Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU9735

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
R05/106HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU9735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, weigering van schone lei bij einde van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 354 lid 1 F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2006-04-07
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-04-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 211
RvdW 2006, 371
JWB 2006/124

Conclusie

R05/106HR

mr. Keus

Parket, 13 januari 2006

Conclusie inzake

[Verzoeker 1]

en

[Verzoekster 2]

Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoekers] bij het einde van de toepassing van de schuldsaneringsregeling de zogenaamde schone lei terecht is geweigerd.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Bij vonnissen van de rechtbank Arnhem van 10 december 2001 is ten aanzien van [verzoekers] (hierna tezamen ook: [verzoeker] c.s.) de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is mr. R.A. Boon tot rechter-commissaris en mr. P.A.M.T. van den Berg tot bewindvoerder benoemd. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 september 2003 is bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden voortgezet, hoewel de schuldenaren tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden hebben laten ontstaan, en is een saneringsplan vastgesteld. In het saneringsplan is het volgende bepaald:

"a) de schuldenaren zullen zich houden aan alle hen in het kader van de schuldsanering door de bewindvoerder te geven aanwijzingen en haar de nodige informatie verstrekken;

b) de duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt bepaald op 3 jaar;

c) de schuldenaren zullen (zonder toestemming van de bewindvoerder) geen nieuwe schulden aangaan;

d) één van de schuldenaren moet zich inspannen om betaald werk te vinden en aan de bewindvoerder verslag daarvan doen."(2)

1.2 Bij vonnis van 2 juni 2005 heeft de rechtbank Arnhem vastgesteld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Voorts heeft de rechtbank daarbij vastgesteld dat de schuldenaren toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Uit de stukken en ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat [verzoeker] c.s. in het bezit zijn van een plasmatelevisie die volgens de aankoopbon, die op naam staat van [betrokkene 1], een nieuwprijs vertegenwoordigt van € 3.599,-, maar die [verzoeker 1] voor een bedrag van € 1.500,- van [betrokkene 1] zou hebben gekocht en dat [verzoeker] c.s. laatstgenoemd bedrag van familie en vrienden zouden hebben ontvangen bij wijze van cadeau voor de geboorte van hun zoon [de zoon]. De rechtbank was van oordeel dat dit geld ten behoeve van de boedel had moeten komen en in ieder geval niet had mogen worden aangewend voor de aankoop van een plasmatelevisie, een voorwerp dat als "bovenmatige inboedel" moet worden aangemerkt. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoeker 1], aan wie als enige de sollicitatieverplichting is bekend gemaakt, die verplichting onvoldoende is nagekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de genoemde tekortkomingen aan de schuldenaren kunnen worden toegerekend en dat zij niet van zodanige aard of geringe betekenis zijn dat zij buiten beschouwing kunnen blijven. Volgens de rechtbank betekent dit dat art. 358 lid 1 Fw niet van toepassing is, zodat de schuldenaren de "schone lei" wordt onthouden.

1.3 Bij verzoekschrift van 8 juni 2005 zijn [verzoeker] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 juni 2005 en hebben zij het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen en primair te bepalen dat de schuldsaneringsregelingen zullen worden beëindigd met verstrekking van de zogenaamde schone lei en subsidiair te bepalen dat de schuldsaneringsregelingen zullen worden voortgezet totdat [verzoeker 1] de televisie heeft verkocht en de opbrengst aan de boedel heeft afgedragen.

1.4 Bij arrest van 28 juli 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof was van oordeel dat [verzoeker] c.s. toerekenbaar in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting zijn tekortgeschoten. Volgens het hof doet de stelling van [verzoeker] c.s. dat zij niet wisten dat schenkingen aan de boedel moeten worden afgedragen hieraan niet af, omdat zij immers hadden kunnen weten dat tegenover het uiteindelijk verkrijgen van de zogenaamde schone lei een verplichting staat een zo groot mogelijke inspanning te leveren om in het belang van de schuldeisers zoveel mogelijk actief in de boedel te brengen. Naar het oordeel van het hof was er geen sprake van een tekortkoming die wegens haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dient te blijven. Het hof achtte hierbij nog van belang dat uit het vonnis van 11 september 2003 blijkt dat [verzoeker] c.s. zich ook in het verleden "niet zodanig hebben gedragen als bij de schuldsaneringsregeling hoort"; zij hadden dus ermee rekening moeten houden dat hernieuwde tekortkomingen niet zonder gevolgen zouden blijven.

1.5 [Verzoeker] c.s. hebben bij verzoekschrift van 5 augustus 2005 (tijdig(3)) beroep in cassatie van het arrest van het hof van 28 juli 2005 ingesteld. Er is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 [Verzoeker] c.s. hebben één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.4 van het bestreden arrest, inhoudende dat [verzoeker] c.s. toerekenbaar in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting zijn tekortgeschoten.

Het cassatiemiddel voert aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.4 heeft aangesloten bij het bepaalde in art. 350 lid 3 sub c Fw, dat het hof een andere wettelijke grondslag niet heeft genoemd en dat een andere wettelijke grondslag niet uit het arrest valt af te leiden. Naar het middel betoogt, heeft het hof in rov. 3.3 overwogen dat het aan [verzoeker] c.s. verweten handelen een vorm van benadeling van de schuldeisers oplevert, maar heeft het hof verzuimd dit aan de gegeven beslissing ten grondslag te leggen. Het cassatiemiddel stelt verder dat de vier verplichtingen die zijn opgenomen in het van toepassing zijnde saneringsplan, zoals vastgesteld in het vonnis van 11 september 2003, moeten worden aangemerkt als de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen zoals bedoeld in art. 350 lid 3 sub c Fw. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof nagelaten te benoemen welke van de vier verplichtingen uit het saneringsplan [verzoeker] c.s. niet in acht hebben genomen. Het middel stelt dat uit het saneringsplan niet blijkt dat inkomsten, al dan niet afkomstig van schenkingen, dienen te worden doorgegeven aan de bewindvoerder. Verder wordt betoogd dat noch de art. 296 en 297 Fw, noch de wetstekst voor het overige, voorzien in een algemene verplichting van de schuldenaar om inkomsten aan de bewindvoerder op te geven en dat een dergelijke verplichting dus slechts uit het saneringsplan kan voortvloeien. Het middel betoogt dat het hof, door te miskennen dat noch het saneringsplan, noch de wet, enige verplichting op [verzoeker] c.s. leggen om inkomsten van welke aard dan ook te melden, en door zijn beslissing te baseren op art. 350 lid 3 sub c Fw, zijn beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd, dan wel dat deze beslissing onbegrijpelijk is.

2.2 Het cassatiemiddel mist feitelijke grondslag, waar het betoogt dat het hof art. 350 lid 3 sub c Fw aan zijn oordeel in rov. 3.4 ten grondslag heeft gelegd. Het hof heeft in zijn arrest niet naar art. 350 lid 3 sub c Fw verwezen; evenmin kan uit het arrest een (impliciet) beroep op die bepaling worden afgeleid. Art. 350 lid 3 Fw regelt in welke gevallen de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds kan worden beëindigd; een dergelijke tussentijdse beëindiging kan plaatsvinden in de gevallen, genoemd in art. 350 lid 3 sub a-e.(4). In het onderhavige geval is een tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling echter niet aan de orde, maar is de schuldsaneringsregeling wegens het verstrijken van de looptijd daarvan geëindigd(5). Evenals het door het hof bekrachtigde vonnis van de rechtbank Arnhem van 2 juni 2005 is het bestreden arrest (niet op art. 350 lid 3, maar) op art. 354 lid 1 Fw gebaseerd. Op grond van die bepaling dient de rechter bij de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beoordelen of de schuldenaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, en, indien sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

