Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1579

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
R05/096HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1579
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen vader en moeder van een minderjarig kind over verschuldigde kinderalimentatie, draagkracht van de vader (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 261
RvdW 2006, 422
JWB 2006/143

Conclusie

Rek.nr. R05/096HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 25 januari 2006

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen:

[De vader]

1. Inleiding

1.1. In deze kinderalimentatiezaak gaat het over de vraag of het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de vader, taxichauffeur, een juist en begrijpelijk oordeel heeft gegeven over de fooien die de vader zou ontvangen.

1.2. De klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (in de zin van art. 81 RO) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten en procesverloop

2.1. De feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan zijn vermeld in rov. 2 van de in zoverre niet bestreden beschikking van het hof. Ik ontleen daaraan het volgende.

2.2. Partijen hebben tot eind november 2003 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [de zoon] geboren op [geboortedatum] 2000. [De zoon] verblijft bij de moeder. De vader heeft [de zoon] erkend.

2.3. De vader is alleenstaand. Hij is werkzaam in loondienst als taxichauffeur bij [A] Personeelsdiensten BV. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2004 € 20.597,--. Daarnaast ontvangt hij fooien.

2.4. De moeder vormt met [de zoon] en met haar partner een gezin.

2.5. De moeder heeft bij inleidend verzoekschrift verzocht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] vast te stellen ad € 400 per maand. In cassatie is nog slechts van belang haar stelling dat de vader € 400 à € 500 per maand aan fooi ontvangt en dat zij bij de berekening van de door haar voor de zoon verzochte alimentatie is uitgegaan van een bedrag aan fooi van € 400 netto per maand.(1)

2.6. De vader heeft in eerste aanleg geen verweerschrift ingediend.

2.7. De rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 18 augustus 2004 het verzoek van de moeder toegewezen.

2.8. De vader is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam.

2.9. De moeder heeft in haar verweerschrift in appèl gesteld dat de vader tijdens de relatie met haar € 400 à € 500 netto per maand aan fooien ontving, en dat zij geen reden heeft om aan te nemen dat de vader dit thans niet meer verdient: nu de vader meer ervaring als taxichauffeur heeft, heeft zij eerder reden om aan te nemen dat hij meer fooi is gaan verdienen.(2)

2.10. De vader heeft aan het hof de volgende verklaring van zijn werkgever overgelegd:

'U stelt dat de tegenpartij aangeeft dat [de vader] maandelijks plm. €400,00 aan fooi ontvangt. Dat bedrag lijkt mij, mede gezien de huidige omzetten, extreem hoog.

U zult begrijpen dat ik als werkgever geen inzicht heb, hoeveel fooi een werknemer krijgt, maar als ik uitga van gemiddeld 5 % fooi, kom ik bij [de vader] op een fooi van rond de €180,00 per maand.'(3)

Ter zitting van 17 maart 2005 heeft de vader de stelling van de moeder over de fooien gemotiveerd betwist en verwezen naar deze verklaring van de werkgever. De vader heeft desgevraagd zelf verklaard(4):

'De fooi die ik ontvang tijdens mijn werk bedraagt 5% van de omzet, hetgeen neerkomt op ongeveer € 150,-- à € 200,-- per maand. De belastingaangiften terzake zijn niet voorhanden.

(...)

In de periode november tot februari is het een slechte tijd voor de taxi, de inkomsten uit fooien zijn niet zo hoog als de moeder stelt.'

2.11. De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting in het kader van de draagkracht van de vader opnieuw naar voren gebracht(5):

'Tijdens de relatie was het gebruikelijk dat de vader per maand € 400,-- à € 500,-- aan fooien ontving. Hij is al lange tijd taxichauffeur, dus hij kent de handigheidjes om meer fooi te krijgen.'

2.12. Bij beschikking van 21 april 2005 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en heeft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding door de vader met ingang van 1 mei 2004 bepaald op € 63,-- per maand. De in cassatie relevante overwegingen(6) van het hof luiden:

'2. De feiten

(...)

Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2004 € 20.597,--. Daarnaast ontvangt hij fooien.

(...)

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De behoefte van [de zoon] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt niet betwist en staat derhalve vast.

4.2. De vader stelt - met verwijzing naar een door hem overgelegde draagkrachtberekening - dat hij onvoldoende draagkracht heeft om enige bijdrage te voldoen.

Na het verbreken van de relatie heeft hij zich slechts voorlopig verbonden € 200,-- ten behoeve van [de zoon] te voldoen. (...)

In hoger beroep heeft hij desgevraagd verklaard dat hij tijdens zijn werkzaamheden als taxichauffeur gemiddeld een bedrag van rond € 200,-- per maand aan fooien ontvangt en dat hij deze bedragen opgeeft aan de belasting. De belastingaangiften terzake heeft hij niet voorhanden.

4.3. De moeder betwist dat de vader geen draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. (...)

Voorts stelt zij dat de vader een hoog bedrag aan fooien ontvangt, waardoor zijn netto inkomen hoger uitvalt en hij dus meer draagkracht heeft dan hij stelt. (...)'

4.4. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vader uitgaan van zijn fiscaal jaarloon 2004 en een belastbaar bedrag van € 200,-- per maand aan fooien. (...)

4.10. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de vader met ingang van 1 mei 2004 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] van € 63,-- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.'

2.13. De moeder heeft tijdig(7) een verzoekschrift tot cassatie ingediend. De vader heeft een verweerschrift ingediend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het middel richt zich blijkens onderdeel 3.1 tegen rov. 2.2 van de beschikking van het hof in samenhang met rov. 4.2 t/m 4.4 alsmede de rov. 4.10 en 4.11 en de beslissing onder 5 en betoogt dat deze overwegingen onjuist, althans, gezien de inhoud van de gedingstukken, onbegrijpelijk zijn.

3.2. Onderdeel 3.2 betoogt daartoe dat de moeder - onbestreden in hoger beroep - heeft gesteld dat de vader zowel 'zwarte' als 'witte' fooien ontvangt die zo al niet direct op zijn inkomen van invloed zijn, tenminste zijn draagkracht beïnvloeden, zodat het hof daarmee rekening had behoren te houden. Volgens het onderdeel heeft het hof alleen rekening gehouden met de belaste fooien. Het hof had niet, zonder nadere motivering die ontbreekt, bepaalde inkomsten - de 'zwarte' fooien - mogen uitsluiten, zo betoogt het onderdeel. De vader heeft immers niet ontkend dat hij fooien ontving terwijl de verklaring van de werkgever over de fooien(8) - bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan dat het hier om de 'witte' fooien gaat, aldus het onderdeel.

Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat het de 'zwarte' fooien niet in aanmerking mocht nemen, heeft het volgens het onderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3. Het onderdeel gaat ervan uit dat de moeder in hoger beroep heeft gesteld dat de vader zowel 'zwarte' als 'witte' fooien ontvangt. Evenals verweerder heb ik genoemde stelling niet kunnen vinden in de gedingstukken. Het middel voldoet dus niet aan de op grond van art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen, nu in het verzoek tot cassatie een vermelding van de vindplaats van in het onderdeel genoemde stelling van de moeder in de stukken van het geding in feitelijke instanties ontbreekt, en faalt bovendien bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.4. Ik merk ten overvloede nog het volgende op. De moeder heeft weliswaar gesteld dat de vader tijdens hun relatie per maand € 400 à € 500 netto aan fooien ontving en dat hij, nu hij inmiddels meer ervaring heeft als taxichauffeur is en derhalve meer bedreven is in zijn werk, en 'de handigheidjes' ter verkrijging van meer fooi kent, doch kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof dit niet uitgelegd, en hoefde het ook niet uit te leggen, als door het onderdeel wordt betoogd.(9) Het hiervoor geciteerde verweer van de vader, onderbouwd door de eveneens hiervoor geciteerde verklaring van de werkgever, is voor het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aanleiding geweest om in rov. 4.4 te overwegen dat de vader een belastbaar bedrag van € 200 per maand aan fooien ontvangt. Voor zover ik in onderdeel 3.2 nog zou kunnen lezen dat het klaagt over een gebrekkige motivering in dit verband, merk ik op dat aan beslissingen die uitsluitend de vaststelling, waardering en weging van de voor de draagkracht van een alimentatieplichtige (en de behoefte van de alimentatiegerechtigde) relevante omstandigheden betreffen, geen hoge motiveringseisen worden gesteld.(10) Kennelijk (en niet onbegrijpelijk) heeft het hof niet aannemelijk gevonden - voor zover dat al zou kunnen worden gelezen in de stellingen van de moeder - dat de vader naast de belaste fooien van € 200 per maand nog fooien ontvangt die hij níet aan de belasting opgeeft.

3.5. De rechtsklacht, dat het hof ten onrechte zou menen dat 'zwarte' fooien niet in aanmerking zouden moeten of kunnen worden genomen bij het vaststellen van de draagkracht van de vader, mist eveneens feitelijke grondslag. De klacht gaat er immers ten onrechte vanuit dat het hof zich een oordeel had moeten vormen over de 'witte' en de 'zwarte' fooien. Nu dit, zoals blijkt uit het voorgaande, gezien de stellingen van partijen, kennelijk en niet onbegrijpelijk niét het uitgangspunt was van het hof, is niet aan de orde dat het hof, zoals het onderdeel betoogt, zou hebben gemeend dat het de 'zwarte' fooien niet in aanmerking kon of mocht nemen.

3.6. Volgens onderdeel 3.3 miskent het hof in rov. 4.2 dat de vader daar doelt op de 'witte fooien', hetgeen doorwerkt in rov. 4.4, 4.9 en 4.10 en de beslissing onder 5. Nu de 'zwarte fooien' de draagkracht van de vader ook beïnvloeden, zo betoogt het onderdeel, kunnen de gronden van de beschikking de beslissing niet dragen.

3.7. Het onderdeel gaat uit van hetzelfde uitgangspunt als het voorgaande onderdeel en moet het lot daarvan delen.

3.8. Voor zover de onderdelen 3.4 en 3.5 al klachten bevatten, bouwen zij voort op de voorgaande onderdelen, en delen het lot daarvan.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Verzoekschrift in eerste aanleg, p. 2 onder 9.

2 Verweerschrift in hoger beroep, p. 2 onder 3.B.

3 Bijlage bij brief van 15 maart 2005 van de advocaat van de vader aan het hof Amsterdam.

4 P-v mondelinge behandeling door het hof d.d. 17 maart 2005, p. 2 en 3.

5 P-v mondelinge behandeling door het hof d.d. 17 maart 2005, p. 2.

6 Bij mijn selectie heb ik uiteraard acht geslagen op het cassatiemiddel zijdens de moeder.

7 Het verzoekschrift is op 21 juli 2005 ingekomen.

8 Door mij hierboven weergegeven in nr. 2.10.

9 Zie Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (2005), nr. 169, met de daar genoemde verwijzingen.

10 HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 391 m.nt. JMBV; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4.