Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AV0049

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
C05/045HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV0049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil over de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst strekkende tot een bindend advies en over de vernietigbaarheid van het bindend advies (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 237
RvdW 2006, 397
JWB 2006/138

Conclusie

C05/045HR

mr. Keus

Zitting 20 januari 2006

Conclusie inzake:

1. [Eiseres 1]

2. [Eiser 2]

(hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: [eiser](1))

eisers tot cassatie

tegen

de coöperatie Coöperatie Voedings Tuinbouw(2) Nederland U.A.

(door fusie rechtsopvolgster van de coöperatie Coöperatieve Groenteveiling Westland BA)

(hierna: VTN)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of een geldige vaststellingsovereenkomst, strekkende tot een bindend advies, is tot stand gekomen en of [eiser] zich op vernietigbaarheid van het bindend advies heeft beroepen.

1. Feiten(3) en procesverloop

1.1 [Betrokkene 1] exploiteerde een glastuinbouwbedrijf en was tot 26 oktober 1996 lid van de Coöperatieve Groenteveiling Westland B.A. (hierna: Groenteveiling Westland), de rechtsvoorgangster van VTN. Ingevolge de statuten van Groenteveiling Westland was [eiser] verplicht alle door hem geteelde groente- en fruitproducten via Groenteveiling Westland te doen verkopen. Groenteveiling Westland is ertoe overgegaan tomaten te veilen onder het merk "Prominent", welk merk in 1994 was gedeponeerd voor (onder meer) tomaten en tomatenteelt door een ander lid van Groenteveiling Westland, die in 1995 met een derde lid van Groenteveiling Westland een telersvereniging, genaamd "Telersvereniging Prominent", heeft opgericht. Het merk is op 21 maart 1995 aan Groenteveiling Westland overgedragen. Onder het merk "Prominent" werden door Groenteveiling Westland trostomaten van het ras Tradiro geveild, die uitsluitend zijn geteeld door de leden van de genoemde telersvereniging. [Eiser] teelde eveneens tomaten van het ras Tradiro, die ook hij onder het merk "Prominent" geveild wenste te zien. Groenteveiling Westland heeft dit echter geweigerd, met een beroep op afspraken die zij met de telersvereniging had gemaakt.

1.2 Bij exploot van 15 maart 1996 heeft [eiser] Groenteveiling Westland gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank 's-Gravenhage:

- zal verklaren voor recht dat Groenteveiling Westland met haar gewraakte handelwijze jegens hem onrechtmatig en/of in strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of met de wet, statuten en reglementen heeft gehandeld;

- Groenteveiling Westland zal veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en tot betaling van een voorschot daarop van f 25.000,-;

- Groenteveiling Westland zal verbieden haar gewraakte handelwijze voort te zetten.

Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de handelwijze van Groenteveiling Westland in strijd is met de door haar als vereniging jegens haar leden in acht te nemen redelijkheid en billijkheid, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel, en dat hij, [eiser], daarvan schade ondervindt.

1.3 Groenteveiling Westland heeft de niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering ingeroepen, omdat art. 34 van haar statuten een geschillenregeling omvat die de gang naar de burgerlijke rechter uitsluit. Dit artikel luidt als volgt:

"Over alle geschillen inzake de betekenis ener bepaling van de statuten, reglementen of besluiten van de coöperatie wordt door de in artikel 22 bedoelde Raad van Commissarissen in hoogste instantie bij wijze van bindend advies beslist evenals in alle geschillen tussen de leden en het bestuur waarin de statuten nog niet voorzien, zulks met uitsluiting van de burgerlijke rechter."

1.4 Bij vonnis van 12 maart 1997 heeft de rechtbank [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat tussen partijen geldt dat hun geschil aan bindend advies op de voet van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland is onderworpen.

1.5 Bij exploot van 18 april 1997 is [eiser] van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven (die eerst op 18 april 2002 werd ingediend) heeft [eiser] vijf grieven tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank gericht. Daarbij heeft [eiser] onder meer aangevoerd dat art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland geen toepassing meer kon vinden, omdat Groenteveiling Westland ten tijde van het vonnis van de rechtbank reeds had opgehouden als rechtspersoon te bestaan. Groenteveiling Westland is bij notariële akte van 25 oktober 1996 met een aantal andere coöperaties een juridische fusie op de voet van art. 2:309 e.v. BW aangegaan, waarbij deze coöperaties als de verdwijnende rechtspersonen optraden en de bij de fusie opgerichte nieuwe coöperatie, Coöperatie Verenigde Tuinbouwveiling Nederland U.A., de verkrijgende rechtspersoon was. De naam van laatstgenoemde is vervolgens bij notariële akte van 5 februari 1997 in Coöperatie Voedings Tuinbouw Nederland U.A. (VTN) gewijzigd. VTN heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

