Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV0735

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
01880/05 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV0735
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 01880/05 H

Mr. Wortel

Zitting:24 januari 2006

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Namens de bovengenoemde persoon - hierna te noemen: de aanvrager - heeft mr. W.B. Teunis, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur herziening gevraagd van een bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage, waarbij de aanvrager wegens "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, gepleegd met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III" is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Blijkens een mededeling van de griffier in die Rechtbank is dit vonnis onherroepelijk.

2. In de aanvrage wordt gesteld dat er - kort gezegd - sprake is van een persoonsverwisseling doordat iemand anders zich van verzoekers personalia heeft bediend.

3. Het bewezenverklaarde feit is begaan op 8 augustus 2002. Bij de aanvrage zijn gevoegd afschriften van een paspoort ten name van de aanvrager, waarop stempelafdrukken te zien zijn, ten bewijze dat de politie in Tanger (Marokko) op 19 juli 2002 heeft vastgesteld dat verzoeker Marokko binnenkwam, en op 26 augustus 2002 heeft vastgesteld dat verzoeker het land weer verliet.

Gelijke producties zijn bijgevoegd ten aanzien van twee zusters van verzoeker, benevens geschriften gedateerd 1 juni 2005, waarin deze beide doen weten dat zij samen met verzoeker van 19 juli 2002 tot 26 augustus 2002 in Marokko hebben verbleven.

4. Voorts wordt er in de aanvrage op gewezen dat de handtekening die verzoeker (blijkens de bijgevoegde kopieën) in zijn paspoort heeft geplaatst niet overeenkomt met de handtekening die door de als verdachte aangehouden persoon is geplaatst op het door de opsporingsambtenaren opgestelde proces-verbaal (eveneens in afschrift bijgevoegd) van diens verhoor.

5. Daarnaast wordt er in de aanvrage op gewezen dat uit het proces-verbaal van politie niet blijkt van verificatie van de identiteit van de aangehouden persoon aan de hand van een paspoort, vingerafdrukken of foto's. Ook wordt er op gewezen dat de aangehouden persoon blijkens het proces-verbaal van politie aanvankelijk probeerde te vluchten, en daarbij van het talud van een snelweg naar beneden is gesprongen en vervolgens in een lichtmast geklommen. Betoogd wordt dat verzoeker zich onmogelijk zo gedragen kan hebben omdat hij mank is.

6. Opmerking verdient dat uit de stukken valt af te leiden dat de aangehouden verdachte na diens voorgeleiding aan de officier van justitie een inleidende dagvaarding uitgereikt heeft gekregen, waarna hij is heengezonden. Voor het (ondeskundig) oog komt de handtekening op de akte van uitreiking wèl overeen met de handtekening onder het proces-verbaal van verhoor, maar niet met de handtekening in verzoekers paspoort.

7. De hiervoor, onder 3, genoemde (afschriften van) bescheiden konden de rechter die het vonnis heeft gewezen uiteraard niet bekend zijn. Ook overigens kan die rechter geen kennis genomen hebben van de stelling dat verzoeker niet degene is die door de politie is aangehouden en die na voorgeleiding aan de officier van justitie een dagvaarding uitgereikt heeft gekregen.

8. Bijeen genomen wekken de hiervoor, onder 3 tot en met 6, genoemde omstandigheden het ernstig vermoeden dat verzoeker niet degene is die door de politie is aangehouden en die zich vervolgens van verzoekers personalia heeft bediend, en eveneens het ernstig vermoeden dat de rechter verzoeker zou hebben vrijgesproken indien hij met die omstandigheden rekening had kunnen houden.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvraag gegrond zal worden verklaard; voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 21 augustus 2002 gewezen vonnis zal worden bevolen, en de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage zal worden verwezen teneinde op de voet van art. 467 Sv opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,