Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU8319

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
C05/012HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU8319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen de wagenparkverzekeraar van een autoleasemaatschappij en de bestuurder van een geleasde personenauto die onder invloed van alcohol bij een eenzijdig ongeval was betrokken, over het recht van de verzekeraar tot verhaal van het ter zake van cascoschade uitgekeerd bedrag; subrogatieverbod van art. 284 (oud) K. jegens medeverzekerden; kan de (feitelijke) bestuurder in zijn hoedanigheid van medeverzekerde onder dezelfde polis worden aangemerkt als derde in de zin art. 284?, geen anticipatie op de nieuwe rechtsregel in art. 7:962 lid 3, tweede zin, BW; verhaalsrecht verzekeraar op grond van in cascovoorwaarden opgenomen verhaalsvoorbehoud, vereist dat de bestuurder met dat beding vóór het ongeval bekend was?, maatstaf art. 6:232 BW.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 202
NJ 2007, 20 met annotatie van M.M. Mendel
RvdW 2006, 330
VR 2007, 44
JWB 2006/108
JA 2006/79 met annotatie van mr. M.J. Tolman
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/012HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 9 dec. 2005

conclusie inzake

Achmea Schadeverzekeringen N.V.

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Inzet van deze zaak is de vraag of de verzekeraar van een geleasde personenauto op grond van de wet (art. 284 K) dan wel op grond van de polisvoorwaarden aan de verzekeringnemer uitgekeerde casco-schade kan verhalen op de bestuurder die de schade heeft veroorzaakt, nu deze bestuurder mede-verzekerde onder de polis is.

2. Voor zover thans in cassatie van belang liggen de feiten als volgt (zie r.o. 1.1 t/m 1.8 van het eindarrest van het hof).

(i) Op 25 mei 1996 heeft omstreeks 17.34 uur op de openbare weg De Schans te Veenendaal een eenzijdig ongeval plaatsgevonden, waarbij thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder] als bestuurder van een personenauto, merk BMW, hierna: de BMW, betrokken was. Als gevolg van dit ongeval is schade ontstaan aan (onder meer) de BMW, eigendom van BMW Lease BV te Rijswijk.

(ii) Op diezelfde dag is om 19.05 uur bloed afgenomen bij [verweerder]. Na onderzoek bleek 0.94 mg alcohol per milliliter bloed in het bloed aanwezig te zijn.

(iii) BMW Lease BV heeft als verzekeringnemer met (de rechtsvoorgangster van) thans eiseres tot cassatie, hierna: Achmea, ten aanzien van (onder meer) de BMW een zogeheten wagenparkverzekering gesloten. [Verweerder] is verzekerde ingevolge deze verzekeringsovereenkomst.

(iv) De toepasselijke "algemene voorwaarden wagenparkverzekeringen WP-950", hierna: Algemene Voorwaarden, houden onder meer in:

Terhandstelling van de verzekeringsvoorwaarden

Artikel 6

6.1 Indien de verzekeringnemer niet de regelmatige bestuurder van het verzekerde object is, dan is hij verplicht alle van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden aan de regelmatige bestuurder, voor het eerste gebruik van het verzekerde object, ter hand te stellen. Indien echter de contractspartij van de verzekeringnemer op haar beurt evenmin de regelmatige bestuurder van het verzekerde object is, dan is de verzekeringnemer slechts verplicht de betreffende voorwaarden aan deze contractspartij ter hand te stellen.

(...).

(v) De toepasselijke "bijzondere voorwaarden cascoverzekering wagenparkverzekering WP-952", hierna: Casco-voorwaarden, houden onder meer in:

Wat niet is verzekerd

Artikel 6

6.1 Van dekking zijn uitgesloten:

(...)

b. onbevoegde bestuurder

Schade veroorzaakt terwijl de bestuurder

(...)

of niet voldoet aan andere door of krachtens de wet gestelde bepalingen ter zake van de bevoegdheid tot het besturen van een verzekerd object.

(...)

6.2 Het bepaalde in artikel 6.1 onder a t/m d geldt niet voor de verzekeringnemer, die aan de verplichtingen als vermeld in artikel 6 van de Algemene Voorwaarden Wagenparkverzekeringen WP-950 (terhandstelling van de verzekeringsvoorwaarden) heeft voldaan en aantoont dat de omstandigheden zich buiten zijn weten en tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem ter zake van deze omstandigheden in redelijkheid geen verwijt treft.

(...)

Artikel 9

Verhaal

9.1 Indien krachtens de voorwaarden een uitsluiting van toepassing is, maar Centraal Beheer op grond van artikel 6.2 van deze voorwaarden (...) niettemin aan de verzekeringnemer schadevergoeding verschuldigd wordt, behoudt Centraal Beheer zich het recht van verhaal voor op degene voor wie de uitsluiting geldt.

(vi) Achmea heeft ter zake van de casco-schade een bedrag uitgekeerd aan BMW Lease BV.

3. Bij exploit van 25 mei 1999 heeft (de rechtsvoorgangster van) Achmea [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage tot betaling van (onder meer) het door haar aan BMW Lease BV ter zake van de casco-schade uitgekeerde bedrag. Ten grondslag aan haar vordering heeft Achmea primair gelegd dat de toepasselijke voorwaarden dekking van schade uitsluiten, die is veroorzaakt terwijl de feitelijk bestuurder onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde dat het besturen van het verzekerde object hem door de wet of de overheid is of zou zijn verboden, en dat ingevolge art. 9.1 Casco-voorwaarden Achmea gerechtigd is om het aan BMW Lease BV uitgekeerde bedrag op [verweerder] te verhalen. Subsidiair heeft Achmea gesteld dat [verweerder] jegens BMW Lease BV onrechtmatig heeft gehandeld door schade aan de BMW toe te brengen en dat Achmea op grond van art. 284 K in de rechten van BMW Lease BV is getreden nu zij krachtens een verzekeringsovereenkomst de schade aan BMW Lease BV heeft vergoed.

4. Na verweer van [verweerder] heeft de rechtbank op 28 juni 2000 een tussenvonnis gewezen en bij eindvonnis van 14 november 2001 de vordering van Achmea toegewezen.

5. [Verweerder] is van het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en had succes: bij (eind)arrest van 28 september 2004 heeft het hof het bestreden vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Achmea (voor wat betreft de casco-schade) alsnog afgewezen.

6. Wat de primaire grondslag van de vordering betreft, overwoog het hof dat Achmea alleen dan op grond van art. 9 Casco-voorwaarden een verhaalsrecht op [verweerder] heeft, als komt vast te staan dat [verweerder] van dat verhaalsrecht van de verzekeraar op de hoogte was en daarmee akkoord is gegaan (r.o. 11). Dat is volgens het hof niet het geval omdat (a) Achmea heeft nagelaten te stellen op welke wijze en bij welke gelegenheid [verweerder] de Casco-voorwaarden zou hebben ontvangen (r.o. 12), en (b) [verweerder] de desbetreffende bepaling in de door Achmea bij conclusie van eis als productie 6 overgelegde bestuurdersinstructie, zo [verweerder] deze al heeft ontvangen, redelijkerwijs niet aldus hoefde te begrijpen dat als de verzekeringsmaatschappij de schade ondanks het rijden onder invloed toch aan BMW Lease BV zou uitkeren, de verzekeringsmaatschappij dan het recht had deze schade op hem te verhalen (r.o. 13).

7. De subsidiaire grondslag van de vordering verwierp het hof op grond van de overweging dat art. 284 K hier niet van toepassing is, nu [verweerder] als verzekerde onder de polis niet kan worden aangemerkt als derde in de zin van dat artikel (r.o. 10).

8. Achmea is tegen het (eind)arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. Bij gelegenheid van de schriftelijke toelichting heeft Achmea het onderdeel III van het middel ingetrokken. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

9. Onderdeel I van het middel neemt stelling tegen de verwerping door het hof van de subsidiair door Achmea aan haar vordering meegegeven grondslag. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft overwogen dat art. 284 K hier niet van toepassing is op de grond dat [verweerder] als verzekerde onder de polis niet kan worden aangemerkt als derde in de zin van dat artikel. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in vier subonderdelen.

10. Subonderdeel I.1 strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat noch de tekst noch de totstandkomingsgeschiedenis van art. 284 K meebrengt dat reeds de enkele hoedanigheid van mede-verzekerde onder dezelfde polis per se in de weg staat aan het bij wege van subrogatie overgaan op de verzekeraar van de schadevergoedingsvorderingen die een (andere) verzekerde heeft op zo'n mede-verzekerde, voor zover de verzekeraar die schade vergoedt. Subonderdeel I.2 vervolgt dat, voor zover er in art. 284 K (op grond van het woord "derden" dan wel anderszins) beperkingen besloten liggen voor het subrogatie-verhaal door een verzekeraar op een onder dezelfde polis mede-verzekerde, die beperkingen rechtens slechts hun grond kunnen vinden in de inhoud of strekking van de betreffende verzekeringsovereenkomst, met name vanwege een bijzondere (zoals in een gezins- of werkverband gelegen) relatie tussen de betreffende, benadeelde verzekerde en zo'n jegens hem voor zijn (door die verzekeraar vergoede) schade aansprakelijke mede-verzekerde, waaromtrent het hof echter niets heeft overwogen.

11. Sedert de wijziging bij de Wet van 28 december 1989, Stb. 616, tot invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe BW luidt art. 284 K:

"Indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, anders dan uit verzekering, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar voor zover deze die schade heeft vergoedt."

12. In literatuur en (lagere) rechtspraak is heersend de opvatting dat mede-verzekerden niet als derden in de zin van art. 284 K zijn te beschouwen. Zie bijv. Dorhout Mees-Wachter, Schadeverzekeringsrecht, 1967, nr. 550; R. Bonheur, VA 1975, blz. 131; S.J.A. Mulder, Subrogatie, diss. 1988, blz. 117 e.v.; T. Hartlief en R.P.J.L. Tjittes, WPNR 1991, blz. 226; Scheltema-Mijnssen, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, 1993, nr. 6.78; Asser-Clausink-Wansink, De verzekeringsovereenkomst, 1998, nr. 325. Zie voorts Hof 's-Gravenhage 8 oktober 1958, NJ 1959, 481; Hof 's-Hertogenbosch 10 december 1974, NJ 1975, 141; Hof Arnhem 3 december 1968, NJ 1969, 242; Hof Amsterdam 19 juni 1975, S&S 1976, 22.

13. De opvatting dat subrogatie niet plaatsvindt tegen een mede-verzekerde is bestreden door F.R. Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss. 1996. Naar zijn mening doelt het woord "derden" in art. 284 K slechts op andere personen dan de verzekeraar en de verzekerde die zijn schade vergoed krijgt en niet op de mede-verzekerde (blz. 408). Aarzelend zijn Van Huizen/Wezeman/Van Eijk-Graveland, Grondslagen van het verzekeringsrecht, 2004, blz. 174.

14. In het op 24 april 2003 door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe BW (wetsvoorstel 19 529) keert de bepaling van het huidige art. 284 K in gewijzigde vorm terug als art. 7.17.2.25. Uit het derde lid van het artikel blijkt dat de wetgever ten aanzien van de vraag of ten opzichte van een mede-verzekerde verhaal mogelijk is, zich heeft aangesloten bij de heersende leer met betrekking tot de uitleg van art. 284 K.: de mede-verzekerde wordt met zoveel woorden uitgesloten van verhaal door de verzekeraar. Daarnaast is de kring van personen die immuun zijn voor verhaal door de verzekeraar uitgebreid met enige andere personen die, hoewel geen mede-verzekerden, tot de verzekerde in een bijzondere relatie staan. De ratio van de uitsluiting van ook deze personen van verhaal door de verzekeraar is beduchtheid van de wetgever voor verstoring van de bijzondere relatie tussen de verzekerde en deze personen bij regres door de verzekeraar.

15. De in het oorspronkelijk voorstel aangewezen kring van personen ten opzichte van wie verhaal niet mogelijk is, is later weer enigszins beperkt (Nota van wijziging, Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, blz. 16). Het voorgestelde artikel luidt thans:

"1. Indien de verzekerde terzake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar over voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. De verzekerde moet zich onthouden van elke gedraging welke aan het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet.

2. De verzekeraar kan de vordering waarin hij is gesubrogeerd, of die hij door overdracht heeft verkregen, niet ten nadele van het recht op schadevergoeding van de verzekerde uitoefenen.

3. De verzekeraar krijgt geen vordering op de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner van een verzekerde, de andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in de rechte lijn van een verzekerde, op een werknemer of de werkgever van de verzekerde, of op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen."

16. In de toelichting op het gewijzigde derde lid (beperking van de kring van voor verhaal immune personen) wordt onder meer gemeld (Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, blz. 44):

"Deze materie heeft sterk de neiging uit te dijen. In de literatuur wordt er bijvoorbeeld op aangedrongen subrogatie ook uit te sluiten ten opzichte van de levensgezellen van de bloedverwanten in rechte lijn en ten opzichte van broers en zusters. Ik meen echter dat de dwingende uitsluiting van subrogatie een uitzondering moet zijn, en wil deze kring daarom eerder beperken dan uitbreiden. Om die reden heb ik de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten van de bloedverwannten in rechte lijn geschrapt. Overigens heeft ook de uitsluiting van de werknemer in het licht van artikel 7:661 BW weinig zelfstandige betekenis. De SER heeft echter geadviseerd subrogatie op werknemers uit te sluiten (SER-advies nr. 93/14), zodat deze categorie niet wordt geschrapt. Mede in verband met dit advies worden weer wel toegevoegd de werkgever en de collega-werknemer."

17. Het wetsvoorstel ligt thans ter goedkeuring voor bij de Eerste Kamer. In de nadere memorie van antwoord met betrekking tot het derde lid merkt de minister onder meer op (Kamerstukken I 2004/05, 19 529, E, blz. 18):

"Zonder nadere regeling ter zake in de polis wordt naar huidig recht in het algemeen aangenomen dat alleen op medeverzekerden geen verhaal kan worden genomen. Dit betekent dat in het geval gezinsleden niet als zodanig zijn aan te merken, verhaal op een mede-gezinslid mogelijk is."

De minister acht verhaal op gezinsleden evenwel onwenselijk.

"In lid 3 van artikel 7.17.2.25 worden daarom ten behoeve van deze gezinsleden wettelijke beperkingen ter zake aangebracht. Daarbij is dan ook niet meer relevant of zij als medeverzekerden zijn aan te merken."

18. Uit deze passages kan worden afgeleid dat de wetgever voor wat betreft de uitsluiting van verhaal op mede-verzekerden met art. 7.17.2.25 lid 3 codificatie beoogt van wat naar huidig recht heersende leer is. Daarnaast is de kring van personen die immuun zijn voor verhaal door de verzekeraar uitgebreid tot bepaalde andere personen, ongeacht of deze personen zijn aan te merken als mede-verzekerden. De ratio voor uitsluiting van subrogatie ten opzichte van (uitsluitend) deze personen is de vrees dat verhaal op deze personen de relatie met de verzekerde zou kunnen verstoren.

19. Tegen deze achtergrond meen ik dat de door de subonderdelen I.1 en I.2 verdedigde opvatting niet als juist kan worden aanvaard. Zowel naar huidig recht als naar komend recht staat de hoedanigheid van mede-verzekerde onder dezelfde polis in de weg aan het bij wege van subrogatie overgaan op de verzekeraar van de schadevergoedingsvorderingen die een (andere) verzekerde heeft op de mede-verzekerde. De ratio van deze uitsluiting ligt niet in de bijzondere, buiten de verzekeringsovereenkomst liggende relatie tussen de verzekerde en de mede-verzekerde (vgl. Nuytink-Van Dam-Kalkman-Cousy, Verzekering naar komend recht, 1995, blz. 108); uitsluitend de kwaliteit van mede-verzekerde onder dezelfde polis staat aan een verhaalsactie in de weg (Asser-Clausing-Wansink, nr. 325). De subonderdelen I.1 en I.2 moeten, voor zover deze strekken ten betoge dat art. 284 K subrogatie van vorderingen op mede-verzekerden niet uitsluit, daarom falen.

20. De Subonderdelen I.3 en I.4 verwijten het hof bepaalde stellingen van Achmea in verband met de toepasselijkheid van het subrogatieverbod van art. 284 K jegens [verweerder] niet in zijn oordeelsvorming te hebben betrokken.

21. In de eerste plaats wordt het hof verweten (subonderdeel I.3 sub (i)) niet te zijn ingegaan op de stelling van Achmea dat een bijzondere, de toepassing van art. 284 K blokkerende relatie tussen BMW Lease en [verweerder] ontbreekt.

22. Dit verwijt faalt wegens gebrek aan belang: voor de uitsluiting van subrogatie jegens de mede-verzekerde is, zoals hierboven onder 19 reeds is aangetekend, een bijzondere, buiten de verzekeringsovereenkomst liggende relatie tussen de verzekernemer en de mede-verzekerde niet vereist.

23. Voorts wordt het hof verweten niet te zijn ingegaan op, althans niet - eventueel met toepassing van art. 25 Rv - in zijn oordeelsvorming te hebben verdisconteerd, de stellingen van Achmea dat - kort gezegd - in de Casco-voorwaarden (artt. 6.1 sub b en d, 6.2 en art. 9.1) een verhaalsvoorbehoud jegens de aansprakelijke en ongedekte veroorzaker van de schade (in casu [verweerder]) is opgenomen (subonderdeel I.3 sub (ii)), waarmee [verweerder] bekend was, althans behoorde te zijn (subonderdeel I.3 sub (iii) en subonderdeel I.4 sub (v) en (vi)), en dat in elk geval subrogatie jegens een mede-verzekerde mogelijk is indien - zoals in casu - de schadeveroorzakende gedraging, ware deze aan de benadeelde verzekerde zelf toerekenbaar geweest, aan diens recht op uitkering voor diens schade jegens de verzekeraar afbreuk zou hebben gedaan (art. 7.17.2.25 lid 3 NBW) (subonderdeel I.3 sub (iv)).

24. Voor zover deze verwijten betrekking hebben op de vraag of de polisvoorwaarden in het onderhavige geval [verweerder] binden en verhaal door Achmea op [verweerder] toestaan, komt deze vraag aan de orde in verband met onderdeel II van het middel, welk onderdeel zich richt tegen de verwerping door het hof van de primaire grondslag (verhaalsrecht krachtens de polisvoorwaarden) van de vordering van Achmea.

25. Voor zover het subonderdeel I.3 sub (iv) de strekking heeft te betogen dat de tweede zin van art. 7.17.2.25 lid 3 NBW ("Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen") thans reeds als geldend recht kan worden beschouwd, faalt het. De regel vindt geen steun in het huidige recht. Zie over de regel S.J.A. Mulder, Subrogatie, 1998, blz. 124 e.v. en P.J.M. Drion, Subrogatie, in: J.H. Wansink e.a., Het nieuwe verzekeringsrecht, 2005, blz. 167 e.v., blz. 176-178. Voor anticiperende toepassing van de regel is m.i. geen plaats: de bepaling hangt nauw samen met de ingrijpende - en ten opzichte van het huidige recht als breuk te beschouwen (vgl. de hierboven onder 17 geciteerde passage uit Kamerstukken I 2004/05, 19 529, E, blz. 18) - verruiming van de kring van voor verhaal door de verzekeraar immune personen.

26. Onderdeel II van het middel keert zich tegen 's hofs oordeel - in r.o. 11 t/m 13 - omtrent de primaire grondslag van de vordering van Achmea. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft overwogen dat Achmea alleen dan op grond van de Casco-voorwaarden een verhaalsrecht op [verweerder] heeft, als komt vast te staan dat [verweerder] van dat verhaalsrecht van de verzekeraar op de hoogte was en daarmee akkoord is gegaan, hetgeen niet het geval is. Deze klacht wordt in twee subonderdelen uitgewerkt en toegelicht.

27. Subonderdeel II.1 betoogt dat het hof heeft miskend dat voor de uitoefening jegens [verweerder] van Achmea's verhaalsrecht op grond van de Casco-voorwaarden rechtens niet, althans niet zonder meer, vereist is dat [verweerder] dit verhaalsrecht al vóór het ongeval bewust heeft gekend en aanvaard, aangezien [verweerder] - kort gezegd - als direct belanghebbend begunstigde uit een derdenbeding tot de verzekeringsovereenkomst als partij is toegetreden, zodat hij zich niet jegens Achmea op zijn hoedanigheid van mede-verzekerde en tegelijk op zijn onbekendheid met het verhaalsrecht van Achmea mag beroepen.

28. Een mede-verzekerde, zoals in het onderhavige geval [verweerder], treedt tot de verzekeringsovereenkomst toe in de vorm van aanvaarding van een te zijnen gunste in de polis(voorwaarden) opgenomen derdenbeding. Vgl. Salomons, a.w., blz. 144. Zie ook P.L. Wery en M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, 2004, blz. 31.

29. Ingevolge art. 6:253 lid 1 BW kan de derde eerst rechten aan het derdenbeding ontlenen indien hij het beding heeft aanvaard. Heeft hij het beding aanvaard, dan geldt hij als partij bij de overeenkomst (art. 6:254 lid 1 BW). Dit heeft tot gevolg dat de derde door de werking van art. 6:232 BW spoedig gebonden zal zijn aan de gelding van algemene voorwaarden, gebruikt in de overeenkomst waaruit zijn recht voortvloeit, hetgeen van belang is voor de beperkingen waaraan dat recht is onderworpen (Parl. Gesch. Inv. Boek 6, blz. 1574).

30. Voor de vraag of Achmea zich jegens [verweerder] kan beroepen op het in de Casco-voorwaarden opgenomen verhaalsrecht, is dus beslissend of [verweerder] als partij door aanvaarding van het derdenbeding (art. 1.1 sub b Casco-voorwaarden) is toegetreden tot de verzekeringsovereenkomst.

31. Het hof heeft hieromtrent niets vastgesteld. Wel heeft het hof vastgesteld - in r.o. 1.3 - dat [verweerder] "verzekerde" is ingevolge de tussen BMW Lease BV en Achmea gesloten verzekeringsovereenkomst. [verweerder] heeft blijkens de gedingstukken ook expliciet een beroep gedaan op zijn positie als "verzekerde" (zie bijv. zijn memorie van grieven onder 17, 18 en 27), zij het dat hij uitdrukkelijk heeft betwist dat hij een overeenkomst met Achmea heeft gesloten (zie bijv. zijn concl. van antwoord onder 13 en concl. van dupliek onder 7). Dit laatste sluit echter niet uit dat hij het derdenbeding heeft aanvaard en mitsdien als partij tot de overeenkomst is toegetreden. Daarbij is van belang dat aanvaarding van een derdenbeding niet uitdrukkelijk behoeft te geschieden. Zie Asser-Hartkamp 4-II, nr. 423. Dat kan in geval van een verzekeringsovereenkomst ook blijken doordat de derde-belanghebbende uitkering opeist van de verzekeraar. Vgl. Wery/Mendel, a.w., blz. 31.

32. Ik meen dat op grond van het bovenstaande in cassatie als uitgangspunt mag worden genomen dat [verweerder] het derdenbeding heeft aanvaard.

33. Dit betekent dat subonderdeel II.1 naar mijn oordeel terecht is voorgesteld. Nu [verweerder] geacht moet worden het derdenbeding te hebben aanvaard en mitsdien partij is geworden bij de verzekeringsovereenkomst, heeft het hof, door te overwegen dat Achmea alleen dan op grond van art. 9 Casco-voorwaarden een verhaalsrecht op [verweerder] heeft, als komt vast te staan dat [verweerder] van dat verhaalsrecht van de verzekeraar op de hoogte was en daarmee akkoord is gegaan, miskend dat de vraag of Achmea zich jegens [verweerder] kan beroepen op het in de Casco-voorwaarden opgenomen verhaalsvoorbehoud, beoordeeld dient te worden aan de hand van de maatstaf van art. 6:232 BW. Volgens deze maatstaf is niet vereist dat [verweerder] dit verhaalsrecht al vóór het ongeval bewust heeft gekend en aanvaard, aangezien hij als direct belanghebbend begunstigde uit een derdenbeding tot de verzekeringsovereenkomst als partij is toegetreden, en zich dus ter afwering van de verhaalsactie van Achmea niet op het standpunt kan stellen dat hij de inhoud van het desbetreffende beding uit de Casco-voorwaarden niet kende. Het had, indien hij niet op de hoogte was, op zijn weg gelegen te informeren naar de bij de verzekering behorende algemene voorwaarden en eventuele bijzondere clausules en hij had niet zonder meer op de afwezigheid van bepaalde uitsluitingen mogen vertrouwen. Vgl. HR 15 april 1977, NJ 1978, 163 en daarover Salomons, a.w., blz. 291.

34. Nu het door het hof in r.o. 11 geformuleerde uitgangspunt door subonderdeel II.1 met succes is bestreden, kunnen ook 's hofs op dat uitgangspunt rechtstreeks voortbouwende overwegingen in r.o. 12 en 13 geen stand houden, zodat ook de daartegen gerichte klachten van subonderdeel II.2 doel treffen.

35. Onderdeel III van het middel behoeft geen behandeling, nu het is teruggenomen.

36. Onderdeel IV van het middel slaagt, nu onderdeel II doel treft.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden