Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1576

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2006
Datum publicatie
12-05-2006
Zaaknummer
C05/091HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Geschil tussen verhuurder en huurder over de ontbinding van een huurovereenkomst; onbegrijpelijk oordeel van de appelrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van de huurder in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter wegens overschrijding van de appeltermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 297
RvdW 2006, 497
JWB 2006/172
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/091HR

Mr. L. Strikwerda

Zt. 10 febr. 2006

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Sedijko B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. In cassatie gaat het in deze huurzaak uitsluitend om de vraag of het hof thans eiser tot cassatie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep tegen een in eerste aanleg door de kantonrechter gewezen deelvonnis.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, liggen als volgt (zie r.o. 3 van het arrest van het hof).

(i) Thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], huurt van thans verweerster in cassatie, hierna: Sedijko, de woning gelegen op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], hierna: de woning.

(ii) Bij aanvang van de procedure in eerste aanleg (5 april 2001) bedroeg de huurprijs f 892,66 per maand.

(iii) Op 22 december 1999 heeft in de keuken van de woning een brand gewoed. Daardoor is schade aan de woning ontstaan.

3. Bij exploit van 5 april 2001 heeft Sedijko [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna: de kantonrechter, en op grond van de stelling dat [eiser] toerekenbaar ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting tot stipte betaling van de huurpenningen, gevorderd - kort gezegd - ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, betaling van f 3.838,57 aan achterstallige huur tot en met april 2001, en betaling van f 892,66 voor iedere maand of gedeelte van een maand dat [eiser] na 30 april 2001 in het genot van het gehuurde blijft, e.e.a. met incasso- en proceskosten en wettelijke rente.

4. [Eiser] heeft de vordering van Sedijko bestreden en van zijn kant een eis in reconventie ingesteld tot betaling van f 3.840,85 als schadevergoeding ter zake van vervangende kamerhuur en schoonmaak- en schilderkosten i.v.m. een andere brand. Sedijko heeft verweer gevoerd tegen de reconventionele vordering.

5. Nadat op 24 september 2002 een bij tussenvonnis van 6 augustus 2002 door de kantonrechter gelaste comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 8 oktober 2002 in conventie [eiser] veroordeeld om tegen kwijting aan Sedijko te voldoen het equivalent in euro's van een bedrag van f 3.838,57, vermeerderd met de wettelijke rente, en iedere verdere beslissing aangehouden. In reconventie verwees de kantonrechter de zaak naar de rol teneinde Sedijko in de gelegenheid te stellen een conclusie na comparitie te nemen.

6. Tegen dit vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2002, voor zover in conventie gewezen, heeft [eiser] bij exploit van 8 januari 2003 bij het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep ingesteld. De zaak is ter rolle van het hof ingeschreven onder rolnr. 148/03.

7. Bij eindvonnis van 18 maart 2003 heeft de kantonrechter in conventie de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden, [eiser] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, en [eiser] veroordeeld tot betaling van het equivalent in euro's van een bedrag van f 892,66 voor elke maand of gedeelte van een maand, gedurende welke [eiser] in het genot blijft van het gehuurde vanaf 30 april 2001, onder afwijzing van hetgeen meer of anders mocht zijn gevorderd. In reconventie wees de kantonrechter de eis af. In conventie en in reconventie werd [eiser] in de proceskosten verwezen.

8. Tegen dit vonnis van de kantonrechter van 18 maart 2003 heeft [eiser] bij exploit van 6 mei 2003 bij het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep ingesteld. De zaak is ter rolle van het hof ingeschreven onder rolnr. 877/03.

9. In de onder rolnr. 148/03 ingeschreven zaak heeft het hof bij arrest van 30 september 2004 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van 8 oktober 2002 en het vonnis van 18 maart 2003 bekrachtigd.

10. Wat de niet-ontvankelijkheid van [eiser] in het hoger beroep tegen het vonnis van 8 oktober 2002 betreft, overwoog het hof - kort gezegd - als volgt. Bij dagvaarding van 6 mei 2003 is [eiser] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 18 maart 2003 (r.o. 1). Uit de door [eiser] aangevoerde grieven blijkt dat, ofschoon in de appeldagvaarding uitsluitend de vernietiging wordt gevraagd van het vonnis van 18 maart 2003, het hoger beroep zich mede uitstrekt tot het vonnis van 8 oktober 2002 (r.o. 4.4). Het vonnis van 8 oktober 2002, voor zover dat betrekking heeft op de veroordeling van [eiser] tot betaling van de achterstallige huur, vermeerderd met de wettelijke rente, is een eindvonnis. Tegen zo'n vonnis kan slechts hoger beroep worden ingesteld binnen de termijn van drie maanden genoemd in art. 339 lid 1 Rv. Aangezien [eiser]s appeldagvaarding dateert van 6 mei 2003, derhalve na het verstrijken van die termijn, kan hij niet worden ontvangen in zijn hoger beroep voorzover dat is gericht tegen de in het vonnis van 8 oktober 2002 gegeven veroordeling tot betaling (r.o. 4.5).

11. [Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. Sedijko is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

12. Het middel keert zich in al zijn onderdelen tegen het oordeel van het hof dat de onder rolnr. 148/03 ingeschreven appelprocedure werd ingeleid met de dagvaarding van 6 mei 2003 waarbij [eiser] hoger beroep instelde tegen het vonnis van de kantonrechter van 18 maart 2003. Naar de kern genomen betoogt het middel dat het hof eraan heeft voorbijgezien dat de onder rolnr. 148/03 ingeschreven appelprocedure werd ingeleid met een dagvaarding van 8 januari 2003 waarbij [eiser] hoger beroep instelde tegen het vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2002. Volgens het middel is daarom onjuist, althans onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor zover dit zich mede uitstrekt tot het vonnis van 8 oktober 2002, alsmede het oordeel van het hof dat het vonnis van 18 maart 2003 en de daarbij afgewezen reconventionele vordering van [eiser] onderwerp is van de appelprocedure waarin het hof zijn thans bestreden arrest heeft gewezen.

13. Uit de gedingstukken blijkt dat [eiser] bij dagvaarding van 8 januari 2003 bij het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep heeft ingesteld tegen het (deel)vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2002. Blijkens een aantekening op die dagvaarding, de aanhef van de ter rolle van het hof van 17 april 2003 door [eiser] genomen memorie van grieven, en de aanhef van de ter rolle van het hof van 8 april 2004 door Sedijko genomen memorie van antwoord, is de zaak bij het hof ingeschreven onder rolnr. 148/03.

14. Voorts blijkt uit het bestreden arrest dat [eiser] bij dagvaarding van 6 mei 2003 hoger beroep bij het gerechtshof te Amsterdam heeft ingesteld tegen het (eind)vonnis van de kantonrechter van 18 maart 2003. Dit wordt bevestigd door de door [eiser] bij gelegenheid van de schriftelijke toelichting overgelegde afschriften van de dagvaarding van 6 mei 2003 en van het rolbericht van 3 juli 2003. Uit deze afschriften blijkt dat deze zaak bij het hof is ingeschreven onder rolnr. 877/03.

15. Het thans bestreden arrest is blijkens de aanhef daarvan gewezen in zaak rolnr. 148/03. Uit het arrest blijkt evenwel dat het hof geen uitspraak heeft gedaan op de bij dagvaarding van 8 januari 2003 door [eiser] ingeleide en onder rolnr. 148/03 ingeschreven appelprocedure tegen het (deel)vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2002, doch uitspraak heeft gedaan op de bij dagvaarding van 6 mei 2003 door [eiser] ingeleide appelprocedure tegen het (eind)vonnis van de kantonrechter van 18 maart 2003.

16. Naar de oorzaak van deze verwarring van de twee zaken kan men slechts gissen. Duidelijk is echter dat 's hofs uitgangspunt dat de onder rolnr. 148/03 ingeschreven appelprocedure werd ingeleid met de dagvaarding van 6 mei 2003 waarbij [eiser] hoger beroep instelde tegen het vonnis van de kantonrechter van 18 maart 2003, op een kennelijke vergissing berust en dat daarom ook de op dit uitgangspunt voortbouwende oordelen van het hof dat [eiser] wegens overschrijding van de wettelijke appeltermijn niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep voor zover dit zich uitstrekt tot het vonnis van 8 oktober 2002, alsmede dat het vonnis van 18 maart 2003 en de daarbij afgewezen reconventionele vordering van [eiser] onderwerp is van de onderhavige appelprocedure, geen stand kunnen houden. Het middel treft derhalve in zijn motiveringsklachten doel.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar dat hof ter verder behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden