Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV1150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
21-03-2006
Zaaknummer
01124/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV1150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tegenonderzoek. 1. ’s Hofs oordeel dat verdachte het aan zichzelf heeft te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (i) van verdachte, nadat hij om een tegenonderzoek had verzocht, door een arts bloed is afgenomen waarvoor hij aan de politie een bedrag van € 83,50 heeft betaald; (ii) verdachte vervolgens ervan op de hoogte is gesteld dat hij binnen een termijn van 6 weken eigener beweging een bedrag van € 91,-- aan het NFI diende over te maken voor de bepaling van het alcoholgehalte van het afgenomen bloed; (iii) verdachte het verschuldigde bedrag niet aan het NFI heeft betaald. Daaraan kan niet afdoen dat de door het NFI aan verdachte gezonden betalingsherinnering deze wellicht niet heeft bereikt aangezien geen rechtsregel het NFI ertoe verplichtte zulk een herinnering te versturen. 2. Nu geen onderzoek van het bloedmonster heeft plaatsgevonden (hetgeen aan verdachte te wijten is geweest), bestond gelet op art. 14 Regeling bloed- en urineonderzoek (oud) voor het NFI niet de verplichting het bloedmonster langer te bewaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 172
NJ 2006, 224
RvdW 2006, 324
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01124/05

Mr. Knigge

Zitting: 31 januari 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van €400,- subsidiair acht dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid om gedurende zeven maanden motorrijtuigen te besturen. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een bij een eerdere uitspraak aan de verdachte opgelegde ontzegging van de bevoegdheid om gedurende zes maanden motorrijtuigen te besturen.

2. Namens de verdachte heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ik geef hieronder eerst kort aan waar het in deze zaak om gaat. Daarna bespreek ik de middelen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 16 november 2002 te Utrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 645 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn"

5. Uit de bewijsmiddelen volgt onder meer dat:

(i) de verdachte op 16 november 2002 als bestuurder van een auto betrokken was bij een verkeersongeval;

(ii) er door de politie bij de verdachte een onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2a Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is uitgevoerd, omdat zijn adem naar alcohol riekte;

(iii) het resultaat van dit onderzoek was dat het alcoholgehalte van de adem van de verdachte hoger was dan toegestaan (645 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht);

(iv) de verdachte nadat hem het resultaat van het ademonderzoek was verteld heeft verzocht om een tegenonderzoek, te weten een bloedonderzoek;

(v) een aantal uren later door een arts bij de verdachte bloed is afgenomen, welk bloed is verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI);

(vi) door de politie toen (op 16 november 2002) aan de verdachte is verteld dat hij - indien hij het tegenonderzoek wenste - binnen zes weken 91 euro aan het NFI diende over te maken;

(vii) de verdachte voor het ademonderzoek 83,50 euro aan de politie heeft betaald;

(viii) het NFI op 4 februari 2003 een brief aan de verdachte heeft verzonden, naar het adres: [a-straat 1] te [woonplaats], inhoudende dat het NFI een bloedmonster voor tegenonderzoek had ontvangen, maar dat binnen de gestelde zes weken geen betaling van de verdachte was ontvangen en dat het NFI er vanuit gaat dat de verdachte afziet van het tegenonderzoek indien er binnen twaalf weken geen betaling is ontvangen;

(ix) op 30 juni 2003 nog geen betaling was ontvangen, waarna het NFI het bloedmonster heeft vernietigd;

(x) het NFI nooit geld van de verdachte heeft ontvangen.

6. In de bestreden uitspraak heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

"Het hof heeft geconstateerd dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) het van verdachte ten behoeve van het tegenonderzoek afgenomen bloedmonster heeft laten vernietigen, nadat verdachte (ten overvloede) was uitgenodigd om alsnog het voor het tegenonderzoek verschuldigde bedrag te voldoen en verdachte daaraan geen gevolg had gegeven. De uitnodiging aan verdachte om het verschuldigde bedrag te voldoen is weliswaar verzonden aan het door verdachte opgegeven adres, en niet aan zijn (aan justitie bekende) detentieadres, maar het hof is van oordeel, dat verdachte, wanneer hij een postadres (van vrienden) opgeeft, zelf het risico heeft te dragen voor het niet aan hem doorzenden van poststukken.

Het hof neemt op grond van het aanvullend proces-verbaal van 6 december 2004 van verbalisant A. Strijk, agent van politie te Utrecht, aan, dat aan verdachte bij het afnemen van bloed is medegedeeld, dat hij niet alleen de kosten van de afname van bloed, maar ook die van de analyse van het bloedmonster door het NFI tijdig aan die instantie moest voldoen. Nu verdachte dat niet heeft gedaan, ook niet na voornoemde herinnering van de zijde van het NFI, kan aan het gegeven, dat het bloedmonster inmiddels is vernietigd, en wel voordat de in artikel 14 van de Regeling bloed- en urineonderzoek voorgeschreven bewaartermijn was verstreken, geen betekenis meer worden toegekend.

Weliswaar geldt de verplichting van het NFI tot bewaring van het monster als één van de strikte waarborgen waarmede het onderzoek als bedoeld in art. 8 tweede lid sub a in verbinding met art. 163 WVW is omkleed, maar het hof is van oordeel, dat door het vernietigen van het afgenomen bloedmonster vóór het einde van de voorgeschreven bewaartermijn, maar nadat de termijn waarbinnen betaald had moeten zijn, was verstreken, aan deze waarborgen geen afbreuk is gedaan. Immers verdachte heeft het aan zichzelf te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgehad (NJ 2000,725). Derhalve komt het hof tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit."

7. In het eerste middel wordt geklaagd dat het Hof de verdachte had moeten vrijspreken, nu hem een tegenonderzoek is onthouden. Deze klacht vat ik op als inhoudende dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat er sprake is van een "onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994".

8. In een arrest uit 2000 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:(1)

"Ingevolge art. 10a Besluit alcoholonderzoeken (hierna het Besluit) kan de verdachte dadelijk nadat hem het resultaat van de in art. 8 van het Besluit voorziene ademanalyse is meegedeeld, de wens kenbaar maken dat tevens een onderzoek wordt verricht als bedoeld in art. 8, tweede lid onder b, WVW 1994 (bloedonderzoek). Het aldus toegekende recht om een tegenonderzoek te doen verrichten moet worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het alcoholgehalte van de adem van de verdachte heeft omringd. Daaruit volgt dat, indien een verdachte op het daartoe in art. 10a Besluit aangewezen moment te kennen heeft gegeven van dat recht gebruik te willen maken, het onderzoek van diens adem in beginsel niet kan gelden als een "onderzoek" in de zin van art. 8, tweede lid onder a, WVW 1994 indien een zodanig tegenonderzoek niet is verricht. Dit is slechts anders indien de verdachte alsnog blijk geeft van genoemd recht op een tegenonderzoek af te zien, dan wel het aan zichzelf te wijten heeft dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgehad (vgl. HR 27 juni 2000, NJB 2000, p. 1449)."

9. In het onderhavige geval heeft de verdachte - overeenkomstig art. 10a (oud) van het Besluit alcoholonderzoeken (hierna: Besluit) - dadelijk nadat hem het resultaat van het ademonderzoek was medegedeeld de wens kenbaar gemaakt dat tevens een bloedonderzoek zou worden verricht. Gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad geldt in een dergelijke situatie als uitgangspunt dat het onderzoek van de adem van de verdachte niet kan gelden als een 'onderzoek' als bedoeld in art. 8 lid 2 onder a WVW 1994 indien het tegenonderzoek niet is verricht. Op dit uitgangspunt formuleert de Hoge Raad de volgende uitzonderingen:

1. de verdachte geeft alsnog te kennen dat hij van het recht op tegenonderzoek afziet;

2. de verdachte heeft het aan zichzelf te wijten dat het onderzoek niet heeft plaatsgevonden.

10. Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 6 weergegeven overwegingen geoordeeld dat de tweede hiervoor onder 9 bedoelde uitzondering van toepassing is: de verdachte heeft het aan zichzelf te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden. Dit oordeel heeft het Hof doen steunen op de grond dat de verdachte door de politie is medegedeeld dat hij voor het uitvoeren van het door hem gewenste tegenonderzoek een bedrag moest betalen aan het NFI, maar dat hij dit - ondanks een aan een adres van de verdachte verzonden brief van het NFI - niet heeft gedaan.

11. Volgens artikel 10a (oud) van het Besluit geschiedt het tegenonderzoek voor rekening van de verdachte. Ingevolge art. 13a lid 4 in verbinding met lid 2 sub c van de Regeling bloed- en urineonderzoek (oud, hierna: Regeling) dient de verdachte binnen zes weken na de bloedafname de kosten van het onderzoek aan het NFI te betalen, en gaat het NFI pas over tot onderzoek wanneer deze betaling is geschied. Het is dus aan de verdachte om tijdig voor de betaling zorg te dragen, bij gebreke waarvan niet kan worden gezegd dat door het uitblijven van een tegenonderzoek het onderzoek van de adem van de verdachte niet kan gelden als een onderzoek in de zin van art 8 lid 2 onder a WVW 1994. In het geval de verdachte - zoals in het onderhavige geval - dadelijk nadat hem het resultaat van de ademanalyse is medegedeeld om een tegenonderzoek vraagt, dient hij echter wel omtrent de procedure en de aard van zijn betalingsverplichting door de politie te worden ingelicht, zodat hij kan beslissen of hij zijn verzoek handhaaft.(2)

12. De verdachte is door de politie ingelicht omtrent de procedure en aard van de betalingsverplichting. Dit volgt uit het door het Hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van A. Strijk van 6 december 2004, inhoudende:

"Blijkens het bedrijfsprocessensysteem van de politie regio Utrecht, heeft verdachte [...] op 16 november 2002 conform de regeling 83,50 euro betaald. Aan hem is tevens medegedeeld dat hij, indien hij een tegenonderzoek wenste, binnen zes weken rechtstreeks 91 euro over zou moeten maken aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk."

13. Navraag bij het NFI heeft mij geleerd dat de (standaard)procedure omtrent het verzenden van bloedmonsters naar het NFI in verband met contra-expertise na een ademanalyse als volgt is. De politie heeft standaardformulieren die betrekking hebben op het aanvragen van een contra-expertise door het NFI. Deze formulieren bestaan uit twee delen. Het ene deel wordt met de bloedmonsters van de verdachte naar het NFI gestuurd, het andere deel wordt uitgereikt aan de verdachte. Op het aan de verdachte uitgereikte deel is de procedure rond contra-expertise door het NFI aangegeven, alsmede informatie omtrent de betalingsverplichting van de verdachte (onder meer hoe en binnen welke termijn de verdachte dient te betalen).

14. In de onderhavige zaak is niet aangevoerd dat deze standaardprocedure in het onderhavige geval niet is gevolgd. Dit volgt evenmin uit de gedingstukken. Het onder 12 deels weergegeven proces-verbaal wijst erop dat de standaardprocedure ook in de onderhavige zaak is gevolgd.

15. Uit het voorgaande leid ik af dat de verdachte door de politie op de hoogte is gesteld van zijn betalingsverplichting ten opzichte van het NFI. In het licht hiervan geeft 's Hofs oordeel dat de verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat door hem gewenste tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

16. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat een brief van het NFI de verdachte niet heeft bereikt, reeds omdat het NFI niet was gehouden om de verdachte nogmaals op zijn betalingsverplichting te wijzen.

17. Het middel faalt.

18. In het tweede middel wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vernietiging van het bloedmonster door het NFI voordat de voorgeschreven termijn was verstreken niet aan een veroordeling in de weg hoeft te staan.

19. Art. 14 van de Regeling luidt als volgt:

"Het Gerechtelijk Laboratorium bewaart het voor tegenonderzoek bestemde deel van het monster gedurende een jaar, te rekenen vanaf de datum van de bloedafname of het verzamelen van de urine."

20. De in dit artikel neergelegde verplichting moet worden gezien in het licht van het in art. 21 van het Besluit neergelegde recht van de verdachte om, nadat zijn bloed op grond van artikel 8 lid 2 onderdeel b WVW 1994 is onderzocht, een tegenonderzoek te doen verrichten. De verdachte moet aan de officier van justitie te kennen geven van dit recht gebruik te willen maken. Deze kennisgeving moet binnen één jaar na de datum van de bloedafname worden gedaan.(3)

21. Hieruit volgt dat de ratio van de in art. 14 van de Regeling neergelegde bewaartermijn is dat de verdachte door de bewaartermijn in staat wordt gesteld om van het hem bij art. 21 van het Besluit toegekende recht op tegenonderzoek gebruik te maken. Met de term "tegenonderzoek" wordt in artikel 14 van de Regeling dus gedoeld op het in art. 21 van het Besluit bedoelde tegenonderzoek.

22. Op het tegenonderzoek als bedoeld in art. 10a van het Besluit verklaart art. 13a van de Regeling de artikelen 3 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing. Art. 14 is dus niet van toepassing verklaart op deze vorm van tegenonderzoek. De achterliggende gedachte is kennelijk dat de verdachte, nadat het in art. 10a Besluit bedoelde tegenonderzoek is verricht, geen recht heeft op nog een tweede tegenonderzoek.

23. Hieruit volgt dat art. 14 van de Regeling, anders dan het Hof meent, niet behoort tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2 sub a WVW 1994 is omkleed. De Regeling verplicht niet tot bewaring van het bloed als het recht van de verdachte op het in art. 10a bedoelde tegenonderzoek door niet-tijdige betaling verloren is gegaan. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat de vernietiging van het afgenomen bloed niet aan een bewezenverklaring in de weg staat.

24. Ook het tweede middel faalt.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 31 oktober 2000, NJ 2000, 725, rov. 3.2.

2 Vgl. HR 27 juni 200, NJ 2000, 570 en de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse onder HR 16 maart 2004, LJN: AO2752 onder 4.2.

3 Vgl. HR 21 februari 1995, NJ 1995, 439.