Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV0056

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
R05/162HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV0056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz. Voorwaardelijk ontslag van de betrokkene uit het psychiatrisch ziekenhuis (TBS-kliniek) waar hij na beëindiging van de TBS-maatregel sinds 1997 op basis van rechterlijke machtigingen op grond van de Wet Bopz verblijft; kon de rechtbank onder de gegeven omstandigheden aan de betrokkene krachtens art. 47 Wet Bopz voorwaardelijk ontslag verlenen op gelijke voorwaarden als die welke door de geneesheer-directeur van de kliniek aan het reeds verleende verlof zijn gesteld?, gevaarlijkheid in de zin van art. 47 Wet Bopz, recidiverisico; rechterlijke toetsing op de voet van art. 49 Wet Bopz, maatstaf.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 47
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 48
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 196
NJ 2006, 231
RvdW 2006, 331
JWB 2006/113
BJ 2006/24
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R05/162HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 20 januari 2006

Conclusie inzake:

Officier van Justitie te Arnhem

tegen

[Verweerder]

In de onderhavige Bopz-zaak heeft de rechtbank een voorwaardelijk ontslag toegestaan. Het cassatiemiddel bestrijdt het oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een voorwaardelijk ontslag is voldaan.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verweerder in cassatie (hierna aangeduid als: betrokkene) verblijft sinds 14 oktober 1994 in de Pompekliniek te Nijmegen, aanvankelijk in het kader van een gemaximeerde terbeschikkingstelling(1) en sinds 21 oktober 1997 op basis van opeenvolgende rechterlijke machtigingen op grond van de Wet Bopz. Laatstelijk bij beschikking d.d. 4 april 2005 is ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van één jaar(2).

1.2. In de beschikking van 4 april 2005 werd onder meer het volgende overwogen:

"Betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis: cluster B met pedosexuele identiteit. De geneeskundige verklaring en het behandelplan voldoen aan de eisen die de wet stelt. Hieruit blijkt dat betrokkene als blijvend delictgevaarlijk moet worden beschouwd, dat er geen behandelpogingen meer worden ondernomen om de pedoseksualiteit van betrokkene te veranderen en dat het doel is dat betrokkene delictvrij blijft. Betrokkene krijgt relatief veel vrijheden en verlof, maar de risico's worden beperkt door voortdurende controles en toezicht. Er is getracht om betrokkene in een regulier[e] APZ(3) te laten opnemen vooralsnog zonder resultaat gezien de stringente eisen die hieraan gesteld worden.

Hoewel erkend kan worden dat betrokkene het goed doet en er geen incidenten zijn geweest, zijn er op dit moment geen concrete vooruitzichten dat er buiten de inrichting een instelling of organisatie in staat of bereid is ten aanzien van betrokkene op dezelfde wijze de noodzakelijke stringente controle uit te oefenen als thans het geval is. Om deze reden wijst de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van de betrokkene om de machtiging voor een kortere periode te verlenen, respectievelijk om een voorwaardelijke machtiging te verlenen, af."

1.3. Bij brief van 27 juni 2005 heeft betrokkene de geneesheer-directeur verzocht ontslag uit het ziekenhuis, althans een voorwaardelijk ontslag, te verlenen. Omdat niet binnen de wettelijke termijn op dit verzoek werd beslist heeft betrokkene zich overeenkomstig art. 49 Wet Bopz tot de officier van justitie in het arrondissement Arnhem gewend, die op 19 augustus 2005 de rechtbank om een beslissing heeft verzocht.

1.4. Bij brief van 15 augustus 2005 heeft het waarnemend Hoofd van de Inrichting alsnog aan betrokkene medegedeeld dat het verzoek van 27 juni 2005 niet wordt ingewilligd.

1.5. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 31 augustus 2005, waarbij zij heeft gehoord: verzoekers raadsvrouwe, de officier van justitie en de behandelaar, de laatste tevens optredend als gemachtigde van de geneesheer-directeur. De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het ontslagverzoek.

1.6. Bij tussenbeschikking van 5 september 2005 heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene lijdt aan een geestelijke stoornis, te weten gefixeerde pedoseksualiteit, en dat vaststaat dat het recidiverisico van personen met een geestelijke stoornis als die van betrokkene "heel erg hoog ligt, tussen de 90-92 %". Derhalve bestaat onverminderd gevaar dat betrokkene opnieuw seksuele delicten zal plegen met minderjarigen en blijft (vooralsnog) de noodzaak van een rechterlijke machtiging aanwezig. De rechtbank was evenwel van oordeel dat dit gevaar kan worden afgewend door middel van het stellen van voorwaarden en het maken van afspraken, waaronder afspraken met het `sociale vangnet' van betrokkene. De rechtbank heeft in dit verband, onder meer, gewezen op de omstandigheid dat betrokkene zijn afspraken nakomt, dat zich de afgelopen twee jaar geen incidenten hebben voorgedaan, dat de verloven steeds zijn uitgebreid en dat betrokkene, die in maart 2005 nog vier dagen en nachten per week in de kliniek verbleef, daar nu nog één dag per week verblijft. Feitelijk verblijft betrokkene al het grootste deel van de week buiten het ziekenhuis. De rechtbank achtte een voorwaardelijk ontslag mogelijk en heeft de zaak aangehouden teneinde een geactualiseerd en aangepast behandelingsplan te verkrijgen.

1.7. Nadat een aangepast behandelingsplan was overgelegd heeft de rechtbank bij beschikking van 9 september 2005 aan betrokkene voorwaardelijk ontslag verleend, met als voorwaarde dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het aan de beschikking gehechte behandelingsplan van 8 september 2005. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.

1.8. Namens de officier van justitie is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking. Namens betrokkene is op 16 januari 2006 een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het eerste onderdeel dient ter inleiding en bevat geen klacht. Onderdeel 2.1 opent met een rechtsklacht, welke inhoudt dat de rechtbank in haar tussenbeschikking is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vereisten die de wet aan het verlenen van een voorwaardelijk ontslag stelt. Een voorwaardelijk ontslag kan uitsluitend worden verleend indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van de patiënt zover is verminderd dat het verlenen van een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verantwoord is. Daarvan kan volgens het middelonderdeel in dit geval geen sprake zijn, gelet op het door de rechtbank zelf genoemde hoge recidiverisico. Subsidiair, voor zover de rechtbank wel van het wettelijke criterium is uitgegaan, acht het middelonderdeel de beslissing onbegrijpelijk.

2.2. Onderdeel 2.3 - ik sla onderdeel 2.2 even over - sluit hierbij aan met de klacht dat de rechtbank het verschil tussen een voorwaardelijk verlof en een voorwaardelijk ontslag miskent, waar zij in de tussenbeschikking overweegt dat het gevaar kan worden afgewend door het stellen van voorwaarden aan het verlof, en in de eindbeschikking overweegt dat de aan het voorwaardelijk ontslag te verbinden voorwaarden gelijk moeten zijn aan de voorwaarden die aan het verlof zijn gesteld. Anders dan bij een voorwaardelijk verlof, is een voorwaardelijk ontslag volgens het middelonderdeel slechts mogelijk indien de uit de stoornis voortvloeiende gevaarlijkheid van de patiënt zóver is verminderd dat het verantwoord is ontslag onder voorwaarden te verlenen en de patiënt in de maatschappij te laten terugkeren. De mate waarin betrokkene nog steeds gevaarlijk is te achten laat niet toe dat de mate van toezicht vanuit het psychiatrisch ziekenhuis wordt verminderd door het verlenen van een voorwaardelijk ontslag. Het onderdeel verwijt de rechtbank te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar oordeel niet begrijpelijk te hebben gemotiveerd.

