Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV0652

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
C05/049HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV0652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een inlener van tijdelijke arbeidskrachten en het bedrijf dat deze arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld, over de verschuldigdheid van de factuur voor de door hen verrichte werkzaamheden; grondslag vordering, onbegrijpelijk oordeel; overeenkomst na bemiddeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 238
RvdW 2006, 398
JWB 2006/127

Conclusie

Rolnr. C05/049HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 13 januari 2006

Conclusie inzake:

Redaco BV

tegen:

Multiwal BV

(niet verschenen)

1. Inleiding

1.1. In deze zaak staat centraal de vraag of tussen Redaco BV (hierna: 'Redaco') en Multiwal BV (hierna: 'Multiwal'(1)) via [betrokkene 1], bestuurder van Redaco en andere vennootschappen, een overeenkomst tot stand is gekomen uit hoofde waarvan Multiwal verplicht is aan Redaco te betalen voor ter beschikking gestelde arbeidskrachten.

2. Feiten(2)

2.1. In augustus 2001 is Multiwal wegens een tekort aan montagepersoneel op zoek gegaan naar tijdelijke arbeidskrachten.

2.2. Via bemiddeling door [betrokkene 1], de buurman van een van de medewerkers van Multiwal, zijn aan Multiwal arbeidskrachten ter beschikking gesteld.

2.3. Per fax van 31 augustus 2001 van Multiwal aan [A] Installatiebedrijf is de inlening door Multiwal van twee medewerkers vanaf 3 september 2001 bevestigd.

2.4. [Betrokkene 1] is directeur/aandeelhouder van zowel [A] Installatiebedrijf als Redaco.

2.5. De arbeidskrachten hebben van 3 september 2001 tot en met de eerste week van oktober 2001 werkzaamheden voor Multiwal verricht.

2.6. De kosten hiervan zijn bij factuur van 10 oktober 2001 door Redaco bij Multiwal in rekening gebracht.

3. Procesverloop

3.1. Bij inleidende dagvaarding van 17 december 2001 heeft Redaco Multiwal gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd Multiwal te veroordelen om aan Redaco te betalen een bedrag van f 41.544,69 vermeerderd met rente en met veroordeling van Multiwal in de kosten van de procedure. Aan haar vordering heeft Redaco ten grondslag gelegd dat zij de twee eerder genoemde arbeidskrachten aan Multiwal ter beschikking heeft gesteld en dat Multiwal de hierop betrekking hebbende factuur van 10 oktober 2001 dient te voldoen.

3.2. Multiwal heeft de vordering van Redaco gemotiveerd bestreden. Daartoe heeft zij primair aangevoerd dat zij niet met Redaco, maar met Flexiun heeft gecontracteerd. In dit verband heeft Multiwal gesteld dat zij via bemiddeling van [betrokkene 1] met Flexiun in contact is gekomen en dat zij ongeveer twee weken voor beëindiging(3) van de werkzaamheden ter zake van die werkzaamheden van Flexiun een contract heeft ontvangen. Over dit contract zou zij vragen hebben gesteld aan Flexiun. Omdat deze vragen niet naar tevredenheid werden beantwoord, zou Multiwal zich tot het Gak hebben gewend. Het Gak zou haar hebben medegedeeld bezig te zijn met een onderzoek naar Flexiun.

Subsidiair heeft Multiwal zich beroepen op een opschortingsrecht in afwachting van de uitkomst van het onderzoek dat door het Gak inzake Flexiun werd verricht.

3.3. In voorwaardelijke reconventie heeft Multiwal veroordeling van Redaco geëist tot - kort gezegd - het stellen van zekerheid voor het geval Multiwal, na betaling aan Redaco, alsnog zou worden aangesproken ter zake van loonbelasting, omzetbelasting en sociale premies.

3.4. Redaco heeft tegen deze voorwaardelijke reconventionele vordering gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 7 maart 2002 een comparitie van partijen had gelast, welke op 16 mei 2002 heeft plaatsgevonden.

3.6. Bij eindvonnis van 25 juni 2003 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

'4.1. [...] de wijze waarop de overeenkomst tot terbeschikkingstelling van de arbeidskrachten tot stand is gekomen, namelijk via [betrokkene 1], brengt mee dat Multiwall op voorhand akkoord ging met een door [betrokkene 1] in te schakelen derde en dat Multiwall deze als contractspartij zou accepteren.' [...]

De rechtbank heeft - in conventie - Multiwal veroordeeld om aan Redaco te betalen een bedrag van € 17.377,96 (f 38.295,98) vermeerderd met de wettelijke rente. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van Multiwal afgewezen.

3.7. Multiwal is bij exploot van 15 juli 2003 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, onder aanvoering van zeven grieven. Redaco heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.8. Het hof heeft bij arrest van 30 november 2004 het (eind)vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vordering van Redaco afgewezen en in reconventie vastgesteld dat de voorwaarde waaronder Multiwal haar (reconventionele) vordering heeft ingesteld niet is vervuld. De overwegingen van het hof, voor zover in cassatie van belang, luiden:

'3. In conventie vordert Redaco betaling van aan Multiwal uitgeleende arbeidskrachten. Zij legt aan deze vordering niet ten grondslag dat Multiwal tot betaling verplicht is op grond van een daartoe tussen partijen gesloten overeenkomst. Zij stelt slechts dat haar directeur [betrokkene 1], die door een medewerker van Multiwal is benaderd voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, duidelijk heeft gemaakt dat hij niet voor zichzelf optrad maar door middel van één van zijn vennootschappen; zij stelt niet dat deze vennootschap Redaco was. Ook overigens ontbreekt in de stellingen van Redaco een grondslag die haar vordering kan dragen.'

3.9. Redaco heeft tegen het arrest van het hof - tijdig(4) - beroep in cassatie ingesteld. Multiwal is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. De zaak is namens Redaco schriftelijk toegelicht.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1. Het cassatiemiddel keert zich tegen de zojuist geciteerde rov. 3 van het bestreden arrest.

Onderdeel 1

4.2. Onderdeel 1 richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3 dat Redaco aan haar vordering op Multiwal geen overeenkomst met Redaco ten grondslag heeft gelegd. In het licht van hetgeen Redaco - zowel in eerste aanleg als in appel - heeft aangevoerd, is dit oordeel inderdaad onbegrijpelijk. Zo heeft Redaco onder meer de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd:

in eerste aanleg:

- 'Over de ter beschikking stelling van de twee medewerkers hebben tussen Redaco en Multiwall verder weinig contacten bestaan. De overeenkomst kwam heel informeel tot stand en die opstelling is verder gehandhaafd.';(5)

- 'Redaco is overigens van mening dat zij heeft aangetoond dat via [betrokkene 2] een overeenkomst met Multiwall tot stand is gekomen in het kader waarvan gedurende enige tijd twee van [betrokkene 3] ingeleende medewerkers ter beschikking zijn gesteld.';(6)

en in hoger beroep:

- 'Redaco heeft aldus een overeenkomst met zowel [betrokkene 3] als met Multiwal.';(7)

- 'Redaco heeft in eerste instantie reeds vermeld dat zij van mening is te hebben aangetoond dat via [betrokkene 2] en [betrokkene 1] een overeenkomst met Multiwal tot stand is gekomen in het kader waarvan gedurende enige tijd twee van [betrokkene 3] ingeleende werknemers ter beschikking zijn gesteld aan Multiwal.';(8)

- 'Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen. Dat Redaco voor Multiwal een onbekend bedrijf zou zijn, doet niet terzake.'(9)

Onderdeel 1 slaagt derhalve. Of bij dit onderdeel voldoende belang bestaat, is evenwel afhankelijk van het lot van onderdeel 2. Daarin is aan de orde of het hof (op de wijze waarop hij dat gedaan heeft), heeft kunnen oordelen dat tussen Multiwal en Redaco geen overeenkomst tot stand gekomen is.