1.6 Het hof 's-Gravenhage is bij tussenarrest van 29 januari 2004, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, ervan uitgegaan dat [eiser] zijn lidmaatschap niet op de voet van art. 2:36 lid 3 of 4 BW heeft opgezegd en dus als gevolg van de fusie op 26 oktober 1996 van rechtswege lid van VTN is geworden (rov. 6). Naar het oordeel van het hof moet de vraag of [eiser] eerst de weg van bindend advies dient te volgen, daarom in eerste instantie worden beantwoord aan de hand van de statuten van VTN, nu deze statuten na 26 oktober 1996 de verhouding tussen [eiser] en VTN beheersen. Naar het oordeel van het hof volgt uit die statuten, en met name uit art. 52, echter niet zonder meer dat een geschil tussen [eiser] en VTN als thans aan de orde bij wege van bindend advies aan de in art. 52 genoemde Commissie van beroep moet worden voorgelegd. Het hof heeft VTN dan ook verzocht zich bij akte nader uit te laten over de vraag waarom naar haar oordeel ook het onderhavige geschil ingevolge de statuten van VTN (zoals deze op 26 oktober 1996 luidden) aan bindend advies is onderworpen en waarom die weg in het onderhavige geschil met [eiser] niet is gevolgd. Daarbij heeft het hof bepaald dat [eiser] vervolgens op de uitlating van VTN, alsmede op de stellingen van VTN in de memorie van antwoord onder 22 (met betrekking tot de totstandkoming van een nieuwe vaststellingsovereenkomst op 25 april 1997, strekkende tot een bindend advies van de Beroepscommissie(4)) en onder 23 (met betrekking tot het ontbreken van een vordering tot vernietiging van het bindend advies op grond van art. 7:904 BW) zou kunnen reageren (rov. 7).

1.7 Nadat beide partijen zich bij akte hadden uitgelaten, heeft het hof op 14 oktober 2004 eindarrest gewezen. Het heeft daarbij geoordeeld dat de statuten van VTN geen enkel aanknopingspunt bieden voor de stelling van VTN dat [eiser] de in art. 52 van die statuten voorziene weg van een bindend advies diende te volgen (rov. 2). Naar het oordeel van het hof blijkt ook uit het reglement van VTN niet van een verplichting van de leden een geschil als het onderhavige aan de Commissie van beroep voor te leggen (rov. 3). Het hof heeft het betoog van VTN dat [eiser] op grond van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland was gehouden de daarin voorziene bindend-adviesprocedure te volgen, verworpen. Volgens het hof is [eiser] als gevolg van de fusie op 26 oktober 1996 van rechtswege lid geworden van VTN en wordt vanaf dat moment zijn rechtspositie als lid niet meer bepaald door de statuten van de verdwenen coöperatie, Groenteveiling Westland, maar door de statuten van de verkrijgende coöperatie, VTN. Een en ander verzet zich naar het oordeel van het hof tegen het nadien volgen van de in art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland voorziene weg, nu de statuten van VTN geen relevante overgangsregeling bevatten (rov. 5). Het hof heeft echter geconstateerd dat tussen partijen vaststaat dat op basis van een briefwisseling tussen partijen een procedure is gevoerd die heeft geleid tot een bindend advies van de Raad van Commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland van 9 juni 1997 (rov. 10). Volgens het hof is [eiser] door het aanhangig maken van deze procedure een vaststellingsovereenkomst aangegaan. Het hof heeft vastgesteld dat [eiser] geen op aantasting van deze vaststellingsovereenkomst of het daarop gebaseerde bindend advies gerichte vorderingen heeft ingesteld, ondanks de vraagtekens die hij in hoger beroep bij de geldigheid van een en ander heeft geplaatst (rov. 11). Het hof het vonnis van de rechtbank van 12 maart 1997 dan ook bekrachtigd, zij het met wijziging van de gronden (rov. 13).

1.8 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie van beide arresten ingesteld(5). VTN heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Beide partijen hebben hierop hun standpunten schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 [Eiser] heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Middel 1 is tegen de rov. 10 en 11 en het dictum van het eindarrest gericht en strekt ten betoge dat het hof ten onrechte heeft beslist, althans niet naar behoren heeft gemotiveerd, dat een bindend-adviesovereenkomst tussen [eiser] en VTN tot stand is gekomen. Ook middel 2 is tegen de rov. 10 en 11 en het dictum van het eindarrest gericht; het betoogt dat het hof ten onrechte heeft beslist althans niet naar behoren heeft gemotiveerd dat [eiser] geen toereikend beroep in rechte op de vernietigbaarheid van het bindend advies van 9 juni 1997 heeft gedaan en/of heeft nagelaten dit bindend advies op de voet van art. 3:50 lid 1 BW te vernietigen.

2.2 Middel 1 richt zowel een rechts- als een motiveringsklacht tegen de rov. 10 en 11 alsmede het dictum van het eindarrest, waarin het hof heeft vastgesteld dat een bindend-adviesovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Het middel betoogt dat het hof heeft miskend dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod dat wordt aanvaard. Volgens het middel kunnen de brief van 16 april 1997, waarin [eiser] onder verwijzing naar het niet onherroepelijke vonnis van de rechtbank de bindend-adviesprocedure aanhangig maakte, en de memorie van eis in de bindend-adviesprocedure van 14 mei 1997, waarin [eiser] zijn beroep op onbevoegdheid van de bindend adviseurs wegens het ontbreken van een overeenkomst van bindend advies handhaafde, niet worden aangemerkt als een geldig en zonder voorbehoud op de totstandkoming van een bindend-adviesovereenkomst gericht aanbod, dat door VTN kon worden aanvaard. Naar het middel betoogt, is het oordeel van het hof dat [eiser], door zonder voorbehoud een bindend-adviesprocedure aanhangig te maken, alsnog een overeenkomst van bindend advies met VTN is aangegaan, in het licht van de stellingen van [eiser] (waarmee het middel kennelijk doelt op de inhoud van de brief van 16 april 1997 en van de memorie van eis van 14 mei 1997) onbegrijpelijk.

2.3 Na in rov. 9 te hebben weergegeven dat VTN zich (subsidiair) op het standpunt heeft gesteld dat "door de schriftelijke verklaring van [eiser] op 16 april 1997 (productie 3 bij memorie van grieven) en de aanvaarding daarvan op 25 april 1997 (idem productie 4) een nieuwe vaststellingsovereenkomst is gesloten, op basis waarvan het bindend advies van de Raad van Commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland van 9 juni 1997 tot stand is gekomen" en na in rov. 10 te hebben vastgesteld dat op basis van de bedoelde briefwisseling, waarin [eiser] geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, daadwerkelijk een bindend-adviesprocedure is gevolgd, heeft het hof in rov. 11 geoordeeld dat "krachtens voormelde briefwisseling" een vaststellingsovereenkomst en een bindend advies tot stand zijn gekomen. Kennelijk was het hof, met VTN, van oordeel dat in de bedoelde briefwisseling een aanbod en de aanvaarding daarvan besloten liggen; aldus oordelende heeft het hof niet miskend dat op grond van art. 6:217 lid 1 BW een overeenkomst door een aanbod en de aanvaarding daarvan tot stand komt.

2.4 De vraag of de brieven van 16 en 25 april 1997 een aanbod en een aanvaarding daarvan impliceren en of op grond daarvan een vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, hangt af van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten(6). De beoordeling van een en ander is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts marginaal op motivering en begrijpelijkheid kan worden getoetst. Met het middel heeft [eiser] echter mede over de (ontoereikende) motivering en de (on)begrijpelijkheid van het bestreden oordeel geklaagd. Het middel bestrijdt dat [eiser], zoals het hof heeft overwogen, bij het aanhangig maken van de bindend-adviesprocedure geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, en betoogt dat de verwijzing in de brief van 16 april 1997 naar de in het vonnis van de rechtbank vervatte "opdracht" tot het volgen van een bindend-adviesprocedure een voorbehoud impliceerde, nu dit vonnis, alhoewel het partijen bond, nog niet definitief was (cassatiedagvaarding onder 9). Voorts herinnert het middel eraan dat [eiser] bij memorie van eis (onder 1) in de bindend-adviesprocedure bij de onbevoegdheid van de Raad van Commissarissen heeft volhard "omdat er in het geheel geen bindend advies meer geldt" en dat hij daaraan in de memorie van grieven (onder 4.4(7)) heeft gerefereerd (cassatiedagvaarding onder 10-11).

2.5 Naar ik meen is het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk (en behoefde het evenmin nadere motivering) in het licht van hetgeen het middel aanvoert.

Het argument dat de brief van 16 april 1997 een voorbehoud impliceerde, nu daaruit zou blijken dat [eiser] de bindend-adviesprocedure slechts inleidde omdat hij daartoe was gehouden op grond van het overigens nog niet onherroepelijke vonnis van de rechtbank, gaat mijns inziens reeds hierom niet op, omdat bij dit vonnis [eiser] niet "een verplichting tot het volgen van een bindend advies procedure" (cassatiedagvaarding, p. 4, laatste regel) werd opgelegd en hem al helemaal geen "opdracht" (cassatiedagvaarding, p. 5, tweede regel) of "bevel daartoe" (cassatiedagvaarding, p. 5, vierde regel) werd gegeven. Uit het vonnis van de rechtbank van 12 maart 1997 volgt niet méér dan dat [eiser] niet in zijn vordering kan worden ontvangen, omdat het geschil aan bindend advies op de voet van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland is onderworpen. Zolang dit vonnis niet in kracht van gewijsde was gegaan, was er niets wat [eiser] ertoe dwong de bindend-adviesprocedure daadwerkelijk in te leiden. Bij die stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk enig voorbehoud heeft verlangd, in het geval dat [eiser], ondanks het feit dat hij een bindend advies vroeg, nog altijd een beslissing van de burgerlijke rechter nastreefde. Overigens komt het mij in verband met dit laatste voor dat [eiser], door een bindend-adviesprocedure in te leiden (en het hoger beroep, in afwachting van de uitkomst van die procedure, te laten rusten), wel degelijk op twee paarden heeft gewed. Weliswaar heeft [eiser] zich op onbevoegdheid van de Raad van Commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland beroepen, maar het lijkt mij niet te gewaagd te veronderstellen dat, indien de Raad van Commissarissen in zijn bindend advies aan dit beroep zou zijn voorbijgegaan maar [eiser] inhoudelijk in het gelijk zou hebben gesteld, [eiser], zonder het aanhangige appel voort te zetten, wel degelijk zou hebben getracht zijn wederpartij aan het bindend advies te houden.

De motivering en de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel wordt evenmin aangetast door het standpunt dat [eiser] in de bindend-adviesprocedure over de (on)bevoegdheid van de Raad van Commissarissen heeft ingenomen. Nog daargelaten dat dit standpunt ten tijde van de briefwisseling van 16 en 25 april 1997 nog niet bekend was en daarom bezwaarlijk kan worden betrokken bij de beoordeling hoe VTN de brief van (de raadsman van) [eiser] van 16 april 1997 had moeten verstaan, betrof dit standpunt de niet-toepasselijkheid van (het ook door het hof niet van toepassing geachte) art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland en niet het al dan niet tot stand gekomen zijn van een vaststellingsovereenkomst die als basis voor het bindend advies van de Raad van Commissarissen heeft gediend. [Eiser] heeft (blijkens zijn eigen weergave van het door hem in de bindend-adviesprocedure ingenomen standpunt, zoals vervat in de memorie van grieven onder 4.4) de niet-toepasselijkheid van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland en de daaruit voortvloeiende onbevoegdheid van de (voormalige) Raad van Commissarissen overigens gebaseerd op het feit dat de rechtspersoon Groenteveiling Westland en haar organen niet meer bestonden. Dat, zoals in de cassatiedagvaarding onder 12 gesteld, [eiser] zich in de memorie van eis zou hebben beroepen op de onbevoegdheid van bindend adviseurs "wegens het ontbreken van een overeenkomst van bindend advies", mist dan ook feitelijke grondslag.

Bij de klachten van het middel teken ik nog aan dat het hof blijkens rov. 9, slot, mede van belang heeft geacht dat [eiser], alhoewel daartoe uitdrukkelijk uitgenodigd in het tussenarrest, niet heeft gereageerd op de (subsidiaire) stellingen van VTN in de memorie van antwoord over de totstandkoming van een (nieuwe) vaststellingsovereenkomst die als grondslag voor het bindend advies van de Raad van Commissarissen heeft gediend. Waar het hof bij die stand van zaken een dergelijke overeenkomst reeds bij gebrek aan betwisting kon aannemen, kan naar mijn mening niet met vrucht werden geklaagd over de motivering of de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, dat, kennelijk op grond van de onbetwiste stellingen van VTN, van de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en VTN is uitgegaan(8). Daaraan doet mijns inziens niet af dat men zeer wel verschillend kan denken over de gevolgtrekkingen die aan de briefwisseling van 16 en 25 april 1997 moeten worden verbonden(9).

