Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1157

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
01461/05 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1157
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aan cassatiemiddel te stellen eisen. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden beschikking heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. HR verklaart klager niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01461/05 B

Mr. Knigge

Zitting: 31 januari 2006

Conclusie inzake:

[klager]

1. Bij beschikking van 10 mei 2005 heeft de Rechtbank te Roermond het namens klager op de voet van artikel 552a Wetboek van Strafvordering ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen (twee taxatierapporten, een kentekenbewijs, enkele contante geldbedragen en gelden op zowel een bankrekening als een girorekening) ongegrond verklaard ten aanzien van de taxatierapporten en de (contante) gelden en de teruggave gelast van het inbeslaggenomen kentekenbewijs.

2. Tegen deze beschikking heeft klager cassatieberoep doen instellen.

3. Namens klager heeft mr. P.G.C.P. Smits, advocate te Venlo, een schriftuur ingediend die "middelen van cassatie" zou bevatten.

4. Gesteld wordt dat het klaagschrift gegrond had dienen te worden verklaard wegens de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als gevolg van schending van de beginselen van een goede procesorde, met name het beginsel van fair play en het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Daartoe wordt - kort samengevat - het volgende betoogd. Het OM heeft een onjuiste voorstelling van zaken gegeven ter beoordeling van de gegrondheid van het beslag, in het bijzonder voor wat betreft de proceshouding van klager en de verklaringen die hij heeft afgelegd over de herkomst van inbeslaggenomen gelden. Ontlastend materiaal, bestaande in een verklaring van de wederpartij in een koopovereenkomst ten aanzien van onroerend goed en in bewijs voor de legale verkrijging van inbeslaggenomen gelden, zijn aan de Rechtbank onthouden evenals ontlastende elementen van de justitiële antecedenten.

5. De schriftuur wekt sterk de indruk een uitgebreide herhaling te zijn van het in feitelijke aanleg gehouden pleidooi. Gesteld wordt wat de Rechtbank had moeten beslissen (het beklag gegrond verklaren), maar duidelijke klachten die zich richten tegen de beslissing zoals die is gegven en gemotiveerd, worden niet geformuleerd. Niet aangegeven wordt in welk opzicht die beslissing zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende met redenen zou zijn omkleed. De enkele stelling dat het recht is geschonden en/of er vormen zijn verzuimd is daartoe ten enenmale onvoldoende. Van middelen van cassatie in de zin van art. 437 lid 2 Sv is naar mijn oordeel dan ook geen sprake.

6. Mijn conclusie is dat de klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het cassatieberoep.

7. Voor het geval de Hoge Raad daarover anders zou oordelen en van mening zou zijn dat kennelijk bedoeld wordt te klagen over de verwerping van het gevoerde verweer door de Rechtbank, merk ik het volgende op.

8. De stukken bevatten een gewaarmerkt klaagschrift ("verzoekschrift tot opheffing beslag") d.d. 22 februari 2005 dat blijkens het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de Rechtbank (enkelvoudige raadkamer) van 29 maart 2005 op 23 februari 2005 is ingediend. Het klaagschrift houdt kort samengevat in dat klager ten onrechte als verdachte wordt aangemerkt en dat om die reden het beslag op twee taxatierapporten, een kentekenbewijs, enkele contante geldbedragen en op een girorekening en een bankrekening dient te worden opgeheven.

9. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 29 maart 2005 heeft de raadsvrouw van klaagster:

- onderbouwd aangevoerd dat de gelden op de rekening deels voortkomen uit een geldlening van € 250.000 van een tante, maandelijkse huurpenningen, de verkoop van een omvangrijke inboedel, en de verkoop van een pand in Nijmegen.

- onderbouwd aangevoerd dat het BFO in zijn proces-verbaal ten onrechte heeft aangevoerd dat klager zich van 1991 tot 2005 heeft schuldig gemaakt aan de handel in drugs.

- door middel van overlegging van een kopie van het PV van verhoor aangevoerd dat het BFO in zijn proces-verbaal ten onrechte het beeld heeft gecreëerd dat klager geen openheid van zaken wenst te geven.

10. Klager heeft ter zitting van 29 maart 2005 nog het volgende aangevoerd:

"Ik word zwaar benadeeld door het optreden van politie en justitie. Ik heb dringend geld nodig. Het gaat om een bedrag van € 19.500. Ik heb een chalet gekocht. Ik heb al aanbetaald, maar ik moet de rest snel afbetalen."

11. De Rechtbank besliste vervolgens - blijkens hetzelfde proces-verbaal - het onderzoek te schorsen teneinde:

- aan het dossier een verklaring toe te voegen voor de stelling van het BFO dat klager elke medewerking aan het onderzoek weigerde, terwijl uit het PV van verhoor het tegendeel blijkt.

- een Nederlandse vertaling te verkrijgen van de geldlening van de tante van klager.

- gegevens te verkrijgen met betrekking tot het rogatoire onderzoek van de zaaksofficier in Turkije aangaande deze geldlening.

12. Blijkens het desbetreffende proces-verbaal heeft tijdens de zitting van de Rechtbank (enkelvoudige raadkamer) van 26 april 2005 kort samengevat het volgende plaatsgevonden.

13. De raadsvrouw heeft meegedeeld dat zij de vertaling van de geldlening, de processen-verbaal van verhoor van klager en het verslag van de rogatoire commissie niet heeft ontvangen en slechts inzage heeft gehad in stukken van het BFO. Vervolgens heeft zij blijkens de aangehechte pleitnota aangevoerd dat klager wel degelijk, anders dan is voorgesteld door het OM, inhoudelijk en gedetailleerd, verifieerbaar, over de legale herkomst van de gelden blijkt te hebben verklaard. Op grond daarvan zouden de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden:

"De verdediging stelt dat hiermee de beginselen van een goede procesorde, met name het beginsel van fair play en het beginsel van zuiverheid van oogmerk, zijn geschonden, door aan uw Raadkamer het beeld te schetsen van een zwijgende verdachte op het punt van de in beslag genomen grote geld bedragen. Klager blijkt op alle punten medewerking te hebben verleend. Tot op heden wordt uw raadkamer echter dienaangaande niet opgehelderd. Ondanks rechterlijk verzoek daartoe, en termijnstelling, laat het OM het beeld van een niet-verklarende verdachte onverkort bestaan. Bepleit wordt de opheffing van de beslagen te gelasten, wegens verval van het recht van vervolging gegeven de gang van zaken, in strijd met de rechten van de verdediging.

Client kreeg inmiddels op het politiebureau wel medewerking tot inzage in zijn eigen financiële administratie en kreeg de mogelijkheid kopieen te ontvangen. Hij is thans in de gelegenheid tot nadere documentatie met betrekking tot de legale herkomst van de gelden."

14. In de pleitnota wordt vervolgens met stukken onderbouwd aangegeven hoe klager de beschikking heeft gekregen over de verschillende inbeslaggenomen gelden. In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsvrouwj aangevoerd dat de huurovereenkomsten buiten het onderzoek worden gehouden. De officier van Justitie heeft vervolgens onder overlegging van de verhoren kort samengevat meegedeeld dat klager in zijn eerste verhoren algemene en oppervlakkige informatie heeft verschaft en zich daarna steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen en dat het onderzoek naar de geldbedragen, waaronder ook die in Turkije naar de geldlening van klagers tante, nog gaande was. De Rechtbank heeft klager vervolgens in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de verhoren. Daarna heeft de raadsvrouw nog aanvullende opmerkingen gemaakt.

15. De Rechtbank heeft bij beschikking van 10 mei 2005 vervolgens het beklag strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen ongegrond verklaard ten aanzien van de twee taxatierapporten, enkele contante geldbedragen en de gelden op zowel de bankrekening als de girorekening en de teruggave gelast van het inbeslaggenomen kentekenbewijs en heeft, voor zover hier van belang, daartoe het volgende overwogen:

"De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken.

De raadsvrouw heeft gesteld dat klager ten onrechte als verdachte is aangemerkt en dat er dan ook ten onrechte een strafrechtelijk financieel onderzoek jegens klager is geopend. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De Officier van Justitie heeft gesteld, dat de politie uit ClE-informatie en uit vermeldingen in het BPS-systeem, is gebleken dat klager zich bezig heeft gehouden met de handel in verdovende middelen. Verder is door de Officier van Justitie aangegeven dat medewerkers van het Bureau voor politiele ondersteuning van de Landelijk Officier van Justitie voor de wet Melding ongebruikelijke transacties (BLOM) bij de politie melding hebben gemaakt van een mogelijke toepassing van een a-b-c-constructie bij de aan- en verkoop van een woning door klager, waarbij de verkoopprijs in twee maanden verdriedubbeld is ten opzichte van de aankoopprijs.

De rechtbank is van oordeel dat uit genoemde informatie een voldoende verdenking is gerezen dat klager zich mogelijk heeft bezig gehouden met de handel in verdovende middelen en het witwassen van drugsgelden en dat er derhalve ook voldoende redenen waren om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen in verband met het onderzoek naar het door klager eventueel wederrechtelijk genoten voordeel.

De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat nu niet is voldaan aan de verzoeken van de rechtbank gerelateerd in het proces-verbaal van de behandeling van 29 maart 2005, de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. Met name het beginsel van fair play en het beginsel van zuiverheid van oogmerk is geschonden. De raadsvrouw verzoekt de opheffing van het beslag te gelasten, wegens verval van het recht van vervolging.

De rechtbank stelt vast dat door de Officier van Justitie de ontbrekende processen-verbaal van de verhoren van klager aan de rechtbank zijn overgelegd. Deze stukken zijn ten onrechte niet naar de verdediging gestuurd, maar de verdediging heeft daar -na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld- alsnog kennis van kunnen nemen. Uit de overgelegde stukken blijkt, dat klager op 26 februari 2005 door de politie is gehoord en dat klager de gestelde vragen heeft beantwoord. Bij de stukken bevindt zich voorts een proces-verbaal van verhoor van klager op 27 januari 2005 omstreeks 09.15 uur, waarin klager aanvankelijk de vragen van de politie beantwoordt, maar zich op een gegeven moment beroept op zijn zwijgrecht. Ook tijdens het verhoor van

17 januari 2005 omstreeks 13.16 uur worden door klager nagenoeg geen vragen beantwoordt. Op 28 februari 2005 omstreeks 09.46 uur en 14.11 uur is klager nogmaals gehoord en heeft hij antwoord gegeven op de door de politie gestelde vragen.

De rechter is, gezien deze processen verbaal, van oordeel dat de eerdere stelling van de verbalisanten van het BFO, dat klager niet meewerkt aan het onderzoek, nuancering behoeft. Immers, klager heeft naar aanleiding van de nodige (maar niet alle) vragen van de verbalisanten een verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de Officier van Justitie het beeld van het afleggen van verklaringen van verdachte door het overleggen van de betreffende processen-verbaal alsnog voldoende heeft gecompleteerd, zodat deze grief van de raadsvrouw dient te worden verworpen.

(...)."

16. Vooropgesteld moet worden dat de vraag of het openbaar minsterie ontvankelijk is in zijn vervolging in een beklagprocedure als de onderhavige niet aan de orde is. De vraag die de Rechtbank had te beantwoorden, was of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet.(1) Van een dergelijk belang is geen sprake als het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de klaagster wegens de feiten waarvan hij wordt verdacht zal veroordelen.(2) Dat betekent dat voor gegrondbevinding van het beklag op de aangevoerde grond alleen plaats is als het hoogst waarschijnlijk is dat de later oordelende rechter het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

17. Vooropgesteld moet voorts worden dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor de niet-ontvankelijkheid van het OM wegens in het vooronderzoek begane vormverzuimen. De Hoge Raad heeft daartoe het welbekende Zwolsmancriterium geformuleerd.(3) Voorts heeft de Hoge Raad in HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 m.nt. YB aan de te voeren verweren op dit stuk de eis gesteld dat daarin de relevante factoren worden vermeld op grond waarvan de niet-ontvankelijkheid als sanctie op haar plaats zou zijn.

18. Het in deze zaak gevoerde verweer voldoet niet aan die eis. Ook overigens lijkt het hier vooropgestelde te worden miskend. Reeds daarom is het middel tot falen gedoemd. Ik merk overigens op dat het oordeel van de Rechtbank dat, voor zover sprake was van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, die vormverzuimen genoegzaam zijn hersteld, bezien in het licht van art. 359a Sv niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ook overigens niet onbegrijpelijk is. Ook om die reden kan het middel niet slagen.

19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

20. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Ingevolge art. 552a lid 6 Sv vindt de behandeling in raadkamer in het openbaar plaats. Op basis van art. 22 leden 2 en 3 Sv kan de behandeling desondanks met gesloten deuren plaatsvinden. Indien de behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden terwijl niet blijkt dat toepassing is gegeven aan art. 22 lid 2 en 3 Sv, dient echter nietigheid van de behandeling en van de beschikking het gevolg te zijn.(4) De stukken behelzen:

- een uitgewerkt proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank van 29 maart 2005 ("verhoor klager ter terechtzitting").

- een kopie van een handgeschreven en niet ondertekend noch gewaarmerkt proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 26 april 2005 ("verhoor klager ter terechtzitting"), inhoudende een hervatting van het onderzoek van 29 maart 2005.

- een conform wettelijke voorschriften opgemaakt proces-verbaal van de besloten terechtzitting, eveneens van 26 april 2005 (andere opmaak dan voorgaande PV's) inhoudende een hervatting van het onderzoek van 29 maart 2005.

21. Uit het proces-verbaal blijkt niet van toepassing van art. 22 lid 2 en 3 Sv. Mijns inziens moet het er echter voor gehouden worden dat de vermelding van "besloten" boven het conform de wettelijke voorschriften opgemaakte proces-verbaal op een kennelijke misslag berust, in aanmerking genomen (1) dat het bij de raadkamerbehandeling van 26 april 2005 ging om een hervatting van de openbare behandeling van 29 maart 2005 in de stand waarin het zich toen bevond, (2) dat nergens blijkt dat zich na 29 maart 2005 omstandigheden hebben voorgedaan die de Rechtbank aanleiding gegeven zouden kunnen hebben om de voortgezette behandeling niet langer in het openbaar te doen plaats vinden, (3) dat het oorspronkelijke handgeschreven proces-verbaal "openbaar" vermeldt en beide processen-verbaal van 26 april 2005 voor het overige overeenkomen en dat (4) het proces-verbaal van 26 april 2005 vermeldt dat de uitspraak in het openbaar zal plaatsvinden. In elk geval meen ik dat het onderhavige gebrek onder deze omstandigheden niet tot ambtshalve vernietiging behoeft te leiden.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik ook overigens niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt primair tot niet ontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Ik laat onbesproken of ten tijde van de inbeslagneming sprake was van een redelijk vermoeden dat het strafbare feit van witwassen (reeds) was begaan, nu over de onrechtmatigheid van de inbeslagneming niet wordt geklaagd.

2 Zie o.a. HR 27 april 1971, NJ 1972, 341. Zie ook R. Kuiper, 'Beklag tegen beslag', NJB 2005, p. 202-208, i.h.b. p. 206.

3 Zie HR 19 december 1995, NJ 1996, 249.

4 HR 4 februari 2003, LJN AE9642