Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV0054

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
R05/095HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV0054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nederlanderschap. Naturalisatiebesluit uit 1999 van een vluchteling uit voormalig Joegoslavië op basis van naderhand niet juist gebleken achternaam, geboorteplaats en namen van zijn ouders; vaststellingsverzoek ex art. 17 RWN. Een vóór – de wetswijziging bij de Rijkswet Stb. 2000, 618 per – 1 april 2003 verleend naturalisatiebesluit dat berust op valse of fictieve persoonsgegevens heeft géén rechtsgevolg behoudens bijzondere omstandigheden die de aanvrager desondanks voldoende identificeerden ten behoeve van een behoorlijk antecedentenonderzoek. Een na die datum verleend naturalisatiebesluit heeft wèl rechtsgevolg zolang het niet met toepassing van art. 14 lid 1 RWN is ingetrokken (ook) in gevallen waarin de aanvrager weliswaar zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het besluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt maar niet in twijfel is dat het op deze persoon betrekking heeft.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 551 met annotatie van G.R. de Groot
AB 2006, 335 met annotatie van R. Ortlep
JOL 2006, 424
RvdW 2006, 669
JWB 2006/226
JB 2006/242
JV 2006/314 met annotatie van Prof. mr. H.U. Jessurun d’ Oliveira
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R05/095HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 20 jan. 2006

conclusie inzake

De Staat der Nederlanden

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Inzet is de vraag of een naturalisatiebesluit rechtsgevolg mist, indien achteraf blijkt dat de aanvrager van de naturalisatie zijn aanvrage bewust heeft doen steunen op onjuiste personalia.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan. treft men aan in r.o. 2.1 en 2.2 van de beschikking van de rechtbank. Zij komen op het volgende neer.

(i) Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) geboren.

(ii) Op 1 december 1993 heeft [verweerder] onder de personalia [A], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (Joegoslavië), in Nederland verzocht om toegelaten te worden als vluchteling en heeft hij een verblijfsvergunning aangevraagd. Deze vergunning is hem per 1 december 1996 verleend.

(iii) Vervolgens heeft [verweerder] op 2 april 1999 onder dezelfde personalia bij de gemeente Spijkenisse een verzoek om naturalisatie ingediend. Bij Koninklijk Besluit van 11 juni 1999 is het Nederlanderschap verleend aan [A].

(iv) Naar aanleiding van op 27 mei 2004 bij het Ministerie voor Vreemdelingenzaken en Integratie binnengekomen informatie is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoek gedaan naar de indentiteit van [verweerder]. Daaruit is gebleken dat [verweerder] niet [A] is geheten, maar [verweerder] en dat de door hem opgegeven geboorteplaats en de namen van zijn ouders niet juist zijn.

(v) Bij brief van 25 oktober 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan [verweerder] medegedeeld dat het Koninklijk Besluit van 11 juni 1999 geen rechtsgevolg heeft omdat de persoon die in dat besluit wordt vermeld een andere persoon is dan [verweerder].

3. [Verweerder] heeft op 20 december 2004 op de voet van art. 17 RWN een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage en daarbij de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij sinds 11 juni 1999 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

4. Thans verzoeker van cassatie, hierna: de Staat, heeft bij brief van 28 februari 2005 aan de rechtbank als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5. Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden ter terechtzitting van de rechtbank van 7 april 2005, heeft de rechtbank bij beschikking van 28 april 2005 het verzoek van [verweerder] toewijsbaar geoordeeld en vastgesteld dat [verweerder] vanaf 11 juni 1999 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

6. Daartoe overwoog de rechtbank - kort weergegeven - dat, nu het naturalisatiebesluit van 11 juni 1999 niet is ingetrokken daaraan rechtsgevolg is verbonden, aangezien onthouding van rechtsgevolg aan een naturalisatiebesluit indruist tegen de rechtszekerheid die werd beoogd met de invoering van de door art. 14 RWN voorziene mogelijkheid tot intrekking door de Minister van de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap (r.o. 2.9 en 2.10).

7. De Staat is op de voet van art. 18 lid 2 RWN (tijdig) in cassatie gekomen tegen de beschikking van de rechtbank met één middel. [verweerder] heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij te kennen gegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.

8. Het middel keert zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat onthouding van rechtsgevolg aan een naturalisatiebesluit indruist tegen de rechtszekerheid die werd beoogd met de invoering van art. 14 RWN. Volgens het middel heeft de rechtbank miskend dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen door een - naar later blijkt - niet bestaand persoon en dat het Koninklijk Besluit van 11 juni 1999 daarom zonder rechtsvolg is gebleven.

9. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 11 november 2005, rek.nr. R04/127HR, LJN AT7542, geoordeeld dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, geen rechtsgevolg heeft, omdat zij de betrokkene - behoudens bijzondere omstandigheden - niet identificeert. Het betoog dat het bestaan van de mogelijkheid van intrekking van art. 14 RWN meebrengt dat een naturalisatiebesluit niet zonder rechtsgevolg kan zijn, gaat naar het oordeel van de Hoge Raad niet op, aangezien art. 14 RWN ziet op gevallen waarin het Nederlanderschap daadwerkelijk door het naturalisatiebesluit is verkregen en niet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit met valse of fictieve personalia is verkregen, en dus rechtsgevolg mist.

10. In het onderhavige geval heeft de rechtbank - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat in het naturalisatiebesluit van 11 juni 1999 valse persoonsgegevens zijn opgenomen. Bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de door [verweerder] opgegeven onjuiste persoonsgegevens hem identificeren, zijn niet aangevoerd en door de rechtbank ook niet vastgesteld. Het naturalisatiebesluit mist derhalve rechtsgevolg. Daaraan kan - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - het bestaan van de mogelijkheid van intrekking van art. 14 RWN niet afdoen, aangezien dit artikel slechts ziet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit daadwerkelijk heeft geleid tot de verkrijging van het Nederlanderschap. Dit geval doet zich hier niet voor. Het middel treft dus doel, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

11. Met betrekking tot de vraag of de Hoge Raad na vernietiging van de bestreden beschikking de zaak zelf kan afdoen, is van belang erop te wijzen dat partijen in feitelijke instantie geen rekening hebben kunnen houden met de voormelde beschikking van de Hoge Raad van 11 november 2005, aangezien deze beschikking na de thans bestreden beschikking van de rechtbank werd gegeven. Met name hebben partijen zich (daarom) niet uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de door [verweerder] opgegeven en in het naturalisatiebesluit opgenomen persoonsgegevens, hoewel onjuist, [verweerder] toch identificeren. Moet hierin aanleiding worden gevonden om, na vernietiging van de bestreden beschikking, de zaak te verwijzen teneinde partijen gelegenheid te bieden hun stellingen en conclusies aan te passen aan de genoemde uitspraak van de Hoge Raad? Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 200, blz. 411 en de aldaar vermelde rechtspraakgegevens.

12. M.i. bestaat daartoe geen aanleiding en kan de Hoge Raad de zaak direct zelf afdoen. Uit de door [verweerder] in feitelijke instantie aangevoerde stellingen, zoals weergegeven in r.o. 2.3 van de bestreden beschikking, blijkt dat [verweerder] zich bij zijn asielaanvrage in 1993 bewust van de valse personalia heeft bediend, juist om zijn ware identiteit te verhullen. Vervolgens was er naar zijn zeggen voor hem geen weg meer terug en moest hij wel verder leven onder die valse personalia (en ook met gebruikmaking van de valse personalia het verzoek om naturalisatie indienen). In deze stellingen ligt besloten dat van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de in het naturalisatiebesluit opgenomen persoonsgegevens [verweerder] toch identificeren, geen sprake kan zijn. Ik zou daarom menen dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat het naturalisatiebesluit van 11 juni 1999 rechtsgevolg mist, zodat het inleidend verzoek voor afwijzing gereed ligt.

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietigt en de zaak zelf afdoet door het inleidend verzoek af te wijzen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden