Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU9724

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
C05/080HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU9724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitleveringsrecht. Geschil tussen de Staat en betrokkene - wiens uitlevering tot strafvervolging voor meer strafbare feiten bij onherroepelijke uitspraak voor één van de feiten als gevolg van een kennelijke vergissing ontoelaatbaar was verklaard en die voor de andere feiten was uitgeleverd - over de rechtmatigheid van de aanvullende toestemming tot uitlevering door Minister van Justitie ter zake van dat ene feit (art. 12 Uitleveringswet) op verzoek ex art. 14 EUV, strijd met EUV en Uitleveringswet?

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 14, geldigheid: 2006-04-14
Uitleveringswet 12, geldigheid: 2006-04-14
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 239
NJ 2006, 446
RvdW 2006, 389
JWB 2006/131

Conclusie

C05/080HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 13 januari 2006 (bij vervroeging: kort geding)

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

Staat der Nederlanden

In dit kort geding is aan de orde de rechtmatigheid van een door de minister van Justitie op de voet van art. 12 Uitleveringswet verleende toestemming voor de strafvervolging in het buitenland van de opgeëiste persoon voor een feit waarvoor de Nederlandse rechter eerder de uitlevering ontoelaatbaar had geoordeeld.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof in rov. 3 van het bestreden arrest heeft vastgesteld:

1.1.1. Eiser tot cassatie, die zowel de Britse als de Nigeriaanse nationaliteit bezit, is op 27 juli 2003 op Schiphol aangehouden teneinde te worden uitgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk.

1.1.2. Bij uitspraak van 21 oktober 2003 heeft de rechtbank te Haarlem de uitlevering toelaatbaar geoordeeld voor, kort gezegd, strafvervolging ter zake van de invoer in het Verenigd Koninkrijk van cocaïne, amfetamine en cannabis, maar ontoelaatbaar verklaard voor strafvervolging ter zake van de invoer van diamorfine.

1.1.3. De door de rechtbank gegeven reden voor deze ontoelaatbaarverklaring was dat diamorfine niet voorkomt op de bij de Opiumwet behorende lijst I of II en de invoer van die stof derhalve niet strafbaar is in Nederland. Aldus zou niet zijn voldaan aan het in het uitleveringsrecht geldende vereiste van dubbele strafbaarheid.

1.1.4. Eiser heeft tegen de uitspraak van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft het cassatieberoep later ingetrokken, waarmee de uitspraak onherroepelijk is geworden.

1.1.5. Bij beschikking van 23 januari 2004 heeft de minister van Justitie, geheel overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, het verzoek van het Verenigd Koninkrijk tot uitlevering van eiser gedeeltelijk toegestaan en gedeeltelijk (ten aanzien van het diamorfine-feit) geweigerd.

1.1.6. Vervolgens is eiser uitgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk.

1.1.7. Stellende dat de gedeeltelijke afwijzing van het uitleveringsverzoek op een kennelijke misslag berust omdat diamorfine een andere benaming is voor heroïne en de invoer van die stof wel strafbaar is in zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk, hebben de bevoegde Britse autoriteiten aan de Nederlandse minister van Justitie op de voet van art. 14 lid 1 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) toestemming gevraagd om eiser alsnog mede te kunnen vervolgen voor het diamorfine-feit.

1.1.8. De minister van Justitie heeft op 4 juni 2004 de gevraagde toestemming verleend.

1.1.9. De behandeling van de strafzaak in het Verenigd Koninkrijk tegen eiser is op 19 juli 2004 aangevangen en heeft geresulteerd in een vonnis waarbij eiser, mede voor het feit waarvoor op 4 juni 2004 aanvullende toestemming is verleend, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaar. Eiser heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest was op dat hoger beroep nog niet beslist.

1.2. Bij inleidende dagvaarding van 30 juni 2004 heeft eiser de Staat in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage. Eiser heeft na wijziging van eis gevorderd - primair - dat bij vonnis wordt bepaald dat de aanvullende toestemming door de Staat moet worden ingetrokken en dat alsnog slechts toestemming voor uitlevering wordt verleend conform de beschikking van 23 januari 2004. Subsidiair, voor het geval de uitspraak van de rechtbank te Haarlem niet langer maatgevend wordt geacht, heeft eiser gevorderd te bepalen dat de Staat de toestemming tot zijn uitlevering in het geheel zal intrekken.

1.3. Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat het verlenen van de aanvullende toestemming voor vervolging in het Verenigd Koninkrijk voor het diamorfine-feit onrechtmatig is jegens hem. De rechtbank te Haarlem heeft in haar aangehaalde uitspraak immers beslist dat eiser voor het diamorfine-feit niet mocht worden uitgeleverd. Het moge zijn dat die uitspraak op een vergissing berustte(1), maar zij is onherroepelijk geworden zonder dat van de zijde van de Staat daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen dat de Staat die uitspraak naast zich neerlegt. In ieder geval mocht eiser op de naleving van de uitspraak van de rechtbank vertrouwen. De handelwijze van de minister, om toch aanvullende toestemming te geven voor vervolging ter zake van het diamorfine-feit, is volgens eiser in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

1.4. De Staat heeft als verweer onder meer aangevoerd dat de minister van Justitie op grond van art. 14, lid 1 aanhef en onder a, EUV verplicht was de verzochte toestemming te verlenen. De uitspraak van de rechtbank te Haarlem stond hieraan niet in de weg. De minister heeft die uitspraak nageleefd, door op 23 januari 2004 de door de Britse autoriteiten verzochte uitlevering gedeeltelijk toe te staan en gedeeltelijk te weigeren. Na de weigering van een uitleveringsverzoek kan de verzoekende Staat opnieuw een uitleveringsverzoek indienen; het uitleveringsrecht verzet zich daartegen niet. In dit geval was eiser feitelijk al aan het Verenigd Koninkrijk uitgeleverd en zou een herhaald uitleveringsverzoek daarom geen zin hebben gehad. In plaats daarvan hebben de Britse autoriteiten op grond van art. 14 EUV aanvullende toestemming tot vervolging verzocht. Deze toestemming is door de minister verleend.

1.5. Bij vonnis van 16 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. De voorzieningenrechter heeft overwogen, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, dat de minister van Justitie op grond van art. 14 lid 1 EUV toestemming kan geven, ook indien in een eerdere instantie de rechter negatief heeft beslist en op het uitleveringsverzoek negatief is beschikt. De voorzieningenrechter heeft de beslissing van de minister van Justitie van 4 juni 2004 getoetst aan de bepalingen van het EUV en de Uitleveringswet. In dit kader is tussen partijen met name in discussie of er sprake is van dubbele strafbaarheid en of eiser is geslaagd in zijn onschuldverweer. De eerste vraag is door de voorzieningenrechter bevestigend beantwoord, de tweede vraag ontkennend.

1.6. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij heeft onder meer erop gewezen dat in de - hierna nog te bespreken - vakliteratuur maar twee gevallen zijn genoemd waarin aanvullende toestemming ex art. 12 UW kan worden verleend nadat de rechter negatief had beslist over een uitleveringsverzoek; het onderhavige geval behoort daartoe niet.

1.7. Bij arrest van 23 december 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Het hof overwoog dat de twee in de vakliteratuur beschreven gevallen een rechtvaardiging vinden in de omstandigheid dat, materieel beschouwd, geen sprake is van een onverenigbaarheid van de aanvullende toestemming en het voorafgaande oordeel van de rechter over de toelaatbaarheid van de uitlevering, althans niet in zodanige mate dat inbreuk wordt gemaakt op de waarborgen waarop de betrokkene krachtens wet en verdrag aanspraak heeft. Niet kan worden gezegd dat zich geen andere uitzonderingsgevallen dan deze kunnen voordoen (rov. 9). Nu de uitspraak van de Haarlemse rechtbank op een kennelijke misslag berust en niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de rechtbank zonder die misslag de verzochte uitlevering toelaatbaar zou hebben verklaard, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een materiële onverenigbaarheid als in rov. 9 bedoeld. De verleende aanvullende toestemming, waartoe de minister krachtens het EUV in beginsel was gehouden, is daarom niet onrechtmatig jegens eiser (rov. 10). Het hof verwierp voorts het beroep van eiser op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, alsook het standpunt dat de beslissing van de minister in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (rov. 11-13). Ten slotte overwoog het hof dat een toetsing van de beslissing positief voor de Staat uitvalt:

met name is sprake van dubbele strafbaarheid, bestond een redelijke verdenking en is het onschuldverweer van eiser voldoende onderzocht (rov. 14).

1.8. Eiser heeft tegen dit arrest - tijdig(2) - beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna zijdens eiser is gerepliceerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I richt zich met een rechtsklacht tegen rov. 9 en 10, waarin het hof het standpunt van eiser heeft verworpen dat de uitspraak van de rechtbank te Haarlem in de weg staat aan het verlenen van aanvullende toestemming om eiser ter zake van het diamorfine-feit in Groot-Brittannië te vervolgen. De klacht houdt in dat het de minister van Justitie niet vrijstond aanvullende toestemming te geven tot vervolging in Groot-Brittannië voor een feit, ten aanzien waarvan de rechtbank te Haarlem de inwilliging van het uitleveringsverzoek van Groot-Brittannië ontoelaatbaar had verklaard. De toelichting op de klacht komt in essentie neer op een herhaling van het in de feitelijke instanties door eiser ingenomen standpunt.

2.2. Alvorens deze klacht te bespreken, maak ik enkele opmerkingen over het toepasselijke recht. Art. 2 lid 3 van de Grondwet stelt voorop dat uitlevering slechts kan geschieden krachtens een verdrag. Art. 2 van de Uitleveringswet (UW)(3) herhaalt deze regel. In dit geval, waarin het Verenigd Koninkrijk uitlevering heeft verzocht, gaat het om het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV)(4). Op 13 juni 2002 is door de Raad van de Europese Unie een Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedure van overlevering tussen de lidstaten aangenomen(5). Naar aanleiding hiervan is de Overleveringswet tot stand gebracht(6). Art. 74 lid 4 van de Overleveringswet bepaalt dat de Uitleveringswet van toepassing blijft op de behandeling van een verzoek tot uitlevering en op de in verband daarmee te nemen beslissingen, in de gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet(7) zijn ontvangen door de minister van Justitie. In de onderhavige zaak dateert het uitleveringsverzoek van 8 augustus 2003(8) en het verzoek om (aanvullende) toestemming van februari 2004(9), zodat hierop nog de regels van de UW van toepassing zijn. De implementatietermijn van het Kaderbesluit verstreek op 31 december 2003(10) en het Kaderbesluit gaat in art. 31 ervan uit dat dit besluit ingaande 1 januari 2004 de plaats inneemt van het EUV in de betrekkingen tussen de lidstaten. Art. 27 Kaderbesluit, dat de aanvullende toestemming na overlevering regelt, heeft betrekking op de onder het nieuwe recht overgeleverde personen, zodat de toelaatbaarheid van de litigieuze aanvullende toestemming toch zal moeten worden beoordeeld aan de hand van het EUV.

2.3. Art. 1 EUV houdt in dat de verdragsluitende Staten zich verbinden om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden van het verdrag, elkander de personen uit te leveren die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij worden vervolgd ter zake van een strafbaar feit. Art. 14 lid 1 EUV bevat het zgn.`specialiteitsbeginsel'(11):

"De uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen, wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen:

(a) wanneer de Partij die hem uitgeleverd heeft, erin toestemt. Daartoe moet een verzoek worden ingediend vergezeld van de in artikel 12 genoemde stukken en van een door een rechterlijk ambtenaar opgemaakt proces-verbaal, waarin de verklaringen van de uitgeleverde persoon zijn opgenomen. De toestemming wordt gegeven(12), indien het strafbare feit waarvoor zij verzocht wordt, op zichzelf de verplichting tot uitlevering krachtens dit Verdrag meebrengt. (13)

(b) (...)".

2.4. De Uitleveringswet, i.h.b. art. 33, brengt mee dat een verzoek aan Nederland om uitlevering van een bepaalde persoon wordt gericht tot de minister van Justitie, die daarop beslist. Voordat deze zijn beslissing neemt, wordt het verzoek via de officier van justitie voorgelegd aan de rechtbank teneinde de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering te doen beoordelen. Art. 28 UW bepaalt dat de rechter tot een ontoelaatbaarverklaring komt: (i) indien de overgelegde stukken niet voldoen aan de eisen van art. 18 UW of aan nadere vereisten gesteld bij het toepasselijke verdrag, (ii) indien het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is(14) of (iii) indien ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. In het andere geval verklaart de rechtbank de uitlevering toelaatbaar, met vermelding van het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan cassatieberoep worden ingesteld.