2.3 Voorts kiest het cassatiemiddel mijns inziens ten onrechte als uitgangspunt dat (slechts) de in het saneringsplan opgenomen verplichtingen als de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen in de zin van art. 350 lid 3 (en, voeg ik daaraan toe, van art. 354 lid 1) Fw dienen te worden aangemerkt en dat een verplichting van de schuldenaar om inkomsten aan de bewindvoerder door of op te geven(6), bij stilzwijgen van het saneringsplan, niet uit de wet zou voortvloeien. Alhoewel het stellig zo is dat de rechter in het saneringsplan nadere, tot de schuldenaar gerichte en op de omstandigheden van het geval toegespitste voorschriften en richtlijnen (zoals die met betrekking tot het verwerven van inkomsten door het verrichten van arbeid) kan opnemen, gaat het daarbij, óók in de visie van de wetgever, om een uitwerking van de meer algemene (en bij de totstandkoming van de wettelijke regeling met betrekking tot de schuldsanering van natuurlijke personen meer dan eens als uitgangspunt benadrukte(7)) verplichting van de schuldenaar al het nodige te doen om te bereiken dat zoveel mogelijk activa in de boedel zullen vallen(8). Het is die algemene verplichting waarbij het hof in rov. 3.4 met zoveel woorden heeft aangesloten ("[verzoekers] hadden immers kunnen weten, dat tegenover het uiteindelijk verkrijgen van de zogenaamde schone lei een verplichting staat een zo groot mogelijke inspanning te leveren zoveel mogelijk actief in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers.").

Overigens kan in verband met de door het hof aangenomen verplichting van [verzoeker] c.s. tot afdracht van de door hen ontvangen gelden aan de boedel worden gewezen op de wettelijke bepalingen over de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, op grond waarvan (i) de boedel mede de goederen omvat die de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling verkrijgt (art. 295 lid 1 Fw), (ii) hetzelfde geldt voor het door de schuldenaar tijdens die toepassing verworven inkomen (welk begrip inkomen blijkens de wetsgeschiedenis ruim moet worden opgevat(9)) voor zover dat inkomen niet wettelijk buiten de boedel valt (art. 295 leden 2 en 3 Fw) en (iii) de schuldenaar niet bevoegd is over tot de boedel behorende goederen te beschikken (art. 296 lid 1 Fw).

Voor zover het middel (blijkens de toelichting onder 1.5 en 3) is toegespitst op een door [verzoeker] c.s. bestreden verplichting van de schuldenaar om van (alle) inkomsten aan de bewindvoerder opgave te doen, wijs ik er ten slotte op dat naast de uit de wet voortvloeiende informatieplichten, op de schuldenaar ook een meer algemene verplichting rust tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 onder c Fw, waarbij de rechter niet alleen de aard van de niet verstrekte inlichtingen maar ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking zal moeten nemen. Als maatstaf voor het antwoord op de vraag of grond bestaat tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt(10). Een en ander is ingevolge art. 354 lid 1 Fw mede van belang voor de verlening van de "schone lei"(11).

Dat, anders dan het middel als uitgangspunt kiest, het door het hof bedoelde handelen van [verzoeker] c.s. niet met een tekortschieten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen in verband kan worden gebracht, kan derhalve niet worden aanvaard.

2.4 Ook voor zover het middel over de motivering van het bestreden arrest klaagt, kan het niet tot cassatie leiden. Het hof heeft verantwoord in de nakoming van welke verplichting [verzoeker] c.s. naar zijn oordeel zijn tekortgeschoten. Daarnaast heeft het hof, in verband met de toerekenbaarheid van de tekortkoming, (i) naar aanleiding van het verweer van [verzoeker] c.s. dat zij niet wisten dat zij schenkingen aan de boedel moesten afdragen, geoordeeld dat [verzoeker] c.s. hadden kunnen weten dat zij zoveel mogelijk actief in de boedel dienden te brengen(12), (ii) voorts in aanmerking genomen dat hetgeen [verzoeker 1] ter zitting van het hof heeft aangevoerd (te weten dat hij de televisie indien nodig wil verkopen en de opbrengst alsnog aan de boedel wil afdragen), "niet van saneringsgezind gedrag (getuigt)"(13) en, zij het met het oog op de vraag of de tekortkoming wegens haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dient te blijven, (iii) overwogen dat [verzoeker] c.s. zich blijkens het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 september 2003 (waarbij [verzoeker] c.s. een laatste kans werd geboden de regeling alsnog goed uit te voeren) ook in het verleden "niet zodanig hebben gedragen als bij de schuldsaneringsregeling hoort" en dus ermee rekening hadden moeten houden dat hernieuwde tekortkomingen niet zonder gevolgen zouden blijven. Als onderdeel van de motivering kan ten slotte gelden dat het hof aan het slot van rov. 3.3 heeft gereleveerd dat [verzoeker] c.s. door het aanwenden van de hun geschonken gelden voor de aanschaf van een plasmatelevisie de schuldeisers ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling werkt, hebben benadeeld. Anders dan in de toelichting op het middel onder 2 is betoogd, komt aan die omstandigheid, ook al is het bestreden oordeel niet op art. 350 lid 3 sub e Fw gebaseerd, wel degelijk betekenis toe, al was het maar omdat vrij algemeen wordt aangenomen dat een toerekenbare tekortkoming vooral dan aan de verlening van een "schone lei" in de weg staat, indien de tekortkoming zich in de verhouding van de schuldenaar tot zijn schuldeisers manifesteert(14).