2.3. Onderdeel 2.4 sluit bij de twee voorgaande onderdelen aan en klaagt dat de rechtbank tevens miskent dat, wanneer het gevaar buiten het psychiatrisch ziekenhuis reeds kan worden afgewend door het stellen van voorwaarden en door het maken van afspraken met verzoeker en zijn `sociale vangnet', er wettelijk geen plaats is voor enige rechterlijke machtiging. In dat geval behoort immers onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis te worden verleend (zie art. 48, lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz). De drie genoemde onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

2.4. De Wet Bopz maakt, voor zover van belang voor dit geschil, het volgende onderscheid: verlof, waaraan ook voorwaarden kunnen worden verbonden (art. 45), voorwaardelijk ontslag (art. 47) en onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis (art. 48). De vroegere Krankzinnigenwet kende slechts een onderscheid tussen verlof en ontslag uit het ziekenhuis. De wetgever heeft in de Wet Bopz ruimte willen scheppen voor een geleidelijke terugkeer in de maatschappij van gedwongen opgenomen patiënten en daartoe het voorwaardelijk ontslag geïntroduceerd. Ik licht dit nader toe.

2.5. Indien de uit een stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van de gedwongen opgenomen patiënt zover is verminderd dat het verantwoord is hem tijdelijk in de maatschappij te doen terugkeren, verleent de geneesheer-directeur - voor zover dit in het belang van de patiënt gewenst is - verlof om het psychiatrisch ziekenhuis voor een daarbij aan te geven periode te verlaten. Het tijdelijke karakter van het verlof wordt benadrukt door de regel dat verlof voor een aaneengesloten periode van meer dan 60 uren ten hoogste tweemaal per kalenderjaar kan worden gegeven en wel telkens voor ten hoogste twee weken (art. 45 lid 2). Aan het verlof kunnen voorwaarden worden verbonden betreffende de behandeling of het gedrag van de patiënt, voor zover dit gedrag het gevaar voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens beïnvloedt. De geneesheer-directeur verleent slechts verlof indien de patiënt zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden (art. 45 lid 3). Na afloop van het verlof keert de patiënt terug in het ziekenhuis. De geneesheer-directeur trekt een verleend verlof in, wanneer de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van de betrokkene dit noodzakelijk maakt en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Bovendien kan de geneesheer-directeur een verleend verlof intrekken wanneer de patiënt de gestelde voorwaarden niet nakomt of op verzoek van de patiënt (art. 46).

2.6. Wanneer de betrokkene niet langer in zijn geestvermogens gestoord of gevaarlijk is, dan wel wanneer het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, is er geen keuzevrijheid: in dat geval behoort de geneesheer-directeur terstond (en onvoorwaardelijk) ontslag uit het ziekenhuis te verlenen, tenzij voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis als vrijwillig patiënt gewenst is en betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid hiertoe; zie art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz.

2.7. Art. 47 lid 1 Wet Bopz houdt in dat, indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van de patiënt zover is verminderd dat het verlenen van ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is - maar, zo voeg ik toe, het gevaar nog niet geheel geweken is(4) -, de geneesheer-directeur voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleent, voor zover dit in het belang van de patiënt gewenst is. Ten aanzien van de bij het voorwaardelijk ontslag te stellen voorwaarden en de mogelijkheid van intrekking door de geneesheer-directeur, zijn de aangehaalde regels omtrent het voorwaardelijk verlof overeenkomstig van toepassing (zie lid 2 resp. lid 3 van art. 47).

2.8. De wetgever heeft kennelijk een trapsgewijze uitbreiding van de toegekende vrijheden voor ogen gehad, waarbij het voorwaardelijk ontslag kan worden gebruikt als een tussenstap tussen enerzijds het verlof en anderzijds het verlenen van onvoorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis(5). In de wet is niet voorgeschreven dat altijd deze tussenstap wordt gezet. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk een onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis te verlenen zonder dat daaraan een voorwaardelijk ontslag vooraf is gegaan. Daartegenover kan de aard van de stoornis of van het gevaar meebrengen dat van een geleidelijke uitbreiding van vrijheden op deze wijze moet worden afgezien.

2.9. Klaarblijkelijk gaat het in dit geval om een stoornis van de geestvermogens van zodanige aard, dat deze niet door middel van medische behandeling kan worden weggenomen. Het te vrezen gevaar is in de geneeskundige verklaring d.d. 14 februari 2005 omschreven als: "seksuele handelingen met jonge kinderen" en nader aangeduid als "gevaar voor de psychische gezondheid van een ander". Blijkens het op 21 februari 2005 gedateerde behandelingsplan per 1 januari 2005 worden geen behandelpogingen meer ondernomen om de pedoseksualiteit van betrokkene te veranderen of meer onder controle te krijgen; het doel van de behandeling is dat betrokkene delictvrij blijft; "waar mogelijk krijgt hij die mate van vrijheden die maatschappij gezien verantwoord zijn". Betrokkene verbleef toen 4 dagen en nachten per week in de kliniek, en beschikte over enige bewegingsvrijheid (onbeleid verlof van en naar het werk en naar bepaalde verblijfsadressen, terwijl personeel van de kliniek telefonisch controleert of hij op de juiste tijd op de plaats van bestemming is, e.d.). Blijkens de vaststelling van de rechtbank is dit geleidelijk uitgebreid en verbleef, ten tijde van de thans bestreden beschikking, betrokkene feitelijk nog maar één dag en nacht per week in de kliniek. In het nieuwe behandelingsplan, per 8 september 2005, is het doel nog steeds dat betrokkene delictvrij blijft; "Binnen de gegeven verlofruimte is vooral van belang dat [betrokkene] gezien zijn problematiek geen contact met kinderen zoekt. Dat betekent per direct intrekking van alle bewegingsvrijheden." Het behandelingsplan voorziet in ambulante begeleiding en in een aantal voorwaarden m.b.t. de bewegingsvrijheid en meldingsplichten van betrokkene.

2.10. In het cassatiemiddel wordt art. 47 Wet Bopz kennelijk zó verstaan, dat van een vermindering van de (uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende) gevaarlijkheid van de patiënt alleen sprake kan zijn indien - los van de te treffen maatregelen - het recidivegevaar van nature of door de medische behandeling is afgenomen. Voor die zienswijze is n.m.m. onvoldoende steun in de wet of de wetsgeschiedenis te vinden. Het is waar, dat bij sommige psychiatrische aandoeningen de stoornis van de geestvermogens vermindert door het tijdsverloop, bij andere door de medische behandeling. Bij psychiatrische aandoeningen van chronische aard is mogelijk dat de uit de stoornis voortvloeiende gevaarlijkheid van de patiënt vermindert door medische behandeling, bijvoorbeeld door het gebruik van medicijnen. Echter, ook in gevallen waarin de stoornis zelf niet kan worden onderdrukt, is mogelijk dat vanuit het psychiatrisch ziekenhuis een zodanige vorm van begeleiding wordt gegeven dat (niet de stoornis zelf, maar wel) de uit de stoornis voortvloeiende gevaarlijkheid vermindert.

2.11. De bestreden beschikking maakt duidelijk dat de rechtbank zo'n geval hier aanwezig heeft geacht. Weliswaar is nog steeds sprake van een stoornis van de geestvermogens van betrokkene (pedofilie) en is de geneigdheid van betrokkene tot het plegen van seksuele delicten met kinderen niet afgenomen(6), maar de mogelijkheid om tot recidive te geraken is in de redenering van de rechtbank afgenomen door het in de beschikking genoemde `controlesysteem'(7). Mits het gaan en staan van betrokkene onder toezicht wordt gehouden, acht de rechtbank het verantwoord betrokkene niet slechts tijdelijk, maar ook voor langere tijd buiten het ziekenhuis te laten verblijven. Ter weerlegging van de tegenwerping (van de zijde van de officier van justitie) dat zulk toezicht alleen kan leiden tot een ingrijpen achteraf en niet kan verhinderen dat betrokkene buiten het ziekenhuis seksuele delicten met kinderen pleegt, heeft de rechtbank gewezen op de positieve ervaringen met dit `controlesysteem' in de perioden waarin betrokkene feitelijk buiten de kliniek heeft verbleven. De rechtbank heeft tevens van belang geacht dat betrokkene deze feiten slechts pleegt met minderjarigen die hij al enige tijd kent en waarmee hij een relatie heeft opgebouwd(8). Kennelijk is de rechtbank van oordeel dat het `controlesysteem' ook preventief kan werken en in het bijzonder kan verhinderen dat betrokkene relaties opbouwt met kinderen, waarin hij komt tot het plegen van seksuele handelingen met deze kinderen. Aldus beschouwd, heeft de rechtbank zonder miskenning van het wettelijk criterium tot het oordeel kunnen komen dat de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van de patiënt zover is verminderd dat het verlenen van ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is.

2.12. Het voorgaande voert tot de slotsom dat de onderdelen 2.1 en 2.3 niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft het juiste criterium toegepast. De afweging, of in dit geval reeds het stadium is bereikt waarin de gevaarlijkheid zover is verminderd dat het verlenen van ontslag onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is, komt uitsluitend toe aan de rechter die over de feiten oordeelt. De door de rechtbank gegeven motivering kan de genomen beslissing dragen en is niet onbegrijpelijk.

2.13. Indien uit de tussenbeschikking zou mogen worden afgeleid dat het gevaar geheel geweken is, of dat het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend, had de rechtbank betrokkene inderdaad in aanmerking moeten laten komen voor een onvoorwaardelijk ontslag, zoals onderdeel 2.4 betoogt. De rechtbank heeft het primaire verzoek van betrokkene om onvoorwaardelijk ontslag afgewezen. Dit op zich levert al een duidelijke aanwijzing op dat de rechtbank het gevaar nog niet geheel geweken acht, noch van oordeel is dat het gevaar door tussenkomst van (slechts) personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. De strekking van deze overwegingen van de rechtbank is klaarblijkelijk dat het `controlesysteem' weliswaar het recidivegevaar niet wegneemt, omdat de geneigdheid van betrokkene tot het plegen van seksuele delicten met kinderen onveranderd is, maar wel tot een aanvaardbare proportie kan worden teruggebracht. Hierbij speelt een rol dat aan de niet-naleving door betrokkene van de aan het ontslag gestelde voorwaarden de sanctie is gekoppeld van intrekking van het voorwaardelijk ontslag. Onderdeel 2.4 leidt om deze redenen niet tot cassatie.

2.14. Onderdeel 2.2 klaagt over onbegrijpelijkheid van de overweging dat vaststaat dat het recidiverisico van personen met een geestelijke stoornis zoals die van betrokkene tussen 90-92 % ligt. Het middelonderdeel noteert dat de behandelaar ter zitting over een hoger recidiverisico, namelijk over 95-98 %, heeft gesproken.

2.15. Deze motiveringsklacht treft geen doel. Het is juist dat de behandelaar ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat op basis van een risicoprofiel, gebaseerd op de aard van de stoornis, het risico op herhaling hoog moet worden geacht, 95 - 98 %. De raadsman van betrokkene is - veronderstellenderwijs - uitgegaan van een recidiverisico van omstreeks 90 % (zie voor een en ander het proces-verbaal van de zitting, blz. 3). Gelet op deze beide verklaringen, heeft de rechtbank mogen aannemen dat een recidiverisico in de orde van grootte van 90-92 % in dit geding als vaststaand kan worden aangenomen. Overigens moge duidelijk zijn dat de opgaaf van een dergelijk percentage slechts betrekkelijk is. Recidive kan over een bepaald tijdvak worden gemeten binnen een bepaalde categorie van personen die ter zake van een bepaald strafbaar feit zijn veroordeeld. Zonder kennisneming van de gegevens waarvan bij de berekening van het percentage is uitgegaan (zoals de omvang en aard van de populatie, het tijdvak etc.) zegt een dergelijk percentage de rechter niet veel(9). Aannemelijk is dat de rechtbank de toe- of afwijzing van het verzoek om voorwaardelijk ontslag niet afhankelijk heeft willen doen zijn van het antwoord op de vraag of het recidivepercentage 95 - 98 % is dan wel 90 - 92 % is, doch hiermee slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij, zonder het `controlesysteem', de kans op recidive van betrokkene zeer hoog acht.

2.16. Onderdeel 2.5 herhaalt de klacht dat de rechtbank niet heeft kunnen komen tot het oordeel dat het verlenen van een ontslag onder voorwaarden `verantwoord' is in de zin van art. 47 lid 1 Wet Bopz. De klacht is toegelicht met het argument dat de nakoming van de in het behandelingsplan d.d. 8 september 2005 opgenomen voorwaarden "zo goed als geheel afhankelijk is gesteld van het handelen van betrokkene zelf en de behandelaar c.q. de begeleiders slechts achteraf kunnen optreden indien blijkt dat betrokkene (een van) de voorwaarden niet is nagekomen"(10).

2.17. Voor zover deze klacht voortbouwt op de voorafgaande middelonderdelen, faalt zij om de hierboven vermelde redenen. Voor zover in onderdeel 2.5 is bedoeld dat de in het behandelingsplan opgenomen voorwaarden onvoldoende waarborg bieden tegen een mogelijke recidive van betrokkene, bestrijdt het onderdeel tevergeefs het resultaat van een afweging van feitelijke aard, die voorbehouden is aan de feitenrechter en daarom in cassatie niet kan worden getoetst.

2.18. Onderdeel 2.6, in het cassatierekest toegelicht onder 3.21 - 3.25, klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de geneesheer-directeur bij de beoordeling van een verzoek om voorwaardelijk ontslag een (door art. 47) beperkte afwegingsruimte heeft en dat de rechter derhalve enige terughoudendheid dient te betrachten. De rechtbank heeft volgens het onderdeel onvoldoende kenbare aandacht besteed aan de motivering van de beslissing van de geneesheer-directeur, te weten dat de aard en ernst van de pedofiele stoornis van betrokkene duidt op een hoog risico van delictherhaling en dat een verplichtend juridisch kader de enige mogelijkheid is om op verantwoorde wijze met dat risico om te gaan.

2.19. Daar de klacht voortbouwt op de voorgaande middelonderdelen (met betrekking tot het criterium voor het verlenen van voorwaardelijk ontslag in art. 47), faalt onderdeel 2.6 om dezelfde redenen. Ten overvloede kan het volgende nog worden opgemerkt.

2.20. Het in het cassatierekest onder 3.22 - 3.23 ter toelichting gestelde veronderstelt een mogelijke tegenstrijdigheid tussen enerzijds de - in het onderdeel bedoelde - terughoudendheid van een rechterlijke toetsing en anderzijds de uit art. 5 EVRM voortvloeiende eis dat de rechter in volle omvang beoordeelt of de vrijheidsbeneming mag blijven voortduren. De toelichting wijst erop dat, anders dan bij een verzoek om (onvoorwaardelijk) ontslag waar de wet aangeeft in welke gevallen ontslag moet worden verleend, de geneesheer-directeur bij het beslissen op een verzoek om voorwaardelijk ontslag ruimte heeft voor een eigen afweging.

