Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU8179

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
C05/060HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU8179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen de Duitse moeder van een minderjarig kind en de Nederlandse vader over de betaling van kinderalimentatie; vraag of onder de EEX-Verordening verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland kan worden verleend op een door een Duitse rechter bij verstek uitgesproken kinderalimentatiebeslissing (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 139
RvdW 2006, 242
JWB 2006/83
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/060HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 9 dec. 2005

conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of onder de Verordening (EG) nr. 44/2001, PbEG 2001 L 012 (de zgn. EEX-Verordening) verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland kan worden verleend op een door een Duitse rechter bij verstek uitgesproken kinderalimentatiebeslissing.

2. In cassatie dient van de volgende feiten te worden uitgegaan (zie r.o. 2 van het bestreden vonnis).

(i) Partijen in deze procedure, hierna: de man en de vrouw, zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] een dochter geboren, genaamd [de dochter].

(ii) Bij beschikking van 4 november 1998 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 14 januari 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij convenant van 27 juni 1999 zijn partijen overeengekomen dat de man ter zake van partneralimentatie een bedrag van DM 1.000,- en ter zake van kinderalimentatie een bedrag van DM 400,- aan de vrouw dient te betalen.

(iv) Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 20 november 2002 is de man veroordeeld om ter zake van achterstallige alimentatie een bedrag van Euro 2.785,33 aan de vrouw te betalen, alsmede tot nakoming van het convenant van 27 juni 1999.

(v) Op 1 april 2003 heeft het Amtsgericht Hamburg-Wandsbek een Versäumnis-Urteil gegeven in een procedure tussen enerzijds [de dochter] als eiseres en anderzijds de man als verweerder. De vrouw wordt in de uitspraak aangemerkt als wettelijk vertegenwoordiger. De uitspraak houdt onder meer in:

"1. Der Beklagte wird verurteilt, an die Klägerin, zu Händen der gesetzlichen Vertreterin, ab 01.01.2001 Kindesunterhalt für die Monate November und Dezember 2001 in Höhe von DM 195,- zu zahlen.

2. Der Beklagte wird verurteilt, an die Klägerin, zu Händen der gezetzlichen Vertreterin, einen Kindesunderhalt ab januar 2002, monatlich in Höhe von EUR 174,48, jeweils im Voraus zum 3. eines jeden Monats zu zahlen.

3. Der Beklagte wird verurteilt, Unterhaltsrückstände für die Monate November und Dezember 2001 jeweils EUR 99,70, für die Monate Januar 2002 bis Dezember 2002 einschliesslich EUR 2.093,76 und für die Monate Januar bis März 2003 EUR 523,44 zu zahlen."

3. Op 29 oktober 2003 heeft de vrouw bij de rechtbank Almelo een verzoekschrift ingediend waarbij zij de rechtbank heeft verzocht haar op de voet van de EEX-Verordening verlof te verlenen om het genoemde Versäumnis-Urteil in Nederland ten uitvoer te leggen.

4. Bij beschikking van 3 februari 2004 heeft de rechtbank het gevraagde verlof verleend.

5. De man heeft bij dagvaarding van 26 maart 2004 tegen de beschikking het rechtsmiddel als bedoeld in art. 43 EEX-Verordening ingesteld. Hij voerde aan dat exequatur op de Duitse uitspraak geweigerd had moeten worden op grond van art. 34, aanhef en onder 1 en 3 EEX-Verordening. Volgens de man is er sprake van strijdigheid met de openbare orde nu hij zowel op basis van de Duitse uitspraak van 1 april 2003 als ook op basis van de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 november 2002 verplicht is tot betaling van zowel partner- als kinderalimentatie. Voorts is volgens de man de Duitse uitspraak niet verenigbaar met de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 november 2002.

6. De vrouw heeft het standpunt van de man bestreden en daartoe aangevoerd dat de Duitse uitspraak slechts ziet op een verhoging van de kinderalimentatie en niet op een achterstand in de betaling van de partner- en kinderalimentatie zoals die op grond van het convenant is verschuldigd.

7. Bij vonnis van 18 augustus 2004 heeft de rechtbank het rechtsmiddel (de rechtbank spreekt van "verzet") ongegrond verklaard. Zij overwoog daartoe onder meer (r.o. 6):

"Uit het vonnis van 20 november 2002 blijkt dat de vrouw destijds haar vordering uitsluitend heeft gebaseerd op de achterstand in de betaling van de partner- en kinderalimentatie, zoals die tussen partijen bij convenant van 27 juni 1999 was overeengekomen.

Uit het inleidend verzoekschrift in de procedure bij Ambtsgericht volgt dat deze procedure uitsluitend betrekking heeft op de kinderalimentatie en dan nog slechts op een verhoging boven de reeds bij het convenant overeengekomen kinderalimentatie, waarbij als uitgangspunt de zogenaamde Düsseldorfer Tabelle wordt gehanteerd.

Dit laatste leidt tot de conclusie dat de beslissing van het Ambtsgericht uitsluitend ziet op een bedrag dat naast de reeds overeengekomen kinderalimentatie vanaf november 2001 dient te worden betaald en niet, zoals de man stelt, op achterstallige partner- en kinderalimentatie die verschuldigd is op grond van het convenant. Gesteld, noch gebleken is dat gedurende de loop van de procedure voor het Ambtsgericht de grondslag van het verzoek is gewijzigd."

Op grond hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat noch van de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 1 (strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat), noch van de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 3 (onverenigbaarheid met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing) van de EEX-Verordening sprake is (r.o. 7).

8. De man is op de voet van art. 44 EEX-Verordening tegen het vonnis van de rechtbank in cassatie gekomen. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld. Zie art. 4 lid 2 van de Wet van 2 juli 2003, Stb. 290, tot uitvoering van de EEX-Verordening en daarover Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 44, aant. 2 (P. Vlas). De man heeft twee cassatiemiddelen voorgesteld, die door de vrouw zijn bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. Middel I keert zich tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen in r.o. 6 en 7. In het gestelde onder 1.3 (onder 1.1 en 1.2 zijn geen klachten geformuleerd) laten zich vijf klachten lezen.

10. De eerste klacht (onder 1.3.2 en 1.3.3) houdt - kort gezegd - in dat "niet juist" is het oordeel van de rechtbank dat de procedure bij het Amtsgericht uitsluitend betrekking heeft op een verhoging van de kinderalimentatie boven de reeds bij het convenant overeengekomen kinderalimentatie die vanaf november 2001 dient te worden betaald en niet op achterstallige partner- en kinderalimentatie die verschuldigd is op grond van het convenant. Volgens de klacht ziet de beslissing van het Amtsgericht niet uitsluitend op een verhoging van de kinderalimentatie, maar ook op achterstanden op basis van het convenant.

11. De klacht faalt. Het aangevallen oordeel van de rechtbank berust op haar uitleg van de Duitse uitspraak en kan, feitelijk als dit oordeel is, in cassatie op juistheid niet worden onderzocht.

12. De tweede klacht (onder 1.3.4), die betoogt dat "dan ook" onjuist en/of onbegrijpelijk is het oordeel van de rechtbank - in r.o. 7 - dat noch van de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 1, noch van die van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening sprake is, bouwt rechtstreeks voort op de eerste klacht en moet het lot daarvan delen.

13. De derde klacht (onder 1.3.5) strekt, naar ik begrijp, ten betoge dat de rechtbank heeft miskend dat art. 28 leden 2 en 3 en/of art. 34 lid 3 en/of lid 4 EEX-Verordening meebrengen dat vorderingen terzake van achterstallige alimentatie slechts kunnen worden aangebracht bij de rechter van de lidstaat "in de hoofdzaak", waarmee kennelijk wordt bedoeld de rechter die de alimentatie waarop betalingsachterstanden zijn ontstaan, heeft vastgesteld.

14. De klacht berust op het uitgangspunt dat de uitspraak van het Amtsgericht (mede) betrekking heeft op achterstallige alimentatie waarover de rechtbank Almelo reeds een beslissing heeft gegeven bij haar voormelde uitspraak van 20 november 2002. Het uitgangspunt van de klacht mist feitelijke grondslag, aangezien de rechtbank - tevergeefs bestreden door de eerste klacht - heeft geoordeeld dat de procedure bij het Amtsgericht uitsluitend betrekking heeft op een verhoging van de kinderalimentatie boven de reeds bij het convenant overeengekomen kinderalimentatie en niet op achterstallige partner- en kinderalimentatie die verschuldigd is op grond van het convenant. De klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.

15. De vijfde en zesde klacht (onder 1.3.6 resp. 1.3.7) bevatten een herhaling van de eerste en tweede klacht en kunnen op dezelfde gronden als waarop deze klachten falen, niet tot cassatie leiden.

16. Middel II mist zelfstandige betekenis.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden