Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1581

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
00522/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1581
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het onderdeel van de pleitnota kan niet worden beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359.2 Sv (HR LJN AU9130).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 310
RvdW 2006, 531
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00522/05

Mr. Machielse

Zitting: 7 februari 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is op 17 januari 2005 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 4.905,--. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het enige middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring. Het stelt dat verdachte heeft aangevoerd geen deel te hebben uitgemaakt van het groepje van drie personen die op het perron van het metrostation vernielingen aanrichtten en dat dit bewijsverweeer niet is gepareerd.

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 23 juni 2002 te Amsterdam met anderen, op een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen 9 ruiten en sierlijsten van abri's op het metrostation Postjesweg, welk geweld bestond uit het gooien van stenen tegen voornoemde ruiten."

4.2. Als bewijsmiddelen heeft het hof, naast de aangifte, de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebruikt:

- een conform origineel getekend kopie van een proces-verbaal, inhoudende als de mededeling van verbalisanten:

"Wij zagen op het perron van metrostation Postjesweg 3 mannen lopen. Wij zagen dat elk van deze drie mannen gooiende bewegingen maakten vanaf de zijkant van het perron naar het middendeel van dit perron. Wij hoorden en zagen dat hierdoor de glazen ruiten in het midden van het perron vernield werden. Wij hoorden en zagen namelijk dat de glazen ruiten braken en dat het glas in kleine stukjes op het perron viel."

- een conform origineel getekend kopie van een proces-verbaal, inhoudend als de mededeling van verbalisanten althans één of meer van hen:

"Op 23 juni 2002 zagen wij op het perron van metrostation Postjesweg drie personen lopen. Wij zagen dat de drie personen diverse keren gooiende bewegingen maakten richting de glazen abri's. Wij hoorden en zagen dat de glazen abri's kapot werden gegooid door de drie personen. Wij hoorden het glas breken en zagen het glas in stukjes op de grond vallen. Gedurende de tijd dat deze drie personen op het perron aanwezig waren hebben wij, verbalisanten, geen andere personen op het perron of in de nabijheid ervan gezien. Wij, verbalisanten, zagen dat de drie personen de trap van het metrostation afliepen. Toen de drie personen beneden aan de trap waren gekomen, zijn wij tot aanhouding overgegaan. Een persoon werd direct aangehouden, de andere twee personen renden de trap naar het perron weer op en liepen vervolgens over het spoor richting station Lelylaan. Verbalisant Van der Stouwe hoorde gekraak in de bosjes. Verbalisant had voldoende zicht op het spoor en zag geen personen meer op het spoor lopen. De politiehond vond de tweede persoon in de bosjes. Deze persoon werd aangehouden. De persoon gaf later op te zijn: [verdachte], geboren [geboortedatum]/1983 te [geboorteplaats]. Adres: [a-straat 1], [0000 AA] [woonplaats]."

- de ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 januari 2004 afgelegde verklaring van de verdachte, luidend:

"Het klopt dat ik op 23 juni 2002 op het metrostation Postjesweg te Amsterdam ben geweest."

5. Volgens de steller van het middel mocht het hof tegen de achtergrond van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, voor de motivering van de bewezenverklaring niet volstaan met de opgave van de bewijsmiddelen als hiervoor weergegeven. Aangevoerd is dat de verdachte met drie anderen over de spoorrails naar het bewuste metrostation is toegelopen. Die andere drie heeft verdachte uit het oog verloren. Daarna heeft de politie gezien dat die drie personen aan dat station vernielingen aanrichtten . De politie is er, volgens de steller van het middel, ten onrechte van uitgegaan dat verdachte één van de drie eerdergenoemde personen moet zijn geweest, toen hij in de nabijheid van het spoor werd aangehouden.

6. Vooropgesteld zij dat een bewezenverklaring nadere motivering behoeft indien de bewijsmiddelen ruimte laten voor een met de bewezenverklaring onverenigbare lezing van het gebeuren indien deze in een verweer wordt aangedragen.(1)

7. Het middel ziet eraan voorbij dat het verweer zonder meer verwerping vindt in de bewijsmiddelen. De verbalisanten hebben niemand anders op of nabij het perron van het metrostation gezien dan de drie personen die gooiende bewegingen maken in de richting van glazen abri's. Twee van hen ontkomen aan de politie over het perron en de spoorrails. Een verbalisant, die goed zicht houdt over de spoorrails, hoort vervolgens een gerucht in de bosjes zodra de vluchtenden het spoor blijken te hebben verlaten. Daarop vindt een politiehond de verdachte in die bosjes.

Niet valt in te zien waarom het hof, zoals het middel wil, nog moet uitleggen dat de verdachte niet een "vierde" man kan zijn geweest.

8. Het middel faalt en kan naar mijn mening worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde overweging.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2004, p. 206-207.