2.21. Mijns inziens is niet van een tegenstrijdigheid sprake. Art. 5 EVRM veronderstelt dat de rechter in zijn functie van habeas corpus-rechter meer dan slechts marginaal kan oordelen over het voortduren van een vrijheidsbeneming. Een toetsing die zich zou beperken tot enkel de beantwoording van de vraag of de geneesheer-directeur destijds in redelijkheid tot zijn afwijzende beslissing heeft kunnen komen acht ik niet een toereikende vorm van habeas corpus-bescherming(11). Gaat het daarentegen om kwesties die niet het voortduren van de vrijheidsbeneming als zodanig betreffen, maar om de inhoud van de aan het ontslag te verbinden voorwaarden, zoals bijvoorbeeld de vorm van de begeleiding vanuit het ziekenhuis, de frequentie van controle in het ziekenhuis of de in te nemen medicatie), dan is er ook vanuit het oogpunt van art. 5 EVRM ruimte voor een terughoudender opstelling van de rechter ten opzichte van het (medisch) oordeel van de geneesheer-directeur. Dit laatste neemt niet weg dat ook een medisch oordeel in een procedure kan worden aangevochten, bijv. met behulp van contra-expertise.

2.22. Onderdeel 2.7 is voorwaardelijk voorgesteld. Nu aan de voorwaarde niet is voldaan, mist de klacht feitelijke grondslag en behoeft zij geen bespreking. De klacht is verder niet toegelicht. Onderdeel 2.8, gericht tegen de eindbeschikking, mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten. Het onderdeel is niet toegelicht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie art. 38e Sr. Zie ook art. 51 Wet Bopz, wanneer het gaat om TBS-gestelden in een psychiatrisch ziekenhuis.

2 De "kop" van de beschikking vermeldt weliswaar een andere datum, maar aan het slot is 4 april 2005 vermeld. In de thans bestreden beschikking is uitgegaan van 4 april 2005.

3 De afkorting staat voor: algemeen psychiatrisch ziekenhuis.

4 In het laatste geval behoort immers een onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis te worden verleend; zie art. 48, lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz.

5 Nadere MvA, Kamerstukken II 1979/80, 11 270, nr. 12, blz. 51; NAEV, Kamerstukken II 1980/81, 11 270, nr. 17, blz. 76.

6 Volgens rubriek 3 van de geneeskundige verklaring voelt betrokkene zich aangetrokken tot jonge jongens en geeft hij aan dat deze seksuele voorkeur blijvend is.

7 Zie blz. 2 van de tussenbeschikking: Betrokkene heeft een netwerk dat op de hoogte is van zijn stoornis. Het controlesysteem werkt; er is regelmatig contact met hem en met zijn netwerk en hij komt een keer per week in de kliniek.

8 De rechtbank wijst in haar tussenbeschikking op de mondelinge toelichting van de behandelaar ter terechtzitting. Zie ook diens brief van 21 februari 2005 aan de officier van justitie, blz. 2.

9 De bron van het door de behandelaar genoemde percentage valt uit het dossier niet te herleiden. Ik heb vergeefs in de vakliteratuur naar de genoemde percentages gezocht. Voor geïnteresseerden wijs ik op enkele recente publicaties in de serie Onderzoek en Beleid van het WODC; zie nr. 220 (E. Leuw e.a., Pedoseksuele delinquentie, 2004), nr. 230 (B.S.J. Wartna e.a., Buiten behandeling; een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van ex-terbeschikkinggestelden, 2005) en nr. 236 (C.H. de Kogel e.a., Contraire beëindiging van de TBS-maatregel, 2005).

10 Cassatieverzoekschrift onder 2.5; zie voor een verdere toelichting: de nrs. 3.13 - 3.20.

11 In dit cassatieberoep is niet de vraag aan de orde, of het besluit van de geneesheer-directeur dan wel het ontslagverzoek als het objectum litis moet worden beschouwd. Die vraag is beantwoord in HR 19 december 2003, NJ 2005, 128 (BJ 2004, 3, m.nt. Dijkers en Bröring) en is opnieuw aan de orde gesteld in de zaak R 05/130 HR, die momenteel bij de Hoge Raad in behandeling is.