Onderdeel 2

4.3. Onderdeel 2 behelst een rechts- en een motiveringsklacht.

Ervan uitgaande dat 's hofs rov. 3 aldus moet worden begrepen dat Redaco onvoldoende feiten en omstandigheden zou hebben gesteld om daaraan de juridische conclusie te kunnen verbinden dat terzake van de aan Multiwal ter beschikking gestelde arbeidskrachten er door bemiddeling van [betrokkene 1] een overeenkomst tussen Multiwal en Redaco tot stand is gekomen, strekt de rechtsklacht (a) ten betoge dat 's hofs oordeel in rov. 3 onjuist is. Volgens Redaco had het hof op basis van de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie mag worden uitgegaan, in het licht van art. 3:67 BW, moeten concluderen dat Redaco tegenover Multiwal heeft te gelden als de derde met wie Multiwal op voorhand heeft ingestemd als wederpartij bij de overeenkomst, op basis waarvan de arbeidskrachten, die in de periode van 3 september 2001 t/m de eerste week van oktober 2001 bij Multiwal werkzaam zijn geweest, aan Multiwal ter beschikking zijn gesteld.

Volgens de subsidiaire motiveringsklacht (b) heeft het hof tegen dezelfde achtergrond in ieder geval onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie mag worden uitgegaan, in het licht van art. 3:67 BW, niet medebrengen dat Redaco tegenover Multiwal heeft te gelden als de partij als in het slot van subonderdeel (a) bedoeld.

4.4. Tot de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, behoren volgens Redaco - naast de door (de rechtbank en) het hof vastgestelde feiten(10) - de volgende feiten en omstandigheden:

(i) dat het Multiwal in augustus/september 2001 duidelijk is geweest dat [betrokkene 1] voor wat betreft het ter beschikking stellen van de door Multiwal gewenste arbeidskrachten niet voor zichzelf optrad, maar voor een op dat moment aan Multiwal nog niet bekende derde;

(ii) dat Multiwal op voorhand akkoord ging met de door [betrokkene 1] voor het ter beschikking stellen van de gewenste arbeidskrachten in te schakelen derde;

(iii) dat [betrokkene 1] niet Flexiun heeft ingeschakeld voor het ter beschikking stellen aan Multiwal van de arbeidskrachten;

(iv) dat Multiwal niet ertoe is overgegaan het van Flexiun ontvangen contract te ondertekenen en Flexiun op haar beurt ook niet ertoe is overgegaan betaling van Multiwal te vorderen;

(v) dat de aan Multiwal in de periode van 3 september 2001 tot en met de eerste week van oktober 2001 ter beschikking gestelde arbeidskrachten door het bedrijf [betrokkene 3] aan Redaco zijn uitgeleend, waarvoor laatstgenoemde ook van [betrokkene 3] een factuur heeft ontvangen;

(vi) dat Redaco met de factuur van 10 oktober 2001 aan Multiwal te kennen heeft gegeven dat zij het is geweest die als gevolg van [betrokkene 1]' bemiddeling de arbeidskrachten, die in de periode van 3 september 2001 tot en met de eerste week van oktober 2001 bij Multiwal werkzaam zijn geweest, ter beschikking heeft gesteld en daarvoor een vergoeding wenst te ontvangen.

4.5. Nu het hof inderdaad niet de hierboven bedoelde feiten en omstandigheden (i) t/m (vi) beoordeeld c.q. onjuist bevonden heeft, mag daarvan inderdaad, althans veronderstellenderwijs, in cassatie worden uitgegaan.

4.6. Het onderdeel zinspeelt op art. 3:67 BW. Dit artikel luidt:

'1. Hij die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn.

2. Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.'

4.7. Het onderdeel verwijst naar, maar doet niet een beroep op rechtstreekse toepasselijkheid van art. 3:67 BW.

Van rechtstreekse toepassing kan m.i. inderdaad geen sprake zijn omdat - het middel loopt daar met een boogje omheen - niet gesteld, noch gebleken is dat [betrokkene 1] de naam van Redaco als 'meester' heeft genoemd, laat staan tijdig. Dat (in de terminologie van art. 3:67 BW) Redaco de 'meester' zou zijn, bleek pas uit de factuur van Redaco zelf nadat de werkzaamheden waren beëindigd.

Ik plaats deze opmerking tegen de achtergrond van het arrest van uw Raad van 26 mei 2000 (Weld-Equip/[...])(11), waarin groot belang werd gehecht aan zekerheid omtrent de identiteit van de contractspartner, zodat het noemen van de naam van de achterman zonder voorbehoud moet geschieden.

4.8. Terug dus naar de in het middel besloten liggende(12) Haviltex-achtige(13) klacht(14) 'in het licht van art. 3:67 BW'. Dat roept de vraag op: wat is de strekking ofwel de 'Schutznorm' van 3:67 BW?

Die is m.i. overduidelijk de bescherming van de (bekende) partij A tegen het niet (kunnen) noemen door B van de nog onbekende achterman C. De sanctie op het niet, niet tijdig en/of niet met voldoende precisie door B (kunnen) noemen van C is ingevolge art. 3:67 lid BW dat B zelf 'hangt'.

Dit is uiteraard van belang als er nog gepresteerd moet worden door C (c.q. B).

4.9. In het onderhavige geval is B ([betrokkene 1]) er niet toe gekomen om (tijdig) te melden dat C (Redaco) de 'meester' zou zijn. Intussen is er wél gepresteerd, en wel volgens C door C (Redaco), die daartoe een factuur heeft gezonden. Uit niets blijkt dat door A (Multiwal) gesteld zou zijn dat er niet of onvoldoende is gepresteerd.

Onder deze omstandigheden is (mede 'in het licht van art. 3:67 BW') het belang van A (Multiwal) m.i. er slechts in gelegen te weten of door B ([betrokkene 1]) niet een transactie tot stand zou zijn gebracht met een nog andere partij D (bijv. Flexiun), of dat B, juist omdat hij geen naam noemde, en zich op de voet van art. 3:67 BW wél voor de prestatie verantwoordelijk voelde, (toch) zélf gepresteerd heeft. Dit is van belang voor A (Multiwal), omdat A ongaarne nog een claim van D (of B zelf) zou krijgen.

Ik onderken dit belang van A (Multiwal), maar ik wijs op art. 6:37 BW. Ik meen dat nu juist dát artikel bedoeld en geschikt is om dit belang van A (Multiwal) te dienen; en dat ter bescherming van dat belang niet de eis gesteld behoeft te worden dat B zélf op de voet van art. 3:67 BW de naam van de 'meester' had moeten noemen.

4.10. De onderhavige zaak kenmerkt zich door de volgende in cassatie (althans veronderstellenderwijs) als vaststaand aan te nemen situatie:

(i) het tot stand komen van een overeenkomst via B ([betrokkene 1]), die meebrengt dat A (Multiwal) op voorhand akkoord ging met een door B ([betrokkene 1]) in te schakelen derde (C) voor het leveren van de door A (Multiwal) gewenste prestatie (te weten het ter beschikking stellen van de door A gewenste tijdelijke arbeidskrachten), welke derde (C) door A (Multiwal) als contractspartij geaccepteerd zou worden,

(ii) B ([Betrokkene 1]) is bestuurder van C (Redaco);

(iii) B ([Betrokkene 1]) heeft duidelijk gemaakt dat hij niet voor zichzelf optrad maar voor één van zijn vennootschappen(15);

(iv) De prestatie ís geleverd (de ter beschikking gestelde arbeidskrachten hebben van 3 september 2001 tot en met de eerste week van oktober 2001 werkzaamheden voor Multiwal verricht);

(v) A (Multiwal) is door de factuur van 10 oktober 2001 - waarbij de kosten van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan Multiwal in rekening zijn gebracht - bekend geworden met de naam C (Redaco);

