Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU9152

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
02820/05 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU9152
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering ter tenuitvoerlegging aan Noorwegen. De uitleveringsrechter dient bij de beoordeling van een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde straf uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de rechter van de verzoekende Staat. Het staat hem - ingeval aan die veroordeling een uitleveringsprocedure is voorafgegaan - niet vrij te treden in de beoordeling van de vraag of bij die veroordeling het specialiteitsbeginsel in acht is genomen. Dit kan slechts anders zijn indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante schending van door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten. Daaromtrent is blijkens het pv van de zitting van de rb door of namens de opgeëiste persoon echter niets aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 76
NJ 2006, 125
RvdW 2006, 175
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02820/05 U

Mr. Knigge

Zitting: 3 januari 2006

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 12 september 2005 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Noorwegen ter fine van tenuitvoerlegging van de straf opgelegd bij vonnis van 25 maart 2004 van de Gulating Lagmannsrett ontoelaatbaar verklaard ten aanzien van het in de bestreden uitspraak omschreven feit strafbaar gesteld in de Noorse Immigration Act, section 47, first paragraph, letter a en voorts de uitlevering ter fine van tenuitvoerlegging van de resterende straf opgelegd bij vonnissen van 11 maart 2003 en 25 maart 2004 van de Stavanger tingrett, respectievelijk de Gulating Lagmannsrett toelaatbaar verklaard.

2. De opgeëiste persoon heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep doen instellen.

3. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel houdt in dat de uitspraak van de Rechtbank niet naar de eis der wet met redenen is omkleed omdat de Rechtbank het verweer dat het specialiteitsbeginsel is geschonden heeft verworpen op gronden die die verwerping niet kunnen dragen.

5. Het uitleveringsverzoek houdt, voor zover hier van belang, in dat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd omdat - samengevat - nog een deel van de onvoorwaardelijke gevangenisstraffen die de Noorse rechter hem op 11 maart 2003 en 25 maart 2004 heeft opgelegd (totaal 48 maanden), moet worden tenuitvoergelegd.

6. Ter zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aangevoerd dat Denemarken de opgeëiste persoon op 12 december 2002 heeft aangehouden ter uitlevering aan Noorwegen in verband met de vervolging van de feiten waarvoor hij op 11 maart 2003 door de Stavanger tingrett is veroordeeld, terwijl die uitlevering niet de (vermoedelijk) reeds gepleegde feiten betrof waarvoor hij op 25 maart 2004 door de Gulating Lagmannsrett is veroordeeld en Denemarken voor de vervolging daarvan evenmin toestemming heeft gegeven. In dat verband heeft de raadsman het verweer gevoerd dat het specialiteitsbeginsel is geschonden en heeft hij verzocht om aanvullende stukken.

7. De Rechtbank heeft het verweer/verzoek als volgt verworpen/afgewezen:

"De Rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af. De Rechtbank is van oordeel dat het in de onderhavige procedure niet aan de Nederlandse rechter is om te beoordelen of aan het tussen de verzoekende staat en een derde staat geldende specialiteitsbeginsel is voldaan. De Nederlandse rechter dient op basis van het interstatelijk vetrouwensbeginsel uit te gaan van de juistheid van de Noorse vonnissen. Dit zou slechts anders zijn indien zou blijken van een flagrante schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In casu is hiervan geen sprake."

8. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2000(1) overwogen:

"3.4. De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30, tweede lid, UW aan de Minister van Justitie uit te brengen advies.

3.5. Het vorenstaande kan uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering (...)".

9. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat een schending van het specialiteitsbeginsel door de verzoekende Staat op zich zelf geen (flagrante) schending van art. 6 EVRM oplevert. Zo'n (flagrante) schending komt pas in beeld als de opgeëiste persoon in de tegen hem door de verzoekende Staat ingestelde strafvervolging niet de gelegenheid krijgt zich op het specialiteitsbeginsel te beroepen. Die beknotting van het recht op verdediging kan onder omstandigheden een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM opleveren.

10. De geciteerde uitspraak had betrekking op vervolgingsuitlevering, en daarmee op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel. In casu gaat het om executie-uitlevering en daarmee om een schending van het specialiteitsbeginsel die beweerdelijk al heeft plaats gehad. Van een ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om te verzekeren dat niet enig aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht flagrant wordt geschonden, kan om die reden geen sprake zijn.

11. Zo het specialiteitsbeginsel tussen Noorwegen en Denemarken al van toepassing is(2), dan kan het enkele feit dat door de verzoekende Staat het specialiteitsbeginsel is geschonden (welke schending op zich geen schending van art. 6 EVRM oplevert), dus geen beletsel vormen om aan de verplichting tot uitlevering ter executie te voldoen. Steun voor die stelling kan gevonden worden in HR 9 september 2003, LJN AH8597, een arrest dat betrekking had op de WOTS. De Hoge Raad oordeelde daarin dat de exequaturrechter niet mag treden in de vraag of bij de door de buitenlandse rechter uitgesproken veroordeling het specialiteitsbeginsel is geschonden.

12. Mogelijk lijdt het voorgaande uitzondering als de opgeëiste persoon in de verzoekende Staat geen eerlijk proces heeft gehad. Te verdedigen valt dat een flagrante schending van art. 6 EVRM doorwerkt in art. 5 EVRM in die zin, dat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf waartoe de betrokkene met flagrante schending van art. 6 EVRM is veroordeeld, een vrijheidsbeneming oplevert die niet lawful is in de zin van art. 5 lid 1 sub a EVRM.(3) De ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om te verzekeren dat de opgeëiste persoon niet onrechtmatig van zijn vrijheid wordt beroofd, zou dan een beletsel kunnen vormen om door middel van uitlevering aan de tenuitvoerlegging van de straf mee te werken. Ik merk daarbij op dat ook aan art. 5 lid 3 UW (en aan het dienovereenkomstige door Nederland gemaakte voorbehoud bij art. 1 EUV) de gedachte ten grondslag lijkt te liggen dat uitlevering ter executie van een vonnis dat door een flagrante en irreparable schending van art. 6 EVRM is tot stand gekomen, in strijd is met de zorgplicht die Nederland heeft ten aanzien van personen die zich op zijn grondgebied bevinden. Daarbij heeft dan wel, zoals al gezegd, te gelden dat de schending irreparabel moet zijn. Als de opgeëiste persoon in de verzoekende Staat nog een rechtsmiddel (effective remedy) in de zin van art. 13 EVRM tegen de tenuitvoerlegging van de straf ter beschikking staat, is van een uitleveringsbeletsel geen sprake.(4)

13. Of er inderdaad ruimte is voor een uitzondering als hiervoor onder 12 geschetst, kan hier in het midden blijven. In feitelijke aanleg is niet gesteld - laat staan behoorlijk aangetoond - dat in de tegen de opgeëiste persoon in Noorwegen ingestelde strafvervolging sprake is geweest van een flagrante schending van zijn verdedigingsrechten waardoor hij zich niet op het specialiteitsbeginsel heeft kunnen beroepen. In cassatie moet er dus vanuit worden gegaan dat de - mogelijke - uitzonderingssituatie zich niet voordoet.

14. Ten overvloede merk ik nog op dat de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt bieden voor de stelling dat de veroordeling in flagrante strijd met art. 6 EVRM tot stand is gekomen. Uit het in vertaling overgelegde Noorse vonnis in hoger beroep van 25 maart 2004 van Gulating High Court (gewezen ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering door Denemarken niet had plaatsgevonden) blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg op 9 juli 2003 was veroordeeld, tijdig hoger beroep heeft ingesteld en in hoger beroep met zijn advocaat aanwezig was, verweer heeft gevoerd en de feiten heeft bekend. Uit die uitspraak blijkt niet van een beroep op het specialiteitsbeginsel.

15. De vraag of de opgeëiste persoon nog een effective remedy tegen de veroordeling ter beschikking staat, behoeft gelet op het voorgaande geen afzonderlijke bespreking. Weer ten overvloede wijs ik erop dat de raadsman aan de Rechtbank Haarlem een brief heeft overgelegd waaruit blijkt dat de Noorse advocaat een procedure is gestart om die veroordeling ongedaan te krijgen. Dat, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, die remedy als mosterd na de maaltijd komt vanwege de op handen zijnde VI-datum, kan, wat daarvan overigens ook zij, niet van enig gewicht zijn. Overigens lijkt mij dat de opgeëiste persoon erop mag vertrouwen dat hij nog een aanzienlijk deel van de maaltijd tegoed heeft. De

executie-uitlevering zal tenslotte niet voor niets zijn gevraagd.

16. Het middel faalt.

17. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie ook HR 10 september 2002, LJN: AE4251.

2 Zie de voorbehouden die Noorwegen en Denemarken hebben gemaakt bij artikel 28 EUV.

3 Vgl. EHRM 26 juni 1992, NJ 1995, 258 m.nt. Kn.

4 Vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42.