2.5. Nadat de rechter uitspraak heeft gedaan over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, neemt de minister van Justitie zijn beslissing. Indien de rechter de verzochte uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, kan de minister - voor zover het toepasselijke uitleveringsverdrag hem die ruimte biedt - de uitlevering toestaan of weigeren. Indien en voor zover de uitlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, heeft de minister geen keuze: in dat geval wordt afwijzend op het uitleveringsverzoek beschikt (zie art. 33 lid 2 UW). Zo is ook in dit geval geschied(15).

2.6. Het eerder genoemde `specialiteitsbeginsel' is voor wat betreft de inkomende uitleveringsverzoeken neergelegd in het eerste lid van art. 12 UW:

"Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft, of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd."

Het tweede lid van art. 12 UW regelt de wijze waarop in Nederland uitvoering wordt gegeven aan een verzoek als bedoeld in art. 14 lid 1 EUV:

"Onze Minister kan de in het vorige lid bedoelde toestemming geven ten aanzien van:

a. strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon, krachtens het toepasselijke verdrag, aan de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan had kunnen worden uitgeleverd;

b. andere feiten, voor zover deze zowel naar het recht van de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan als naar dat van Nederland strafbaar zijn en de mogelijkheid van uitlevering daarvoor niet krachtens de artikelen 8 - 11 van deze wet is uitgesloten."

Op grond van art. 12 UW kan niet alleen aanvullende toestemming worden gegeven voor de vervolging in het buitenland ter zake van feiten die ná de uitlevering ter kennis zijn gekomen van de verzoekende Staat, maar ook voor feiten die reeds vóór de uitlevering zijn begaan en bekend waren bij de verzoekende Staat doch niet ten grondslag zijn gelegd aan het uitleveringsverzoek(16).

2.7. Het valt op dat, anders dan bij een uitleveringsverzoek, de toelaatbaarheid van de inwilliging van een verzoek om aanvullende toestemming als bedoeld in art. 12 UW niet vooraf aan het oordeel van de rechter behoeft te worden onderworpen(17). Tegen het besluit van de minister van Justitie om op grond van art. 12 UW (aanvullende) toestemming aan de verzoekende Staat te verlenen is in de Uitleveringswet geen rechtsmiddel opengesteld(18). De burgerlijke rechter, al dan niet in kort geding, treedt in deze gevallen op als `rest-rechter'(19).

2.8. In de vakliteratuur zijn twee gevallen besproken waarin de rechter de uitlevering niet toelaatbaar heeft geoordeeld en de minister van Justitie op grond van art. 12 UW de verzoekende Staat aanvullende toestemming kan geven om de opgeëiste persoon te vervolgen(20). Het eerste betreft de situatie waarin de verzochte uitlevering ontoelaatbaar is geacht omdat het feit is bedreigd met een straf waarvoor het verdrag niet tot uitlevering verplicht(21). Is de betrokkene uitgeleverd voor een of meer andere feiten, dan kan alsnog toestemming worden verleend voor de vervolging in de verzoekende Staat(22). Het tweede betreft de situatie waarin de rechter de verzochte uitlevering ontoelaatbaar had verklaard wegens ongenoegzaamheid van de door de verzoekende Staat overgelegde stukken(23).

2.9. De vraag die door het middel aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, vloeit voort uit de zienswijze van eiser dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat, wanneer de Nederlandse rechter de uitlevering ter vervolging voor een bepaald feit ontoelaatbaar heeft verklaard, een verzoek om aanvullende toestemming tot de vervolging van dat feit in de desbetreffende Staat zou worden toegewezen. In eisers zienswijze wordt, dunkt me, miskend dat in het uitleveringsrecht na afwijzing van een eerder uitleveringsverzoek met betrekking tot hetzelfde feit opnieuw een uitleveringsverzoek kan worden gedaan(24). Na binnenkomst van een nieuw uitleveringsverzoek wordt de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering opnieuw onderzocht. Dit is niet uitzonderlijk: denkbaar is dat feitelijke of juridische beletselen voor uitlevering na verloop van tijd zijn weggenomen. Anders gezegd: de rechtbank, die de toelaatbaarheid van een uitleveringsverzoek beoordeelt, doet niet een uitspraak over de toelaatbaarheid in het algemeen van uitlevering van de opgeëiste persoon aan de verzoekende Staat, maar doet slechts uitspraak over de toelaatbaarheid van de inwilliging van een concreet uitleveringsverzoek.

2.10. Indien er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden heeft een herhaald uitleveringsverzoek geen zin: wanneer de Nederlandse rechter eerder een identiek uitleveringsverzoek ontoelaatbaar heeft verklaard, zal de rechter een herhaald verzoek op dezelfde gronden ontoelaatbaar verklaren. Indien het oordeel over het voorafgaande uitleveringsverzoek echter op een vergissing berustte, zal de rechter zich aan dat oordeel niet gebonden achten bij de beoordeling van een volgend uitleveringsverzoek.

2.11. Indien, zoals in dit geval, de betrokkene reeds is uitgeleverd aan de verzoekende Staat voor andere misdrijven heeft het geen zin om een uitlevering te verzoeken. In verband met het in art. 14 EUV neergelegde specialiteitsbeginsel heeft de verzoekende Staat, nadat de betrokkene aan hem is uitgeleverd, wel een belang bij het verkrijgen van toestemming tot vervolging voor een ander feit dan dat waarvoor de uitlevering heeft plaatsgevonden. Bij de beslissing of het verzoek om aanvullende toestemming als bedoeld in art. 14 EUV/art. 12 UW kan worden ingewilligd geldt, net als bij een tweede uitleveringsverzoek, dat de toelaatbaarheid opnieuw dient te worden onderzocht.

2.12. Keijzer, t.a.p., verwijst in dit verband naar een uitspraak van de toenmalige Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 19 mei 1989(25). Een rechtbank had de uitlevering van een persoon aan Duitsland gedeeltelijk ontoelaatbaar en gedeeltelijk toelaatbaar verklaard, waarop de minister conform die uitspraak de uitlevering slechts voor een gedeelte van de feiten had toegestaan. Na de uitlevering werd door de Duitse autoriteiten alsnog aan de Nederlandse minister van Justitie toestemming verzocht voor de vervolging in Duitsland ter zake van feiten waarvoor eerder de uitlevering was geweigerd. De opgeëiste persoon betoogde dat het verlenen van toestemming in strijd was met het stelsel van de Uitleveringswet. De Afdeling verwierp dit betoog, daartoe overwegend dat de minister van Justitie op grond van art. 14, eerste lid, aanhef en onder a, EUV verplicht was de gevraagde toestemming te verlenen. De Afdeling kwam tot de slotsom:

"Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van het Europees Uitleveringsverdrag biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat het verlenen van toestemming als in deze bepaling bedoeld niet mogelijk is voor feiten, ten aanzien waarvan de uitlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard en vervolgens de uitlevering met inachtneming van artikel 33, tweede lid, van de Uitleveringswet is geweigerd."

2.13. Het stelsel van de Uitleveringswet brengt mee dat de toelaatbaarheid van een (al dan niet herhaald) uitleveringsverzoek aan de rechtbank moet worden voorgelegd voordat de minister daarop beslist. Een verzoek om aanvullende toestemming als bedoeld in art. 12 UW behoeft niet tevoren aan de rechtbank te worden voorgelegd. Enige behoedzaamheid is hierbij geboden: indien een verzoekende Staat verwacht dat inwilliging van een verzoek tot uitlevering ter vervolging voor bepaalde feiten op bezwaren van juridische aard zal stuiten, zou die Staat wellicht in de verleiding kunnen komen, eerst aan Nederland uitlevering te verzoeken voor een feit of feiten waarvoor probleemloos uitlevering kan worden verkregen en vervolgens, nadat de uitlevering een feit is, aanvullende toestemming tot vervolging te verzoeken, wetende dat de minister van Justitie zonder voorafgaande rechterlijke controle op zo'n verzoek kan beslissen(26).

2.14. Wat daarvan zij, de in verband hiermee te vergen behoedzaamheid behoeft in dit geval niet tot een andersluidende beslissing te leiden. Weliswaar heeft geen voorafgaande rechterlijke toetsing plaatsgevonden van de toelaatbaarheid van de inwilliging van het verzoek, maar dit neemt niet weg dat het hof in het bestreden arrest - achteraf - wel heeft getoetst of de inwilliging van het verzoek in overeenstemming met de verdragsrechtelijke en de wettelijke normen is geweest, i.h.b. ten aanzien van het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Middel I kan op deze gronden worden verworpen.

2.15. Middel II richt zich tegen rov. 11. De klacht houdt samengevat in dat het hof heeft miskend dat, toen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem onherroepelijk was geworden door de intrekking van eisers cassatieberoep, eiser aan die uitspraak het vertrouwen mocht ontlenen dat hij in het Verenigd Koninkrijk niet zou kunnen worden vervolgd ter zake van het diamorfine-feit. De minister, die geen cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem heeft laten instellen en die zich in zijn beschikking van 23 januari 2004 aan die uitspraak heeft geconformeerd door de verzochte uitlevering gedeeltelijk te weigeren, zou hierop niet kunnen terugkomen.

2.16. Voor zover deze klacht voortbouwt op middel I, faalt zij op dezelfde gronden als dat middel. Zowel het oordeel van de rechtbank te Haarlem als de beschikking van 23 januari 2004 hadden alleen betrekking op het uitleveringsverzoek dat destijds ter beoordeling stond. Over de toelaatbaarheid van een (toen nog niet gedaan) verzoek van de Britse autoriteiten om aanvullende toestemming als bedoeld in art. 14 EUV/art. 12 UW is noch door de rechtbank te Haarlem noch in de beschikking van 23 januari 2004 een uitspraak gedaan. Het rechtszekerheidsbeginsel staat om die reden niet in de weg aan de beslissing. Om dezelfde reden kon het hof ook tot de slotsom komen dat het vertrouwensbeginsel(27) niet in de weg stond aan het verlenen van aanvullende toestemming. Ten overvloede: een eventuele schending van het vertrouwensbeginsel volgens het nationale recht van de aangezochte Staat kan niet de verdragsrechtelijke verplichting tot het verlenen van de aanvullende toestemming wegnemen(28). Middel II leidt om deze redenen niet tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Tussen partijen is niet in discussie dat de rechtbank zich heeft vergist (vgl. inl. dagvaarding onder 16). Inzage van lijst I van de Opiumwet, zoals vastgesteld bij KB van 13 juli 2002, Stb. 520 (i.w.tr. 17 maart 2003), leert dat diamorfine een andere naam is voor heroïne.

2 De cassatietermijn in kort geding bedraagt op grond van art. 339 lid 2 jo. 402 lid 2 Rv acht weken.

3 Wet van 9 maart 1967, Stb. 1967, 139.

4 Verdrag van 13 december 1957, Trb. 1965, 9. Volledigheidshalve worden ook vermeld: het Aanvullend protocol van 15 oktober 1975, Trb. 1979, 119, en het Tweede aanvullend protocol van 17 maart 1978, Trb. 1979, 120; men lette op een door Groot-Brittannië gemaakt voorbehoud. De Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie van 27 september 1996, Trb. 1996, 304, is niet in werking getreden in verband met de totstandkoming van het Kaderbesluit.

5 2002/584/JBZ, Pb. EG L 190, ook opgenomen in T&C intern. Sr.

6 Wet van 29 april 2004, Stb. 2004, 195, gewijzigd bij wet van 7 april 2005, Stb. 2005, 194.

7 De Overleveringswet is op 12 mei 2004 in werking getreden.

8 Zie de beschikking van de rechtbank te Haarlem, blz. 1 (prod. 1 bij de inleidende dagvaarding).

9 Zie prod. 1 bij de pleitnota in eerste aanleg zijdens de Staat.

10 Zie art. 34 van het Kaderbesluit. Zie ook de overgangsbepaling in art. 32 van het Kaderbesluit.

11 Zie over het specialiteitsbeginsel in het uitleveringsrecht in het algemeen: J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht (2002), blz. 115-124; J. Remmelink, Uitlevering (1990), blz. 94-96; A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht (1986) hoofdstuk 12; en m.b.t. uitlevering aan de V.S.: H. van der Wilt, DD 2001, blz. 722-734.

12 Dat hier inderdaad een verplichting is beoogd, volgt uit het Explanatory Report bij deze verdragsbepaling:"The third sentence of this sub-paragraph lays down that, if it follows from the request made and the documents produced by the requesting Party that the offence for which extention of the extradition is requested comes within the field of application of the Convention, the requested Party is obliged to agree to such extention". Het Explanatory Report is opgenomen in: J. Remmelink, Uitlevering (1990), blz. 239. Vgl.: F. Thomas, De Europese rechtshulpverdragen in strafzaken (1980), blz. 207.

13 Ingevolge art. 10 van de genoemde Overeenkomst aangaande de uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (27 september 1996, Trb. 1996, 304), vervalt het toestemmingsvereiste voor vier met name vermelde gevalstypen; zij zijn in dit geding niet aan de orde. In art. 11 van die Overeenkomst wordt de mogelijkheid geopend van een generieke toestemming als bedoeld in art. 12 EUV; ook die is niet verleend.

14 Deze toetsingsgrond omvat onder meer de beoordeling of voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, d.w.z. dat de gedraging waarvoor uitlevering tot vervolging is verzocht zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar Nederlands recht strafbaar moet zijn (zie voor dit vereiste; art. 5 en 6 UW; art. 2 EUV).

15 Een bijzonderheid is de situatie waarin de rechtbank uitsluitend vanwege de ongenoegzaamheid van de door de verzoekende Staat overgelegde stukken de verzochte uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard. In dat geval kan de minister de beslissing aanhouden en de autoriteiten van de verzoekende Staat in de gelegenheid stellen nadere stukken over te leggen. Vervolgens kan de toelaatbaarheid van de uitlevering opnieuw aan de rechtbank worden voorgelegd (zie art. 33, leden 3 - 6, en art. 34 UW).

16 HR 14 juni 1996, NJ 1996, 673, rov. 3.3 en 3.4.

17 A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht (1986), blz. 369, veronderstelt dat de beslissingsbevoegdheid bij de minister is gelegd omdat hij beter dan de rechter kan beoordelen of de verzoekende Staat op dit punt het vereiste vertrouwen verdient en omdat hij, anders dan een rechter, van de verzoekende Staat eventueel bepaalde garanties kan verlangen.

18 Aangezien de gehele Uitleveringswet is opgenomen in de zgn. negatieve lijst (Bijlage) bij de Algemene wet bestuursrecht, is evenmin bezwaar of beroep op grond van de Awb mogelijk.

19 Vgl. J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht (2002), blz. 140.

20 Zie respectievelijk: J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht (2002), blz. 116 en N. Keijzer, in: losbl. Handboek Strafzaken, nr. 91.12.1.

21 In art. 2 lid 1 EUV: een vrijheidsstraf van ten minste één jaar. In de genoemde Overeenkomst van 27 september 1996 zijn, voor uitlevering tussen EU-lidstaten, ruimere maatstaven opgenomen.

22 Vgl. art. 2 lid 2 EUV en art. 1 van het Tweede Aanvullende Protocol bij het EUV.

23 Zie voetnoot 14.

24 Zie hierover: A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht (1986), blz. 379-382. Ter voorkoming van mogelijk misverstand: in een ander opzicht is in het uitleveringsrecht wel sprake van een ne bis in idem-regel, namelijk wanneer de uitlevering wordt verzocht voor een feit waarvoor de opgeëiste persoon al eerder is vervolgd of veroordeeld: zie daarover art. 9 UW en art. 8 en 9 EUV; HR 16 april 1985, NJ 1986, 478 m.nt. AHJS, rov. 5.3.

25 R02882938.Sp304.

26 Zie: A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht (1986), blz. 349-350.

27 Eiser heeft niet het oog op de term `vertrouwensbeginsel' zoals die doorgaans in het uitleveringsrecht wordt gehanteerd, namelijk in de betekenis van het vertrouwen dat de aangezochte Staat in de verzoekende Staat behoort te stellen, i.h.b. waar het gaat om de respectering van de mensenrechten. Eiser doelt kennelijk op een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel in de betekenis van het niet zonder goede grond terugkomen door het bestuur op een eerder genomen besluit, c.q. op het vertrouwen dat de minister ook bij het verlenen van de toestemming het eerdere oordeel van de rechtbank over het ontbreken van dubbele strafbaarheid zou volgen.

28 Volgens ARRvS 19 mei 1989, reeds aangehaald, prevaleert de verdragsverplichting boven art. 12 UW.