare orde" van hoofdstuk 2 "Openbare orde". Klaarblijkelijk heeft de gemeentelijke wetgever de onderhavige bepaling dus noodzakelijk geacht met het oog op de handhaving van de openbare orde. In aanmerking genomen dat de ervaring leert dat "hangen" als door de onderhavige bepaling verboden aanleiding kan zijn tot verstoring van de openbare orde getuigt het kennelijke oordeel van het Hof dat de onderhavige bepaling verbindend is omdat deze noodzakelijk is ter handhaving van de openbare orde, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.(11) In dit verband merk ik op, dat in de toelichting op het middel geen argumenten worden aangedragen voor de stelling dat deze verbodsbepaling niet noodzakelijk zou zijn ter bescherming van de openbare orde, terwijl genoemde bepaling voorts beperkt is tot bouwwerken en deze er dus niet aan in de weg staat dat men zich vrijelijk op straat beweegt of daar - de mogelijkheden van het recht op bewegingsvrijheid even verwaarlozend - rondhangt.

29. Het middel faalt.

30. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou met name niet kunnen volgen dat verdachte niet bevoegd was zich op te houden in het portiek, terwijl uit de bewijsmiddelen evenmin zou volgen dat hij daartoe geen redelijk doel had. Voorts heeft het Hof ten onrechte de verklaring van verdachte, dat hij daar niet zat, redengevend geacht voor de bewezenverklaring.

31. De bewezenverklaring en het door het Hof hiertoe gebezigde bewijsmiddel zijn weergegeven onder 6. en 7.

32. De door het Hof gebezigde motivering voor de bewezenverklaring begrijp ik aldus. Nu de verdachte toen hij werd aangesproken op zijn "hangen" in het portiek, daarop slechts reageerde met de in wezen niet ter zake doende opmerking dat hij daar niet zat, moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte van de eigenaar van het portiek geen toestemming heeft gekregen daar te verblijven en dat hij daartoe ook geen redelijk doel had. Anders zou hij dat, zo heeft het Hof kennelijk geredeneerd, wel hebben gezegd. Nu hij heeft volstaan met genoemde opmerking komt het Hof tot dezelfde conclusie als de verbalisant, namelijk dat de verdachte in het portiek verbleef zonder daartoe bevoegd te zijn en zonder redelijk doel en is er geen beletsel genoemde conclusie onderdeel te laten uitmaken van het gebezigde bewijsmateriaal.

33. Zoals uit het voorgaande volgt moet de redengevendheid van de verklaring van de verdachte worden gezien in de onderbouwing van de conclusie van de verbalisant.

34. In de kennisgeving van oproeping, waarnaar het ter zake van de onderhavige overtreding opgemaakte proces-verbaal verwijst, relateert de verbalisant ook nog dat verdachte gebruikerspullen bij zich had en dat het betreffende portiek is gelegen in het door Burgemeester en Wethouders aangewezen noodgebied. Hoewel het Hof deze omstandigheden niet voor het bewijs heeft gebezigd, zullen deze omstandigheden het Hof hebben gesterkt in zijn oordeel dat de verbalisant terecht heeft geoordeeld dat de verdachte niet bevoegd was zich in het onderhavige portiek op te houden en daartoe ook geen redelijk doel had.

35. Een en ander brengt mee dat het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

36. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde redenering.

37. Het vierde middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als overtreding van art. 78 lid 1 aanhef en onder a van de Algemene Politieverordening voor 's-Gravenhage 1982.

38. De tekst van art. 78 lid 1 APV Den Haag en de bewezenverklaring in de onderhavige zaak zijn weergegeven onder 5. en 6. Blijkens de tekst van de bewezenverklaring, zoals weergegeven in de uitgestreepte tenlastelegging, is duidelijk dat het Hof het oog heeft gehad op art. 78 lid 1 aanhef en onder c van de Algemene Politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 en is er derhalve sprake van een kennelijke schrijffout. De Hoge Raad kan de kwalificatie in zoverre verbeterd lezen, waardoor de feitelijke grondslag aan de klacht komt te ontvallen.

39. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde redenering.

40. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie uitgebreid M.K.T. Tjiong in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6 op art. 440 (suppl. 141, april 2004). Zie voorts mijn conclusie bij HR 24 februari 2004, NJ 2004, 477, m. nt. PMe, en R. van Elst, Naar een instrumentele benadering van als middel gepresenteerde klachten en ambtshalve cassatie, in de bundel WB der Nederlanden (WB-bundel), Nijmegen: WLP 2003, p. 205-218..

2 Aldus A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2004,vijfde druk, p. 39, 40.

3 H.J. Snijders/A. Wendels, Civiel appel, Kluwer 2003, derde druk, par. 3.4, Kluwer Rechtsvordering, aant. 4 op art. 339, HR 12 maart 1954, NJ 1954, 256.

4 HR 12 maart 1954, NJ 1954, 256, HR 17 maart 2000, NJ 2001, 164, HR 7 december 2001, NJ 2002, 27.

5 Zie over het bepaaldheidsgebod van art. 1 Sr en art. 7 EVRM ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 1 , aant. 4 en 5 (suppl. 126., februari 2004), J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2003, tweede druk, p. 96-101, en P. van Dijk en G.J.H. van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on human rights, Kluwer law International, 1998, derde druk, p. 480-484.

6 Het oudere art. 69 van de APV Den Haag 1967 luidde als volgt: "1: Het is verboden aan de weg: a. in een raamkozijn of op een drempel of stoep van een gebouw te zitten of te liggen; b. tegen een deur of raam van een gebouw te leunen; c. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden. 2: Het in het eerste lid, onder a en b, gestelde verbod geldt niet, indien wordt gehandeld door of met goedvinden van de gebruiker van het gebouw of van het desbetreffende gedeelte van het gebouw."

7 Daarom is inmiddels een art. 78a in de APV opgenomen dat voorziet in gevallen van hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten.

8 Art. 78 maakt deel uit van Afdeling IV Andere aangelegenheden betreffende de openbare orde, paragraaf 1 Maatregelen tegen overlast, van de onderhavige APV.

9 Het vierde protocol bij het EVRM is door Nederland geratificeerd op 23 juni 1986.

10 Aldus H.G.M. Krabbe in A. E. Harteveld, J. Hielkema, B.F. Keulen en H.G.M. Krabbe, Het EVRM en het Nederlands strafprocesrecht, derde druk, p. 149-155.

11 Zo. t.a.v. het uit een oogpunt van vrijheid van beweging verder gaande samenscholingsverbod in art. 17 APV Delft en in art. 8 APV Tilburg respectievelijk HR 14 februari 1989, DD 89.269 en HR 28 mei 2002, NJ 2002, 483, rov. 4.5. Te ver ging het tippelverbod vervat in art. 60 APV Utrecht: HR 7 februari 1984, NJ 1984, 740, m. nt. ALM.