Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1580

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
10-03-2006
Zaaknummer
R05/161HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP; beëindiging van de toepassing van een schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 onder c F., informatieplicht schuldenaar, verzwijging van aan de toepassing voorafgaande handelingen tot benadeling van schuldeisers, fraudeschulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 150
RvdW 2006, 276
JWB 2006/85
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek. nr R05/161HR

mr J. Spier

Parket 28 december 2005 (schuldsanering)

Conclusie

inzake

[verzoekster]

1. Feiten

1.1 In 's Hofs in zoverre in cassatie niet bestreden arrest worden in rov. 3.2 de volgende feiten vermeld. Daarvan kan ook in cassatie worden uitgegaan.

1.2 [Verzoekster] en haar partner zijn uit elkaar gegaan. Haar ex partner is in 2000 uit de gezamenlijke woning (hierna: de woning) vertrokken. [Verzoekster] is deze met haar dochter blijven bewonen.

1.3 Op het perceeel van de woning staan eveneens een garage en twee schuren. [Verzoekster] betaalt aan de woningbouwvereniging enkel huur "over de grond waarop haar woning staat."

1.4 De ex partner van [verzoekster] heeft "zijn spullen" opgeslagen in de garage.

1.5 Een half jaar voor toepassing van de schuldsanering (in maart 2003) werd in de schuur naast de woning een hennepplantage ontdekt. Haar ex partner is daarvoor tot een werkstraf veroordeeld.

1.6 De afdeling fraude van Nuon heeft een onderzoek ingesteld. Zij heeft [verzoekster] aanvankelijk € 3000 en later € 6.018,57 in rekening gebracht voor illegaal afgetapte stroom.

1.7 De Rechtbank Arnhem heeft bij vonnis van 29 september 2003 ten aanzien van [verzoekster] de definitieve schuldsanering uitgesproken (rov. 1.1 van 's Hofs arrest).

2. Procesverloop

2.1.1 Bij vonnis van 20 oktober 2005 heeft de Rechtbank Arnhem de onder 1.7 genoemde schuldsanering beëindigd omdat [verzoekster] een of meer van haar daaruit voortvloeiende verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen.

2.1.2 Naar het oordeel van de Rechtbank had het op de weg van [verzoekster] gelegen bij haar verzoek om toelating tot de schuldsanering de Rechtbank omtrent de onder 1.6 genoemde schuld te informeren; zulks gezien "de aard van de NUON-schuld, een fraudevordering wegens diefstal van stroom". Daaraan doet niet af dat zij stelt van de hennepplantage geen weet te hebben gehad. Immers is zij, toen de plantage werd ontdekt, er door Nuon op gewezen dat zij "een forse vordering op haar had".

2.1.3 De Rechtbank maakt voorts melding van een nieuwe schuld bij Nuon.

2.2 [Verzoekster] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ter onderbouwing daarvan heeft zij onder meer het volgende aangevoerd:

* zij had geen weet van de hennepplantage;

* de vordering van Nuon is onjuist; het betreft een schuld van haar ex partner;(1) daarom meende zij daarvan geen mededeling te moeten doen;

* de nieuwe schuld is niet juist. Zij betrekt, via een doorgetrokken elektriciteitsdraad, stroom van een derde met wie zij "goede afspraken" heeft gemaakt. Zij neemt wel gas van Nuon af.

2.3 Bij de mondelinge behandeling ten Hove is, blijkens het proces-verbaal, door en namens [verzoekster] en haar advocaat mr Mulder het volgende verklaard:

door [verzoekster]:

* ik heb niets omtrent de schuld aan Nuon verklaard omdat ik meende dat zij "alles wist via de gemeente Barneveld";

* ik heb niets met deze schuld te maken;

* ik wist niets van de hennepplantage;

* de plantage zat in de garage;

door mr Mulder:

* volgens de ex partner van [verzoekster] wist zij van niets;

* er klopt iets niet met de vordering van Nuon;

