Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU9240

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
R05/069HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU9240
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen voormalige echtelieden omtrent de wijziging van de in echtscheidingsbeschikking vastgestelde kinderalimentatie, staking door vader van mondeling overeengekomen bijdrage in de kosten van de paardrijhobby, wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/87
JOL 2006, 274
RFR 2006, 85
RvdW 2006, 455
JWB 2006/153

Conclusie

Zaaknr. R05/069HR

Mr. Huydecoper

Parket, 6 januari 2006

Conclusie inzake

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1) Het gaat in deze zaak om het volgende:

blijkens rov. 4.7 van de in cassatie bestreden beschikking hebben de partijen ten tijde van een tussen hen gevoerde echtscheidingsprocedure mondeling afgesproken dat de verweerder in cassatie, de man, in aanvulling op het bedrag van de kinderalimentatie zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking, de kosten verbonden aan de paardrij-hobby van de dochters van partijen voor zijn rekening zou nemen.

Over deze afspraak is geschil ontstaan nadat de verzoekster tot cassatie, de vrouw, zonder daarover met de man overleg te plegen het paard van de dochters heeft laten overbrengen van een stalling in [plaats A] naar een manege in [plaats B]. De man heeft toen het standpunt ingenomen (en tot op heden gehandhaafd), dat de overeenkomst er toe strekte dat hij de kosten (van de paardrij-hobby dan wel van het paard) alleen voor zijn rekening zou nemen in de situatie dat het paard in [plaats A] gestald zou blijven. Hij heeft dan ook niet meer in de kosten bijgedragen. De vrouw geeft een andere (ruimere) uitleg aan de overeenkomst.

2) Naar aanleiding van het zojuist kort omschreven geschil heeft de vrouw een verzoek ingediend tot wijziging van het bedrag aan kinderalimentatie zoals dat in de echtscheidingsbeschikking was bepaald. Zij verzocht om de bijdragen met ingang van 1 december 2002 te bepalen op € 770,- per kind en per maand.

In de eerste aanleg heeft de rechtbank aan dit verzoek gedeeltelijk gevolg gegeven.

3) De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Namens de man werd incidenteel appel ingesteld. Daarin - dat wil zeggen: in het incidenteel appel - werd onder meer als grief aangevoerd dat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden die aanleiding konden geven tot wijziging van de aanvankelijk vastgestelde kinderalimentatie, en dat de vrouw daarom in haar verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

Dit verweer werd door het hof gehonoreerd.

Het namens de vrouw (tijdig en regelmatig) ingestelde cassatieberoep bestrijdt dit oordeel. Van de kant van de man is bij verweerschrift verwerping aanbevolen.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4) De beslissing van het hof rust op de volgende motivering:

"4.7 Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is het hof gebleken dat partijen ten tijde van de echtscheidingsprocedure mondeling hebben afgesproken dat de man, in aanvulling op het bedrag aan kinderalimentatie zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking, de kosten verbonden aan de paardrijhobby van de dochters van partijen voor zijn rekening zou nemen. Op het moment van deze onderlinge afspraak stond het paard van de dochters gestald bij familie [A] te [plaats A]. De vrouw heeft, zonder hierover overleg te plegen met de man, het paard verplaatst naar een manege te [plaats B]. Sindsdien verschillen partijen over de inhoud van voornoemde mondelinge overeenkomst en de nakoming hiervan. De vrouw stelt zich daarbij op het standpunt dat de man aanvullend aan de in de echtscheidingsbeschikking neergelegde kinderalimentatie alle kosten verbonden aan het paard respectievelijk de paardrijhobby van de dochters zou betalen. Volgens de man is de inhoud van de mondelinge overeenkomst dat hij voormelde kosten alleen voor zijn rekening zou nemen in de situatie dat het paard bij de familie [A] gestald zou blijven.

Nu de stellingen van de vrouw, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, gericht zijn tegen de tussen partijen overeengekomen mondelinge overeenkomst, is het hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals bedoeld in art. 1:401 BW, die maakt dat de kinderalimentatie zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking dient te worden gewijzigd. De vrouw heeft, nu zij feitelijk verzoekt om de nakoming van een mondelinge overeenkomst, een onjuiste procedure gestart en zal derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in haar inleidend verzoekschrift."

5) Ik lees het middel zo, dat daarin een tweeledige klacht staat: het hof zou op onvoldoende begrijpelijke gronden hebben geoordeeld dat de vrouw "feitelijk verzoekt om nakoming van een mondelinge overeenkomst" (zie in het bijzonder alinea 2.8 van het cassatierekest); en de weigering van de man om de kosten van de paardrij-hobby verder te betalen (het middel spreekt van: "in natura te voldoen") zou wél zijn aan te merken als een wijziging van de omstandigheden die het namens de vrouw gedane verzoek kan rechtvaardigen - of het oordeel van het hof dat dat niet het geval is zou (eveneens) onvoldoende begrijpelijk zijn (alinea 2. 9 van het cassatierekest).

6) Voor de beoordeling van het middel lijkt mij van belang, dat de wet voor het verzoek tot wijziging van een alimentatieverplichting wegens gewijzigde omstandigheden en voor het verzoek tot nakoming, althans: tot vastlegging van een (al-dan-niet mondeling aangegane) overeenkomst inzake alimentatie in een executoriale titel, dezelfde rechtsgang voorschrijft, en wel: exclusief, in die zin dat er geen ruimte is om deze verlangens in een andere rechtsgang aan de rechter voor te leggen(2).

Het gaat dan, in beide gevallen, om de verzoekschriftprocedure, met toepassing van de bijzondere regels van de (eerste afdeling van de) zesde titel van Boek III Rv.

7) Wanneer het (zoals in de onderhavige zaak het geval lijkt te zijn) partijen vooral om uitleg van hun alimentatieovereenkomst te doen is geldt, denk ik, evenzeer dat de rekestprocedure aangewezen is: een verschillende rechtsgang, al naar gelang het (alleen) om nakoming van een alimentatieovereenkomst of (alleen) om uitleg daarvan zou gaan, dringt zich als uitermate bezwaarlijk op; en het nieuwe procesrecht in zaken betreffende het personen- en familierecht was, o.a. blijkens de in voetnoot 2 aangehaalde bronnen, juist bedoeld om een eenvormige (en eenvoudige) rechtsgang voor alle onder die noemer vallende zaken te bieden.

8) Tegen die achtergrond deel ik, met de steller van het middel, het gevoel dat onvoldoende begrijpelijk is wat het hof bij het in alinea 2.8 van het cassatierekest aangewezen oordeel voor ogen heeft gestaan.

Zou het verzoek van de vrouw inderdaad louter strekken tot nakoming van de overeenkomst die het hof eerder als vaststaand had beoordeeld, dan valt niet in te zien waarom er sprake van zou zijn dat de vrouw "een onjuiste procedure (heeft) gestart". De procedure die zij in gang had gezet is juist beschikbaar, als met het oog op de nakoming van een alimentatieafspraak een executoriale titel wordt gevraagd (en in alinea 2.7 van het cassatierekest wordt met recht aangegeven dat namens de vrouw was aangevoerd dat het haar dáár om (dat wil zeggen: om de verkrijging van een executoriale titel) te doen was)(3).

9) Daarom kan men veronderstellen dat het hof, waar het heeft overwogen dat de vrouw "feitelijk verzoekt om nakoming van een mondelinge overeenkomst" iets anders voor ogen heeft gezweefd dan de nakomingsactie die "gewoon" langs de weg van de verzoekschriftprocedure mag - en moet - worden ingeleid; maar wat dat dan geweest kan zijn, is mij bepaald niet helder.

10) Dat is temeer het geval omdat, zoals van de kant van de vrouw wordt benadrukt, haar verzoek er althans naar de letter genomen, niet toe strekte om nakoming te verkrijgen van wat partijen zouden hebben afgesproken (namelijk: dat de man de kosten van de paardrij-hobby van de dochters in deze of gene vorm voor zijn rekening zou nemen). Het verzoek strekte er immers toe, de ten titel van alimentatie voor de kinderen vastgestelde uitkering te verhogen tot een nader (maandelijks, vast) bedrag. Dat bedrag was, naar in de rede ligt, wel gekozen met het oog op de kosten die de paardrij-hobby zou vergen; maar betaling van de met de hobby gepaard gaande kosten is nu eenmaal iets anders dan betaling van een extra vast bedrag per maand, ten titel van kinderalimentatie, aan de vrouw. Het ene (de betaling van de nadere uitkering aan de vrouw) beoogt misschien wel "feitelijk" nakoming te bewerkstelligen van de volgens de vrouw geldende afspraak; maar het gaat dan toch om "nakoming" langs een indirecte weg, en dus "feitelijk" om iets dat niet zo maar met nakoming op een lijn kan worden gesteld.

11) Daarbij doet zich dan opnieuw voelen dat datgene wat de vrouw ogenschijnlijk wilde bereiken - ik parafraseer dat als: vervanging van de partijafspraak over de kosten van de paardrij-hobby door een vaste alimentatieverplichting die mede in de bestrijding van deze kosten zou voorzien - nu juist iets is, wat men in de alimentatie-rekestprocedure wèl aan de rechter kan voorleggen; en wat bovendien alléén langs die weg aan de rechter kan worden voorgelegd. Als het hof daarom voor ogen heeft gestaan dat de vrouw langs de zojuist aangegeven indirecte weg nakoming van de volgens haar bestaande afspraak wilde bewerkstelligen (en dat dat rechtens ongeoorloofd zou zijn), stuit men er weer op dat er in dit geval niet een "onjuiste procedure" was gekozen. Men had daarentegen de enige procedure gekozen die de wet hiervoor openstelt.

12) Mogelijk heeft het hof zich laten leiden door de gedachte dat de vrouw haar actie (nu eenmaal) had opgezet als een verzoek tot wijziging op de voet van art. 1:401 BW; en dat de gronden die voor toewijzing van een dergelijk verzoek vereist zijn, bleken te ontbreken. Nu het hof echter zelf vaststelde dat het verzoek van de vrouw strekte tot iets wat - wat het hof dan ook precies voor ogen moge hebben gestaan - wèl in de familierechtelijke verzoekschriftprocedure beoordeeld kan (en moet) worden, namelijk: nakoming, in deze of gene (directe of indirecte) vorm, van de over de paardrij-hobby gemaakte afspraak, blijft wat mij betreft ontoelaatbaar onduidelijk wat het hof heeft bewogen tot zijn oordeel dat er (ook in die context) een "onjuiste procedure" was gestart en dat niet-ontvankelijkheid de daarop logischerwijs volgende uitkomst was.

Ik zinspeelde er al op dat het middel volgens mij klachten inhoudt die op dit stramien hun grondslag vinden. Die klacht(en) beoordeel ik dus als gegrond.

13) Ook de tweede klacht die ik in het middel aantref (zie alinea 5 hiervóór), lijkt mij intussen gegrond. Wanneer partijen hebben afgesproken dat de alimentatieplichtige bepaalde kosten die overigens ten laste van de alimentatiegerechtigde komen, (rechtstreeks) voor zijn rekening zal nemen, en de alimentatieplichtige ophoudt zich conform die afspraak te gedragen(4) levert dat volgens mij gewoonlijk óók een wijziging in de omstandigheden op die herziening van de geldende alimentatieverplichtingen kan rechtvaardigen.

Dat dat zo is dringt zich enigszins op bij het in de praktijk met enige regelmaat voorkomende geval, dat de alimentatieplichtige partij de woonlasten van de alimentatiegerechtige partij (bijvoorbeeld in de vorm van de hypotheek-verplichtingen terzake van de echtelijke woning waar de alimentatiegerechtigde partij in woont) in een bepaalde omvang voor zijn rekening neemt. Het is gevestigde praktijk om met dat gegeven als omstandigheid rekening te houden en in voorkomend geval ook om, vooruitlopend op te verwachten wijzigingen in die omstandigheid (bijvoorbeeld: door verkoop van de echtelijke woning), op de voorhand al aan te geven wat de invloed daarvan op de alimentatieverplichting zal zijn. Maar ook als de ene partij ophoudt aan een regeling van de hier bedoelde strekking te voldoen, wordt dat aangemerkt als een wijziging in de omstandigheden waar wijziging van overigens geldende alimentatieverplichtingen aan kan worden verbonden.

14) De kosten van de paardrij-hobby vormen in dit verband een minder alledaagse variant; maar ik zie geen reden waarom die niet op dezelfde voet beoordeeld zouden (moeten) worden: er is, als met betrekking tot het dragen van die kosten (en ook: met betrekking tot de omvang van die kosten) veranderingen plaatsvinden, in beginsel sprake van een wijziging van de omstandigheden(5). Óf daardoor herziening van de alimentatie-verplichtingen gerechtvaardigd wordt, is daarmee nog niet gezegd; maar de vaststelling dat in het hier besproken geval geen wijziging aan de orde zou zijn die een wijzigingsverzoek zou kunnen dragen, moet wel berusten op een onjuiste rechtsopvatting of moet, op z'n minst genomen, gelden als onvoldoende deugdelijk gemotiveerd zolang daarvoor overigens geen dragende motivering wordt gegeven.

15) In alinea 2.10 van het cassatierekest wordt nog een klacht aangevoerd, met als uitgangspunt dat het hof zich zou hebben laten leiden door de gedachte dat, voorzover er wél gewijzigde omstandigheden waren, de vrouw de desbetreffende wijziging zelf zou hebben veroorzaakt.

Ik stel voorop dat die lezing van de bestreden beschikking mij onaannemelijk lijkt. Het hof heeft aangenomen dat er géén relevante wijziging van de omstandigheden zou zijn aangevoerd, en niet dat er wel gewijzigde omstandigheden zijn gebleken, maar dat die geen gewicht in de schaal mogen leggen.

16)Overigens (namelijk voor het geval de door mij als onaannemelijk beoordeelde lezing van de bestreden beschikking juist mocht blijken te zijn), klaagt het middel met recht dat het daar genoemde gegeven (dat de vrouw de wijziging in omstandigheden zelf zou hebben veroorzaakt) niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. Ik zou trouwens menen dat dat gegeven ook niet meebrengt dat het namens de vrouw aangevoerde bij de (her)beoordeling van de alimentatieverplichting buiten beschouwing mag worden gelaten(6); wat onverlet laat dat, voorzover mocht blijken dat de kosten van de paardrij-hobby door de thans gekozen oplossing voor de stalling van het paard wezenlijk zijn gewijzigd, de man goede gronden kan hebben om niet met de daaruit voortvloeiende lasten geconfronteerd te willen worden.

Conclusie

Ik concludeer dat de bestreden beschikking behoort te worden vernietigd, met verwijzing en met verdere beslissingen als gebruikelijk.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feiten zijn nader weergegeven in de rov. 4.1 en 4.2 van de in cassatie bestreden beschikking.

2 HR 2 mei 2003, NJ 2003, 467, rov. 3.3 en 3.4; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2005, Nauta, Inleidende opmerkingen bij Boek 3, Titel 6, aant. 2 (p. 1053); Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Doek, aant. 1 en aant. 3 sub a bij Boek III, Zesde titel Rv. (p. Boek III, Titel 6 - 1 e.v.)

3 Ik merk volledigheidshalve op dat ook wanneer gekozen wordt voor een "onjuiste procedure", als reactie daarop gewoonlijk niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid past, maar toepassing van de zgn. "wisselbepaling" van art. 69 Rv. in aanmerking komt, zie HR 1 april 2005, NJ 2005, 348, rov. 3.3. Ik meen echter dat het niet mogelijk is een klacht over miskenning van deze regel(s) in het middel "in te lezen", zodat ik dit punt verder laat voor wat het is.

4 Waarbij wat mij betreft niet terzake doet of de alimentatieplichtige gegronde redenen had om zich zo op te stellen. Ook als met recht een beroep op zulke redenen wordt gedaan blijft gelden, dat er een relevante wijziging in de omstandigheden is ingetreden en dat dat aanleiding kán geven om de alimentatieverplichtingen zoals die op dat moment bestonden, opnieuw te bezien.

5 Men kan dit anders beoordelen in een geval als dat van Hof 's Gravenhage 27 oktober 2004, rechtspraak.nl LJN AR4588. Daar was, voorzover ik uit de beslissing opmaak, niets in de omstandigheden veranderd; alleen wilde de vrouw kosten die de man rechtstreeks betaalde, alsnog opgenomen zien in de "vaste" alimentatieverplichting.

(Ook) hier geldt intussen dat voorzover het de verzoekster er om te doen was, een executoriale titel voor de desbetreffende verplichtingen te krijgen (en aangenomen dat dat verlangen overigens legitiem zou zijn), het (Haagse) hof het in dit geval voorgelegde verzoek ook in dat opzicht had behoren te onderzoeken. De afwijzing op de enkele grond dat er geen gewijzigde omstandigheden waren gebleken lijkt mij in zoverre niet onbedenkelijk.

6 Zie bijvoorbeeld HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.4; Asser-De Boer, 2002, nr. 1043.