2.6 Middel 2 richt zowel rechts- als motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in de rov. 10 en 11, alsmede het dictum van het eindarrest, dat [eiser] niet deugdelijk een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het bindend advies van juni 1997 en/of heeft nagelaten een vordering tot vernietiging van het bindend advies in te stellen. Volgens het middel is voor vernietiging van een rechtshandeling bij een rechterlijke uitspraak niet een uitdrukkelijke, daartoe strekkende vordering vereist, maar volstaat een beroep in rechte op een vernietigingsgrond. Van een zodanig beroep was volgens het middel sprake, nu (i) [eiser] ook na het bindend advies van 1997 bij zijn oorspronkelijke vordering, mede strekkende tot onrechtmatigverklaring van de door bindend adviseurs gesauveerde handelwijze van Groenteveiling Westland volhardde, hetgeen een beroep op ongeldigheid van het bindend advies impliceerde (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 22), en (ii) [eiser] zich althans in de memorie van grieven onder 7.3 en 7.4, alsmede in de memorie na tussenarrest, eerste alinea, uitdrukkelijk op ongeldigheid van het bindend advies heeft beroepen (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 21). Het middel betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven als het van oordeel zou zijn geweest dat voor rechterlijke vernietiging van het bindend advies een uitdrukkelijke, daarop gerichte vordering was vereist (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 21, derde volzin), en dat het hof in het andere geval zijn beslissing dat [eiser] geen beroep in rechte op de vernietigingsgrond van art. 7:904 lid 1 BW heeft gedaan, niet naar behoren heeft gemotiveerd (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 22, laatste volzin). Ten slotte klaagt het middel (in de cassatiedagvaarding onder 23) dat het hof althans heeft miskend dat het gestelde in de memorie van grieven onder 7.3 en 7.4, alsmede in de memorie na tussenarrest, eerste alinea, (mede) een buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in art. 3:50 lid 1 BW belichaamt.

2.7 Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat [eiser] daaraan terecht ten grondslag heeft gelegd dat vernietiging van een rechtshandeling bij rechterlijke uitspraak niet noodzakelijkerwijs een daarop gerichte vordering vooronderstelt en dat voor een dergelijke vernietiging de aanvaarding van "een beroep in rechte op een vernietigingsgrond" volstaat (art. 3:51 BW). Een dergelijk beroep kan de vorm van een vordering aannemen (art. 3:51 lid 2 BW), maar kan ook zijn vervat in een verweer ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel (art. 3:51 lid 3 BW; vergelijk HR 25 oktober 1997, NJ 1997, 68, waarin de bepaling - in het kader van een verzoekschriftprocedure - toepassing vond ten aanzien van het antwoord op een verweer van de wederpartij dat op de vernietigbare rechtshandeling was gegrond). Voorts kan aan [eiser] worden toegegeven dat rov. 11 minst genomen twijfel oproept of het hof zulks niet heeft miskend, waar het enerzijds heeft vastgesteld dat "[eiser] (...) in hoger beroep wel vraagtekens bij de geldigheid van een en ander (o.a. in de memorie van grieven 4.6 en 4.7) (zet)", maar anderzijds heeft geoordeeld dat [eiser], ook nadat hij bij tussenarrest in de gelegenheid was gesteld op de stellingen ter zake van VTN te reageren, "zodanige vorderingen (met welke term het hof kennelijk aan de in de tweede volzin van rov. 11 bedoelde aantasting van de vaststellingsovereenkomst of van het bindend advies refereerde) niet heeft ingesteld, zodat het hof daaromtrent geen uitspraak kan doen" (rov. 11, derde volzin). Zou het hof hebben bedoeld dat hetgeen [eiser] omtrent de geldigheid van het bindend advies heeft aangevoerd, niet relevant is, zolang dit niet de vorm van een op vernietiging van dit advies gerichte vordering heeft aangenomen, zou het inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting blijk hebben gegeven.

2.8 Er is ook een andere lezing van rov. 11 mogelijk. Na in de tweede volzin van die rechtsoverweging van het aantasten van de vaststellingsovereenkomst, bijvoorbeeld op grond van dwaling, dan wel van het bindend advies langs de weg van art. 7:904 BW te hebben gesproken, heeft het hof met de term "zodanige vorderingen" in de derde volzin mogelijk mede het oog gehad op een voor het bewerkstelligen van vernietiging door rechterlijke tussenkomst toereikend beroep in rechte op een vernietigingsgrond, voor zover daaraan niet de vorm van een rechtsvordering is gegeven. Het bestreden oordeel dient in dat geval aldus te worden verstaan dat, wat het bindend advies betreft, het hof in de stellingen van [eiser] niet heeft gelezen dat deze zich heeft beroepen op de vernietigingsgrond van art. 7:904 BW, te weten dat gebondendheid aan het advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het middel heeft echter ook het aldus opgevatte oordeel van het hof bestreden en daartoe aangevoerd dat het feit dat [eiser] ook ná het bindend advies bij zijn vordering volhardde en zich daarenboven in § 7.3 en § 7.4 van de memorie van grieven en in de eerste alinea van de memorie na tussenarrest op de ongeldigheid van het bindend advies heeft beroepen, een toereikend beroep op vernietiging in rechte impliceerde.

2.9 Ik deel niet de opvatting van het middel dat reeds het enkele handhaven van de oorspronkelijke vordering van [eiser] een beroep in rechte op een vernietigingsgrond met betrekking tot het bindend advies impliceerde, nu de gehandhaafde vordering slechts toewijsbaar was als [eiser] niet aan het advies van de commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland zou zijn gebonden. Het enkele feit dat vernietiging van het bindend advies voor het welslagen van de vordering van [eiser] noodzakelijk was, brengt immers nog niet met zich dat [eiser], door bij zijn vordering te volharden, ook moet worden geacht het voor rechterlijke vernietiging van het bindend advies vereiste beroep in rechte te hebben gedaan.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat een beroep op de wettelijke vernietigingsgrond (mede) is gelegen in § 7.3 en § 7.4 van de memorie van grieven en in de eerste alinea van de memorie na tussenarrest, wijs ik er allereerst op dat § 7.3 en § 7.4 van de memorie van grieven onderdeel vormen van de toelichting op de vierde grief van [eiser], volgens welke de rechtbank zou hebben miskend dat (het door het hof hoe dan ook niet van toepassing geachte) art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland (en niet het op grond van een daartoe strekkende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen bindend advies) met de redelijkheid en de billijkheid in strijd zou zijn.

In § 7.3 van de memorie van grieven heeft [eiser] gewezen op het bezwaar dat in de opzet van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland geschillen tussen leden en de coöperatie feitelijk door de coöperatie worden beslist, en dat de bepaling om die reden met de redelijkheid en billijkheid in strijd zou zijn. Nog daargelaten dat deze argumentatie is gericht tegen een door het hof niet van toepassing geachte statutaire bepaling van de voormalige Groenteveiling Westland (en niet tegen het op grond van een daartoe strekkende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen bindend advies), schiet zij al daarom in het licht van art. 7:904 lid 1 BW tekort, omdat de wet zich niet a priori tegen een bindende partijbeslissing verzet (vergelijk art. 7:900 lid 2 BW).

In § 7.4 van de memorie van grieven heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de statutaire rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed, en in dat verband volstaan met een verwijzing naar een vonnis van de president van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 1995 over een (volgens [eiser]) gelijke bepaling in de statuten van Coöperatie Bloemenveiling Holland B.A. (productie 1 bij de conclusie van repliek). Dat, zoals [eiser] heeft betoogd, het in die uitspraak om een gelijke bepaling gaat als (het door het hof overigens niet van toepassing geachte) art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland, blijkt niet uit de genoemde uitspraak; daarin is (onder 2) slechts sprake van een ingevolge het veilingreglement bestaande mogelijkheid van beroep tegen het litigieuze besluit van de betrokken veiling bij het bestuur. De president oordeelde dat "(v)oor niet-ontvankelijkheid van (eiser) op grond van de voor hem krachtens het veilingreglement openstaande beroepsmogelijkheid (...) geen aanleiding (bestaat), al was het maar omdat deze rechtsgang niet als met voldoende waarborgen omkleed kan worden beschouwd", zonder daarbij aan te geven in welke opzichten de bedoelde beroepsmogelijkheid tekortschoot. De door de president gebruikte formuleringen doen denken aan de in de rechtspraak ontwikkelde leer dat de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van vorderingen waaraan de eiser ten grondslag heeft gelegd dat jegens hem een onrechtmatige daad is gepleegd, maar de eiser niettemin niet-ontvankelijk dient te verklaren, wanneer, kort gezegd, langs bestuursrechtelijke weg (en meer in het bijzonder door de bestuursrechter) voldoende rechtsbescherming wordt geboden(10). Een dergelijke afweging van langs andere (bestuursrechtelijke) weg geboden rechtsbescherming is echter niet aan de orde als de burgerlijke rechter moet beoordelen of één van de bij het geding betrokken partijen aan een bindend advies kan worden gehouden, en zeker niet als de binding aan een dergelijk bindend advies uit een vaststellingsovereenkomst voortvloeit. Al om deze redenen acht ik de door [eiser] ingeroepen uitspraak voor het onderhavige geschil niet van betekenis. Dat een bindend-adviesprocedure niet met voldoende waarborgen is omkleed, kan er weliswaar aan bijdragen dat het advies met zodanig ernstige(11) gebreken tot stand komt dat gebondenheid van de daarbij in het ongelijk gestelde partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, maar volstaat op zichzelf voor het aannemen van zulke gebreken niet. Overigens wijs ik erop dat [eiser] blijkens het gestelde in de schriftelijke toelichting van mr. Duijsens onder 7 en in de daarbij behorende voetnoot 2, waarin naar HR 14 november 2003, NJ 2004, 138, m.nt. GHvV, wordt verwezen, niet langer bij het in § 7.4 van de memorie van grieven ontwikkelde standpunt lijkt te volharden.

Ook in de eerste alinea van de antwoordakte valt naar mijn mening geen beroep in rechte op de in art. 7:904 lid 1 BW bedoelde vernietigingsgrond te ontwaren. De alinea betreft per 26 oktober 1996 geldende statutaire en reglementaire bepalingen van VTN die het hof überhaupt niet heeft toegepast (zie de rov. 2-4 van het eindarrest) en klaagt over ondeugdelijkheid van de in die bepalingen voorziene rechtsgang in verband met de samenstelling van de Commissie van beroep uit leden c.q. ex-leden van de veiling zelf.

Als het bestreden oordeel aldus moet worden verstaan dat het hof geen toereikend beroep in rechte op de vernietigingsgrond van art. 7:904 lid 1 BW heeft kunnen ontwaren, meen ik dat de daartegen gerichte klachten falen. Ik acht het bestreden oordeel in dat geval niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door het middel genoemde passages in de processtukken.

2.10 Naar ik meen moet inderdaad van de laatstbedoelde lezing van de bestreden rov. 11 van het eindarrest worden uitgegaan. Dat brengt met zich dat ook het tweede middel, voor zover dit de door het hof aangenomen onmogelijkheid van rechterlijke vernietiging van het bindend advies op grond van art. 3:51 lid 1 BW betreft, niet tot cassatie kan leiden.

Overigens teken ik aan dat de vraag rijst of [eiser] belang bij het middel zou hebben, indien rov. 11 anders moet worden verstaan en aldus moet worden gelezen dat het hof heeft geoordeeld dat een beroep in rechte zoals bedoeld in art. 3:51 lid 1 BW steeds de vorm van een rechtsvordering moet aannemen. Weliswaar zou het hof dan van een onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, maar [eiser] zou bij een aantasting van dat oordeel slechts dan zijn gebaat, indien hij zich in rechte daadwerkelijk op de vernietigingsgrond van art. 7:904 lid 1 BW zou hebben beroepen. Zoals hiervoor reeds is besproken, is dat laatste niet het geval. Ik voeg daaraan nog toe dat het gestelde in de memorie van grieven onder 4.6 en 4.7 (waarnaar het hof in rov. 11 van het eindarrest in verband met de door [eiser] geplaatste "vraagtekens bij de geldigheid van een en ander" heeft verwezen, maar waarop [eiser] in cassatie niet is teruggekomen) evenmin op gebreken van het uitgebrachte advies in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan betrekking heeft. De bedoelde passages betreffen uitsluitend de (slechts bij toepassing van art. 34 van de statuten van de voormalige Groenteveiling Westland van belang zijnde) (voor)vraag of een niet meer bestaand orgaan van een niet meer bestaande rechtspersoon op grond van niet meer toepasselijke statuten nog een besluit kan nemen.

2.11 Het middel klaagt ten slotte dat het hof zou hebben miskend dat in de memorie van grieven onder 7.3 en 7.4, alsmede in de memorie na tussenarrest, eerste alinea, althans een buitengerechtelijke vernietiging van het bindend advies is vervat. Nog daargelaten of VTN hetgeen in rechte is betoogd redelijkerwijs als een buitengerechtelijke verklaring moest opvatten en nog daargelaten of [eiser] zich ten overstaan van het hof überhaupt op een buitengerechtelijke vernietiging van het bindend advies heeft beroepen (als dat niet zo is, zou in zoverre van een ontoelaatbaar novum in cassatie sprake zijn), geldt mijns inziens ook voor de buitengerechtelijke verklaring dat daaruit duidelijk moet blijken op welke rechtshandeling zij betrekking heeft, dat de betrokkene zich van zijn gebondenheid aan die rechtshandeling wil bevrijden en waarom de betrokkene meent daartoe gerechtigd te zijn. De door het middel bedoelde passages in de processtukken schieten in deze opzichten te kort, om dezelfde redenen als hiervoor bij de bespreking van het standpunt van [eiser] dat hij zich in rechte naar behoren op de vernietigingsgrond van art. 7:904 lid 1 BW heeft beroepen, reeds aan de orde kwam. Ook in zoverre kan het tweede middel daarom niet tot cassatie leiden.

2.12 De cassatieklachten van [eiser] richten zich slechts tegen het eindarrest van het hof, terwijl het cassatieberoep mede tegen het tussenarrest is ingesteld. [Eiser] zal in zijn beroep, voor zover dit tegen het tussenarrest is gericht, daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, terwijl zijn beroep voor het overige zal moeten worden verworpen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep voor zover dit tegen het tussenarrest van 29 januari 2004 is gericht, en tot verwerping van zijn beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Als eiser in eerste aanleg en appellant in hoger beroep trad op [betrokkene 1], die in 1999, ten tijde van het hoger beroep, is overleden. Als eisers in cassatie treden op, steeds in hun hoedanigheid van erfgenaam van [betrokkene 1] voornoemd, de weduwe, zowel voor zichzelf als voor haar ten tijde van het instellen van het cassatieberoep minderjarige kinderen, en het oudste en ten tijde van het instellen van het cassatieberoep reeds meerderjarige kind.

2 In de cassatiedagvaarding zijn de woorden "Voedings" en "Tuinbouw" aan elkaar geschreven.

3 Zoals vastgesteld door het hof 's-Gravenhage in de rov. 1a-e van het tussenarrest van 29 januari 2004.

4 Anders dan de memorie van antwoord onder 22 lijkt te suggereren, is het bindend advies niet afkomstig van de (in art. 52 van de statuten van VTN bedoelde) Commissie van beroep, maar van de Raad van Commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland; zie prod. 7 bij de memorie van grieven.

5 Het bestreden eindarrest is gewezen op 14 oktober 2004; de cassatiedagvaarding is op 14 januari 2005 uitgebracht.

6 Zie bijv. Asser-Van Schaick 5-IV (2004), nr. 272.

7 De betrokken passage in de memorie van grieven luidt aldus: "4.4. Ter zitting van 14 mei 1997 beriep [eiser] zich, in verband met het niet meer bestaan van de rechtspersoon Groenteveiling Westland en haar organen, op de onbevoegdheid van de "Raad van Commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland" (productie 5)."

8 In dit verband wijs ik erop dat het hof de totstandkoming van de bindend-adviesovereenkomst in de rov. 10 en 11 nergens met zoveel worden heeft vastgesteld, maar (in rov. 11) haast terloops van het bestaan daarvan is uitgegaan ("[eiser] heeft (...) nagelaten eerst hetzij de vaststellingsovereenkomst aan te tasten (...)"). Dit zou erop kunnen wijzen dat het hof de stellingen van VTN over de totstandkoming van een nieuwe vaststellingsovereenkomst reeds in de laatste twee volzinnen van rov. 9 bij gebrek aan betwisting als vaststaand heeft aangenomen.

9 Zo zou men kunnen menen dat, gelet op de relatie die de brief van 16 april 1997 legt tussen het inleiden van de bindend-adviesprocedure en het oordeel van de rechtbank (die art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland van toepassing had geacht), de gedachte dat met die brief het initiatief tot een nieuwe bindend-adviesovereenkomst werd genomen, wat minder voor de hand ligt, nog daargelaten dat [eiser] die brief niet richtte tot (de rechtsopvolgster van) Groenteveiling Westland als zodanig (met wie hij een geschil had en met wie hij in voorkomend geval een bindend advies zou moeten overeenkomen), maar tot de Commissarissen van (de voormalige) Groenteveiling Westland, die (op grond van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland) als bindend adviseurs zouden moeten optreden.

10 Zie voor een samenvatting van die leer onder meer HR 17 december 1999, NJ 2000, 87, m.nt. ARB onder NJ 2000, 88, rov. 3.5.3.

11 Uitsluitend ernstige gebreken geven aanleiding tot de sanctie van vernietigbaarheid; zie HR 12 september 1997, NJ 1998, 382, m.nt. MMM.