* de bewindvoerder wist al op 29 oktober 2003 van de fraudevordering van Nuon.(2)

2.4.1 In zijn arrest van 1 december 2005 heeft het Hof Arnhem het bestreden arrest bekrachtigd.

2.4.2 Het Hof stelt voorop dat de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 onder c Fw. niet is beperkt tot misbruik tijdens de regeling. Ook het verzwijgen van aan de toepassing voorafgaande handelingen, gericht op de benadeling van schuldeisers, levert misbruik op; het Hof beroept zich hier op de nadere MvA I. Dat geldt eveneens voor het achterhouden van informatie welke leidt tot het ten onrechte toepassen van de regeling. Naar 's Hofs oordeel doet zich hier "een situatie als bedoeld in voormelde nadere memorie van antwoord" voor (rov. 3.3).

2.4.3 Hierop wordt overwogen:

"3.4 [Verzoekster] heeft tijdens de toelatingszitting (..) de rechtbank niet ingelicht over de ontdekte henneplantage in de schuur naast haar woning en het op voorhand door NUON aan haar in rekening gebrachte bedrag van € 3.000,= voor illegaal afgetapte stroom. Het hof acht dit verwijtbaar. [Verzoekster] wist tijdens de toelatingszitting dat NUON een forse vordering op haar had. Volgens haar heeft NUON haar daarop immers gewezen. [Verzoekster] had moeten begrijpen dat het gezien de aard en het ontstaan van de schuld op haar weg had gelegen de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen. Nu zij dit heeft nagelaten en de schuld aan NUON (inmiddels € 6.018,57) een substantieel gedeelte uitmaakt van haar totale schuldenlast, is het Hof van oordeel dat [verzoekster] ten onrechte is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen. (...) Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. (..)"

2.5 [Verzoekster] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De bewindvoerder heeft laten weten geen verweerschrift in te dienen.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In de inleiding op het middel wordt gewezen op de in het arrest van 15 februari 2002, NJ 2002, 259(3) verwoorde maatstaf.

3.2.1 In bedoelde rov. wordt het volgende overwogen:(4)

"Daarnaast moet tegen de achtergrond van de strekking van de schuldsaneringsregeling, zoals deze is uiteengezet in onderdeel 8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda, worden aangenomen dat ook een meer algemene verplichting bestaat tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F., waarbij de rechter niet alleen de aard van de niet verstrekte inlichtingen, maar ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking zal moeten nemen. Mede gelet op de aard van deze mogelijkheid tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, die van rechtswege tot het faillissement van de schuldenaar leidt, dient als maatstaf voor de vraag of grond kan bestaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar van de hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt."

3.2.2 In dit arrest wordt als relevante factor nog genoemd dat de schuldsanering inmiddels al geruime tijd liep (rov. 3.3.2).(5) Het middel haakt daarop in de onderhavige zaak niet in.

3.2.3 Ook een aantal latere arresten heeft betrekking op de motiveringsplicht van de feitenrechter.(6)

3.3 Onderdeel 1 verwijt het Hof zich niet de vraag te hebben gesteld (althans deze niet te hebben beantwoord) of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet vetstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering ontbreekt.

3.4 Onderdeel 2 veronderstelt dat het Hof deze maatstaf niet toepasselijk heeft geacht. Dat oordeel wordt onjuist genoemd.

3.5 Onderdeel 3 veronderstelt dat het Hof de maatstaf wél heeft toegepast. In dat geval is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. In dat verband wordt het volgende te berde gebracht:

a. [verzoekster] heeft - door de bewindvoerder niet weersproken - gesteld geen wetenschap van de hennepplantage te hebben gehad;

b. [verzoekster] meende dat Nuon geen vordering op haar had;

c. [verzoekster] meende dat de Rechtbank "van alles" op de hoogte was;

d. de bewindvoerder wist ter zitting dat [verzoekster] "was afgesloten"

e. [verzoekster] leed ten tijde van de zitting aan klachten wegens depressie e.d.m.