(vi) A (Multiwal) zinspeelt op een mogelijke claim van D (Flexiun), maar legt geen overeenkomst met, of een claim van D (Flexiun) op tafel, en

(vii) A (Multiwal) geeft niet aan dat zij iets heeft ondernomen om van B ([betrokkene 1]) opheldering te verkrijgen.(16)

4.11. Onder deze omstandigheden is 's hofs oordeel in zijn rov. 3 (ik geef het gemakshalve hier nogmaals weer):

'3. In conventie vordert Redaco betaling van aan Multiwal uitgeleende arbeidskrachten. Zij legt aan deze vordering niet ten grondslag dat Multiwal tot betaling verplicht is op grond van een daartoe tussen partijen gesloten overeenkomst. Zij stelt slechts dat haar directeur [betrokkene 1], die door een medewerker van Multiwal is benaderd voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, duidelijk heeft gemaakt dat hij niet voor zichzelf optrad maar door middel van één van zijn vennootschappen; zij stelt niet dat deze vennootschap Redaco was. Ook overigens ontbreekt in de stellingen van Redaco een grondslag die haar vordering kan dragen.'

inderdaad onjuist, dan wel onbegrijpelijk.

4.12. In het licht van hetgeen partijen onder de (onder 4.10 weer-)gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden, heeft het hof - mede tegen de achtergrond van de in art. 3:67 jo 3:78 BW gelegen 'Schutznorm' - door te oordelen als in rov. 3 is geschied, de Haviltex-regel miskend.

De miskenning acht ik hierin gelegen dat de Haviltexregel - mede in het licht van de genoemde wetsbepalingen - meebrengt dat het op voorhand akkoord gaan met een door B (in casu [betrokkene 1]) in te schakelen derde (C), kan meebrengen dat, overeenkomstig de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan hetgeen werd afgesproken mochten toekennen, en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, óók kan behoren dat Multiwal er op voorhand mee akkoord ging dat de overeenkomst werd gesloten met een vennootschap waarvan [betrokkene 1] bestuurder was en die, naar blijken zou, ten deze door hem vertegenwoordigd werd.

Ik teken hierbij nog aan dat (ook) in gevallen waarin art. 3:67 BW wél rechtstreeks toepasselijk is, de tussenpersoon bij het aangaan van de overeenkomst niet uitdrukkelijk behoeft te bedingen dat mogelijkerwijs niet hijzelf maar een 'nader te noemen meester' partij bij de overeenkomst is. Of hij dit heeft bedongen moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen de tussenpersoon en de wederpartij daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en uit hetgeen zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.(17)

4.13. Ik ontkom er niet aan om bij het bovenstaande te denken aan het alledaagse geval waarbij aspirant-passagier A een taxicentrale B belt, met het verzoek om (bijv.) 'een taxi naar Schiphol om 07.00 uur'. Of de taxicentrale een eigen taxi met een eigen werknemer stuurt (gesteld dat de taxicentrale die heeft), óf een taxi met een werknemer van een derde onderneming (C), maakt - zo mag men doorgaans aannemen - A niet uit. Als de zich bij A aandienende taxi een taxi is van de aan A nog niet bekende onderneming C, komt er toch een overeenkomst tussen A en C tot stand, ook al is het niet B die C als de 'meester' noemt, maar de chauffeur van C die dat bovendien pas ná de rit doet, wanneer hij als vertegenwoordiger van C de rekening aan A presenteert en daarmee C als de 'meester' aan A bekend maakt. Iets dergelijks zal zich voordoen als de naam van C bekend wordt (bekend moet worden) indien er tijdens de rit iets misgaat, wat tot een claim van A op C of van C op A aanleiding geeft. Ook dit alles lijkt mij 'Haviltex-conform', mede in het licht van art. 3:67 BW.

4.14. Voor zover het hof de Haviltex-regel niet zou hebben miskend, heeft het zijn (impliciete) oordeel in rov. 3 - dat tussen Multiwal en Redaco geen overeenkomst tot stand is gekomen m.i. - overeenkomstig de subsidiaire klacht - ontoereikend gemotiveerd.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Op sommige plaatsen in de processtukken wordt gesproken over 'Multiwall'.

2 Ontleend aan rov. 2 van het vonnis van de rechtbank van 25 juni 2003, waarnaar het hof in rov. 1 van het bestreden arrest verwijst.

3 Vgl. conclusie van antwoord/voorwaardelijke eis in reconventie, onder 9, en memorie van grieven, onder 15 (anders dan de rechtbank, die in rov. 3.2 van het eindvonnis overweegt dat het contract ongeveer 2 weken na beëindiging van de werkzaamheden is toegezonden).

4 Het arrest dateert van 30 november 2004; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 31 januari 2005.

5 Conclusie van repliek in conventie en antwoord in voorwaardelijke reconventie, onder 11.

6 Conclusie van repliek in conventie en antwoord in voorwaardelijke reconventie, onder 17.

7 Memorie van antwoord, onder 12.

8 Memorie van antwoord, onder 24.

9 Pleitnotitie van mr. J.H.A. Verschuur d.d. 23 november 2004, onder 4.

10 Weergegeven in nrs. 2.1 t/m 2.6 van deze conclusie.

11 NJ 2000, 442, AA 2000, p. 783 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, JOR 2000, 188.

12 Vgl. Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 164.

13 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. CJHB, AA 1981, p. 355 m.nt. PvS (Haviltex).

14 Ook bij de vragen óf een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, en tussen wie die overeenkomst tot stand is gekomen, geldt het Haviltex-criterium. Vgl. HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 m.nt. GJS, AA 1977, p. 654 m.nt. PvS (Bunde/Erckens), waarin de HR overwoog dat indien tussen partijen als gevolg van een misverstand geen wilsovereenstemming bestaat, 'het antwoord op de vraag of al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid'. Vgl. ook Asser-Hartkamp 4-II (2005), nr. 121, alsmede nr. 122 m.b.t. de vraag tussen wie de overeenkomst tot stand gekomen is, waar een andere Haviltex-voorloper wordt genoemd: HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 m.nt. GJS, AA 1977, p. 589 m.nt. G (Kribbebijter). Vgl. voorts Asser-Hartkamp a.w., nr. 281, waar het Haviltex-arrest in het kader van de uitleg van overeenkomsten wordt besproken. Daar wordt opgemerkt dat voornoemd arrest qua formulering nauw aansluit bij art. 3:35 BW en bij uitspraken als HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (zie hierboven) en HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (zie hierboven) betreffende de totstandkoming van overeenkomsten. 'Dit is doelmatig, daar in gevallen waarin aan de hand van art. 3:35 BW moet worden beoordeeld of een overeenkomst is totstandgekomen, de uitleg in zoverre in dit oordeel opgaat', aldus nr. 281. Vgl. ook HR 11 maart 2005, nr. C04/021, NJ 2005, 576, rov. 3.4.1.

15 Vgl. 's hofs rov. 3.

16 Uit het dossier blijkt nog, enerzijds, dat Multiwal gemotiveerd heeft aangegeven haar vrees dat zij na betaling aan Redaco nog door de autoriteiten aangesproken zou kunnen worden voor belastingen en premies (vgl. o.m. CvA in conventie/CvE in reconventie, nr. 22); en anderzijds dat Redaco één en andermaal gemotiveerd heeft aangegeven dat daarvoor geen vrees behoeft te bestaan (vgl. o.m. CvR in conventie/CvA in reconventie nr. 16). Gegeven het hierboven in nr. 4.10 vermelde uitgangspunt (i), meen ik dat ik ermee kan volstaan dit te signaleren; het kan m.i. thans in cassatie geen gewicht in de schaal leggen.

17 Vgl. andermaal HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 m.nt. GJS, AA 1977, p. 589 m.nt. G ('Kribbebijter'), een 'voorloper' van het Haviltex-arrest.