Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU6781

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
03-01-2006
Zaaknummer
00698/05 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU6781
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uit art. 552a.3 Sv volgt dat een ex art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang de vervolgde zaak niet tot een einde is gekomen. Zolang een s.f.o. of een aangekondigde ontnemingsprocedure nog niet is voltooid, is de vervolging niet beëindigd. Daaraan doet niet af dat de ontnemingsprocedure t.t.v. het indienen van het klaagschrift nog niet aanhangig was gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 2
NJ 2006, 51
RvdW 2006, 77
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00698/05 B

Mr. Vellinga

Zitting: 15 november 2005

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank te Dordrecht heeft het door klager ingediende beklag, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave aan hem van een onder een ander inbeslaggenomen voorwerp, niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Dat middel is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank, die in de bestreden beschikking als volgt is gemotiveerd:

"Op grond van artikel 552a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is de raadkamer slechts bevoegd kennis te nemen van het klaagschrift, indien de strafzaak voor deze rechtbank wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. De strafzaak is op 25 mei 2004 geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van deze rechtbank in de zaak tegen [betrokkene 1] (met parketnummer 11/006195/03).(1)

Het onderhavige verzoek is ingediend meer dan drie maanden nadat het vonnis onherroepelijk is geworden en mitsdien kan klager niet worden ontvangen in zijn verzoek.

Weliswaar is op enig tijdstip tijdens of na het einde der hoofdzaak, in het kader van [een] voorgenomen ontnemingsvordering, het beslag ex artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) omgezet in conservatoir beslag ex artikel 94a Sv en is die vordering vervolgens bij deze rechtbank een ontnemingsvordering tegen voornoemde [betrokkene 1] aanhangig gemaakt, doch eerst op 17 december 2004.(2) Ten tijde van het indienen van het onderhavig klaagschrift (op 8 december 2004) was mitsdien (nog) geen sprake van het gestelde voortdurende van de "zaak". Dat na in het indienen van het onderhavig klaagschrift de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt, doet aan dit oordeel niets af. Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat het klaagschrift ontijdig is ingediend en klager daarin niet ontvankelijk is."

4. Het middel betoogt dat het oordeel van de Rechtbank erop neer komt dat klager in de periode gelegen tussen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis in de strafzaak en het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) of het indienen van een ontnemingsvordering tegen het beslag niet kan opkomen. Mede met een beroep op de wetsgeschiedenis van art. 552a Sv, zoals die bepaling in het kader van de herziening van de ontnemingswetgeving (Stb. 1993, 11) is gewijzigd, wordt betoogd dat "de vervolgde zaak" pas tot een einde komt als ook de procedure die strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is afgerond en dat daarom ook tussen het tijdstip waarop onherroepelijk in de hoofdzaak is beslist en het moment dat met behandeling van de ontnemingsvordering wordt aangevangen, het voor belanghebbenden mogelijk moet zijn hun bezwaren tegen het voortduren van conservatoir beslag aan de beklagrechter voor te leggen.

5. In de Memorie van Toelichting bij de onder 4 genoemde wetswijziging wordt door de Minister ingegaan op de mogelijkheid van beklag over beslag:

"De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van art. 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming der voorwerpen moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat wanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt - hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn - een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechterlijke en het civielrechterlijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van art. 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede is begrepen een s.f.o. en de ontnemingsprocedure, nog loopt. De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen. Wel blijft gelden dat het beklag <<zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming>> moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvankelijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten."(3)

6. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar enkele schrijvers(4) die op grond van deze opmerking van de Minister eveneens het standpunt innemen dat de vervolging niet ten einde komt dan nadat ook in de ontnemingsprocedure onherroepelijk is beslist en beklag kan worden gedaan tot daarna drie maanden zijn verstreken. Ook elders wordt dit standpunt gehuldigd.(5)

7. De opvatting van de Rechtbank lijkt niet alleen in strijd te zijn met de opvatting van de wetgever met betrekking tot het bepaalde in art. 552a lid 3 Sv, maar staat ook op gespannen voet met de wettelijke regeling van de ontnemingsprocedure. Bij de behandeling van de strafzaak dient de Officier van Justitie te melden of hij voornemens is een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te doen (art. 311 lid 1 Sv).(6) Deze vordering dient hij in te stellen uiterlijk twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg (art. 511b lid 1 Sv). De vordering tot ontneming kan dus worden ingesteld meer dan drie maanden nadat het vonnis in de strafzaak onherroepelijk is geworden. Niettemin is de ontnemingsprocedure het sequeel van de hoofdzaak en maakt deze als zodanig onderdeel uit van één en dezelfde vervolging als die waarop het vonnis in de strafzaak betrekking heeft.(7) Het tijdstip waarop "de vervolgde zaak tot een einde is gekomen" (art. 552a lid 3 Sv) ligt dus niet op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het strafvonnis maar in het onherroepelijk worden van de uitspraak op de - bij de behandeling van de strafzaak reeds aangekondigde - ontnemingsvordering.(8)

8. Uit het voorgaande volgt, dat het oordeel van de Rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder van "de vervolgde zaak tot een einde is gekomen" als bedoeld in art. 552a lid 3 Sv.

9. Het middel slaagt.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de Rechtbank te Dordrecht teneinde op het bestaande klaagschrift te beslissen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 [Betrokkene 1] is de broer van klager, WHV.

2 De woorden "die vordering" in deze zin zullen per ongeluk zijn blijven staan.

3 Kamerstukken II, 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 44-45.

4 J. Wöretshofer in T&C Strafvordering, vijfde druk, aant. 11, H.G. Punt, Praktijkboek ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, Sdu uitgevers 2003, p. 147.

5 R. Vennix, Boef en beslag, p. 295 en W.E.C.A. Valkenburg in Ontneming van voordeel in het strafrecht, de nieuwe wetgeving in theorie en praktijk, onder redactie van M.S. Groenhuijsen, J.L. van der Neut en J. Simmelink, p. 219-220.

6 Verzuim van deze mededeling leidt niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid: HR 9 december 2003, NJ 2004, 199, m.nt. YB

7 O.a. HR 5 december 1995, NJ 1996, 411. Zie ook HR 28 november 1995, NJ 1996, 383 waarin de Hoge Raad in een zaak waarin in de hoofdzaak cassatie was ingesteld doch ook nog een sfo liep, een beklag ingediend bij de Rechtbank impliciet ontvankelijk achtte.

8 Zo ook B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht, deel 13 in de serie Facetten van strafrechtspleging, p. 189, J. Wöretshofer, aant. 5 op art. 552a (suppl. 135, juni 2003) in: Melai/Groenhuijsen e.a..