3.6.1 Alvorens de klachten ten gronde te bespreken, moet worden geanalyseerd op welke grond het Hof het bestreden vonnis heeft bekrachtigd.

3.6.2 Daarbij stip ik aan dat het Hof - in cassatie niet bestreden - heeft aangenomen dat de hennepplantage zich in de schuur bevond, terwijl [verzoekster] rept van de garage; zie onder 2.3. Aan deze omstandigheid ga ik verder maar voorbij omdat zij mogelijk berust op een vergissing van het Hof.

3.7 Het Hof heeft zich, als gezegd, in de eerste plaats beroepen op de Nadere MvA I. Het lijkt goed de desbetreffende passage te citeren.(7) De Minister geeft aan dat art. 350 lid 3 Fw met opzet ruim is geformuleerd:

"Ook als de schuldenaar voorafgaand aan de toepassing van de regeling handelingen heeft verricht die erop gericht waren zijn schuldeisers te benadelen, dan levert het verzwijgen daarvan (aan bewindvoerder en/of rechter (..)) tijdens de regeling misbruik op. Hetzelfde geldt indien de schuldenaar voorafgaande aan de toepassing van de regeling informatie achterhoudt (bijvoorbeeld het niet vermelden van fraudeschulden of in het kader van de aflossingscapaciteit niet vermelden van een vordering op een derde) welke ontbrekende gegevens leiden tot een onterechte toegang tot de regeling. De memorie van toelichting heeft de toepasselijkheid van de beide beëindigingsgronden in artikel 350 lid 3 onderdelen c en e Fw niet beperkt tot misbruik dat zich tijdens de regeling voordoet. De omstandigheid dat ter gelegenheid van de beoordeling van het inleidende verzoekschrift de kwade trouw van de schuldenaar over het hoofd is gezien, betekent dus niet dat de rechter en de bewindvoerder als het ware een fatale kans zouden hebben gemist, en dat, indien in een later stadium wel misbruik aan het licht komt, de rechter niet de vrijheid zou hebben om de regeling al dan niet op initiatief van de bewindvoerder direct tussentijds te beëindigen."(8)

3.8.1 De zojuist geciteerde passage uit de nadere MvA is duidelijk gesteld in het teken van kwade trouw; dat woord wordt ook gebruikt. Daarop wijzen verder de gegeven voorbeelden. Ook 's Hofs formulering in rov. 3.3, waarin het woord misbruik centraal staat, wijst daarop.

3.8.2 Daarop wijst voorts dat het Hof [verzoekster] het niet vermelden van de schuld aanrekent "gezien de aard en het ontstaan" ervan (rov. 3.4). Bij de "aard" doelt het Hof op het illegaal aftappen van stroom.

3.9.1 's Hofs oordeel berust in belangrijke mate op de 3.7 geciteerde passage, die in de sleutel van kwade trouw van de schuldenaar is gesteld; zie onder 3.8.1. Dit oordeel laat, gelezen in samenhang met de onder 3.8.2 gememoreerde omstandigheid, geen andere interpretatie toe dan dat het Hof geen geloof hecht aan de stelling van [verzoekster] dat zij van niets wist. Wanneer juist zou zijn haar stelling dat ze niet wist van de illegale kwekerij, is immers niet aanstonds duidelijk waarom "de aard en het ontstaan" van de schuld te haren opzichte veel gewicht in de schaal leggen.

3.9.2 Ten overvloede zij gememoreerd dat [verzoekster], volgens haar eigen stellingen, ook tijdens de schuldsanering op ongebruikelijke wijze elekriciteit verkrijgt; zie onder 2.2.

3.10 's Hofs onder 3.9.1 geparafraseerd weergegeven oordeel wordt in cassatie niet met zoveel woorden bestreden. Wél wordt - in een andere context - aangevoerd dat [verzoekster] niet op de hoogte was van de kweek van hennep.

3.11 Al aangenomen dat deze stelling zou mogen worden gelezen als een bestrijding van 's Hofs zojuist weergegeven oordeel,(9) gaat zij m.i. niet op. In het licht van de vaststaande feiten (sprake was van een perceel waarop een woning, garage en twee schuren stonden) en van de in appèl niet bestreden vermelding door de Rechtbank dat vóór 's mans vertrek al tweemaal was geoogst,(10) is 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk.

3.12.1 Alvorens het middel (verder) ten gronde te bespreken, moet worden gewezen op een voorgenomen wijziging van art. 350 lid 3 Fw.(11) Het huidige art. 350 lid 3 onder c geeft de rechter de bevoegdheid toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. In het wetsvoorstel gaat het om een verplichting ("geschiedt").

3.12.2 Blijkens de MvT gaat het om een bewuste beperking van de regeling tot "schuldenaren 'die er klaar voor zijn'." Voorts wordt een verlichting van de werklast van de rechterlijke macht beoogd.(12) Gevreesd wordt dat door een steeds groter aantal schuldsaneringen het maatschappelijk draagvlak in gevaar komt. Ontneming van het verhaalsrecht van crediteuren is slechts gerechtvaardigd wanneer dat maatschappelijk iets oplevert.(13)

3.12.3 Dit wetsontwerp leent zich m.i. niet voor anticiperende toepassing. Wél noopt het er in mijn ogen toe om geen onnodig strenge eisen aan de motivering waarom de schuldsanering wordt beëindigd te stellen.

Bespreking ten gronde van de 3.3 - 3.5 weergegeven klachten

3.13 Onderdeel 1 gaat in zoverre op dat het Hof niet met zoveel woorden de daarin genoemde - juiste - maatstaf heeft genoemd.

3.14 In 's Hofs oordeel, zoals weergegeven onder 3.9.1, ligt deze maatstaf m.i. wel genoegzaam besloten. Bij kwade trouw (waarvan het Hof is uitgegaan) ligt niet voor de hand dat medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering valt te verwachten. Daaraan doet niet af - het kan de geachte steller van het middel worden toegegeven - dat het Hof er beter aan gedaan zulks expliciet in zijn arrest te vermelden.

3.15 Kortom: het onderdeel mist feitelijke grondslag.

3.16 Het voorafgaande voert tot de slotsom dat onderdeel 2 eveneens feitelijke grondslag ontbeert.

3.17 Onderdeel 3 gaat uit van een juiste lezing van 's Hofs arrest.

3.18 De onder 3.5 sub a genoemde omstandigheid heeft het Hof wel onder ogen gezien. Het heeft aan het betoog van [verzoekster] evenwel geen geloof gehecht. Onbegrijpelijk is dat niet; zie onder 3.11.

3.19 In rov. 3.5 heeft het Hof de door [verzoekster] te berde gebrachte omstandigheden tezamen afgedaan als onvoldoende om tot een ander oordeel te (kunnen) komen. Het Hof heeft daarbij ongetwijfeld het oog op hetgeen [verzoekster] in prima, in haar appèlschriftuur en tijdens de mondelinge behandeling te berde heeft gebracht. In rov. 2.2 en 2.3 verwijst het Hof expliciet naar het appèlschriftuur en de mondelinge behandeling waarvan (zo voeg ik toe) een uitvoerig proces-verbaal is opgemaakt.

3.20 Daarmee rijst nog slechts de vraag of de - ik erken: summiere - afdoening van hetgeen door [verzoekster] is aangevoerd toereikend is (gemotiveerd).

3.21 De stelling dat Nuon geen vordering had op [verzoekster] (3.5 sub b) is niet onderbouwd. Het Hof kon daaraan derhalve voorbij gaan.

3.22 De onder 3.5 sub c vermelde stelling is, blijkens het p.v., tijdens de mondelinge behandeling inderdaad door [verzoekster] betrokken. Erg duidelijk is zij niet. Uit de stukken valt niet af te leiden - en door [verzoekster] is ook niet gesteld - dat zij de gemeente Barneveld heeft ingelicht over de litigieuze schuld. Daarom valt niet goed in te zien hoe/waarom [verzoekster] kon menen dat de Rechtbank "van alles" op de hoogte was. Bij die stand van zaken behoefde het Hof niet op deze stelling in te gaan.

3.23 Ook uit de omstandigheid dat de bewindvoerder ter zitting wist dat [verzoekster] "was afgesloten" (stelling d), volgt geenszins dat sprake was van een aanzienlijke schuld ter zake van illegaal afgetapte stroom. Daarom behoefde het Hof evenmin uitdrukkelijk op deze stelling in te gaan.

3.24 De onder 3.5 sub e betrokken stelling zou van belang hebben kunnen zijn wanneer [verzoekster] als gevolg daarvan (redelijkerwijs) niet in staat was geweest om de juiste (en volgens het Hof noodzakelijke) informatie te verstrekken. [verzoekster] heeft dát evenwel niet aangevoerd. Het valt ook niet te rijmen met haar overige stellingen dat zij meende dat 1) de Rechtbank op de hoogte was en dat 2) Nuon geen vordering op haar had.

3.25 Daarom kon het Hof ook deze stelling kort en kernachtig afdoen, zoals in rov. 3.5 geschiedt.

3.26 Ten overvloede: de situatie waarin [verzoekster] is komen te verkeren, is onmiskenbaar onfortuinlijk. Dat blijkt vooral ook uit productie 7, zoals blijkbaar bij de mondelinge behandeling ten Hove is overgelegd. Daarmee is niet gezegd dat dit stuk een bijdrage levert aan het beeld dat zij wil oproepen dat medewerking aan de schuldsanering valt te verwachten. Zo wordt - daartoe beperk ik me - in deze productie opgemerkt dat zij niet toe kan komen aan de dingen die ze zou moeten doen; zij kan thans geen grip krijgen op haar situatie. Ik constateer dat zonder vreugde en met oprecht begrip voor de situatie waarin [verzoekster] is komen te verkeren.

3.27 Ten slotte: het zou, op zich en in het licht van de zojuist geschetste trieste situatie, wellicht nuttig kunnen zijn om (nader) uit te zoeken 1) of Nuon daadwerkelijk een vordering heeft op [verzoekster](14) en 2) wat de werkelijke omvang daarvan is. Geen van beide vragen zijn thans aan de orde. Reeds daarom moet ik met deze kanttekeningen volstaan.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ik geef deze stelling naar de kennelijke bedoeling weer.

2 De bewindvoerder erkent, blijkens blz. 3 van het p.v., dat hij in oktober 2003 bekend was met "de grondslag van de vordering" van Nuon.

3 Het arrest is voorzien van een uitvoerige noot van B. Wessels.

4 Ik geef de desbetreffende rov., anders dan het middel, integraal weer.

5 Ook G.H. Lankhorst, Bb 2002 blz. 166 wijst daarop.

6 HR 20 juni 2003, NJ 2003, 487 en HR 14 mei 2004, NJ 2004, 620, verwijzend naar gronden van A-G Strikwerda (zie met name onder 12/13). De maatstaf van het geciteerde arrest wordt herhaald in HR 4 november 2005, JOL 2005, 615 rov. 3.3.

7 Het citaat wordt uitvoeriger weergegeven dan het deel waarop het Hof doelt.

8 EK, zitting 1997-1998, 22969, nr 297 blz. 8.

9 Zelf lees ik de klachten niet aldus.

10 Zie het vonnis blz. 2 eerste alinea.

11 TK, zitting 2004-2005, nr 2.

12 TK, zitting 2004-2005, nr 3 blz. 1 met nadere uitwerking op blz. 2 en 4.

13 Idem blz. 2. In zoverre sluit de benadering van de Minister m.i. goed aan bij de onder 3.2.1 weergegeven benadering van Uw Raad.

14 Vgl. HR 9 december 2005, rolnr. C 04/249; thans nog niet gepubliceerd; zie met name rov. 3.5.