2.5 De klachten van het middel kunnen derhalve niet tot cassatie leiden. Anders dan in de toelichting op het middel onder 3 betoogd, heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door aan te nemen dat [verzoeker] c.s. waren gehouden inkomsten van welke aard dan ook te melden. Evenmin is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zoals vastgesteld door het hof in de rov. 1.1-2.3 van het bestreden arrest van 28 juli 2005.

2 Ontleend aan het dictum van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 september 2003.

3 Het bestreden arrest dateert van 28 juli 2005, terwijl het cassatierekest op 5 augustus 2005, en derhalve binnen acht dagen (art. 355 jo art. 342 lid 3 Fw), bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.

4 Zie bijv. R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 162.

5 Zie rov. 1 van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 2 juni 2005.

6 Het middel spreekt onder 1.4, tweede alinea, van het doorgeven van inkomsten, terwijl onder 1.5 van het opgeven van inkomsten en onder 3 van het melden van inkomsten sprake is.

7 Tweede Kamer 1992-1993, 22 969, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 6: "Als hoofddoel van het wetsvoorstel geldt het in het leven roepen van een regeling waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Daarom geldt als uitgangspunt dat bevrediging van schuldeisers geen voorwaarde kan zijn voor het bieden van uitzicht aan natuurlijke personen om als het ware weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar moet echter tegenoverstaan dat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers." Zie ook p. 9: "De schuldenaar moet gedurende een door de rechter in het herstelplan vast te stellen periode van ten hoogste vijf jaren zoveel mogelijk activa in de boedel zien te brengen."

8 Tweede Kamer 1992-1993, 22 969, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 59.

9 Tweede Kamer 1992-1993, 22 969, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 9: "Het begrip inkomen moet hierbij in de meest ruime zin worden opgevat."

10 HR 15 februari 2002, R01/100, NJ 2002, 259, rov. 3.2.1 en 3.2.2.

11 HR 4 november 2005, R04/136HR, LJN: AT5574, JOL 2005, 615, rov. 3.3, slotzin.

12 Uit het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 september 2003, waarnaar het hof in rov. 3.4, laatste tekstblok heeft verwezen, blijkt overigens dat zich al eerder een incident had voorgedaan met betrekking tot een tijdens een huiszoeking bij [verzoeker] c.s. aangetroffen geldbedrag van € 930,-, welk bedrag [verzoeker 1] van vrienden zou hebben gekregen, maar dat uiteindelijk toch op de boedelrekening is gestort.

13 Vgl. de onder 2.3 bedoelde en door de Hoge Raad bij schending van de algemene informatieplicht gehanteerde maatstaf, volgens welke het (ook bij het al dan niet verlenen van de "schone lei") erop aankomt "of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt".

14 Zie bijv. R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 172-176, in het bijzonder p. 176 bovenaan, en Polak-Wessels, Schuldsanering natuurlijke personen (1999), p. 183-185, in het bijzonder nr. 9388.