Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU6090

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
C04/292HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU6090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen gemeente en personenvervoersbedrijf over de uitvoering van een overeenkomst tot collectief vraagafhankelijk vervoer van gehandicapten en senioren, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 53
RvdW 2006, 132
JWB 2006/28
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C04/292HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 11 november 2005

Conclusie inzake:

Gemeente Eindhoven

tegen

CombiNet Personenvervoer B.V.

Partijen hebben na een openbare aanbesteding een overeenkomst gesloten met betrekking tot collectief vraagafhankelijk vervoer van gehandicapten en senioren. De opdrachtneemster stelt dat het aantal te vervoeren passagiers achterblijft bij de verwachting die zij mocht hebben op grond van de in het bestek opgenomen informatie van de gemeente. Daarnaast maakt zij de gemeente het verwijt dat deze het aantal passagiers doet verminderen door, in strijd met de overeenkomst, aan een groot aantal Wgv-gerechtigden een individuele vervoersvoorziening toe te kennen in plaats van de collectieve vervoersvoorziening.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof in rov. 4.1, onder a tot en met l, heeft vastgesteld. Samengevat houden deze het volgende in:

1.1.1. De gemeente is op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) verplicht zorg te dragen voor vervoersvoorzieningen voor gehandicapte inwoners die daarvoor in aanmerking komen(1).

1.1.2. Tot 1 juli 2000 was er geen collectieve vervoersvoorziening in de gemeente Eindhoven. Aan gehandicapte inwoners die voldeden aan de door de Wvg gestelde eisen werd door de gemeente een vrij besteedbaar bedrag toegekend voor de kosten van het treffen van een (individuele) vervoersvoorziening.

1.1.3. De gemeente Eindhoven maakt met een aantal andere gemeenten deel uit van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE). In dit samenwerkingsverband hebben de gemeenten een zgn. Collectief Vraagafhankelijk Vervoerssysteem (CVV-systeem) opgezet(2).

1.1.4. Het SRE heeft de uitvoering van het CVV-systeem Europees aanbesteed. Daartoe is een "Bestek Collectief Vraagafhankelijk Vervoer SRE-gebied" geschreven. In een bijlage bij dit bestek is t.a.v. personen in de gemeente Eindhoven(3) het volgende meegedeeld:

"Doelgroepdatum

1. WVG-gerechtigden1 juli 2000/1 januari 2001

2. Senioren1 juli 2000

De totale omvang van de doelgroepen

1. Circa 5250 personen; waarvan circa 4050 personen per 1 juli 2000 en de overige 1200 personen per 1 januari 2001;(4)

2. Circa 5000 personen;

(...)

Aanvullende randvoorwaarden

Doelgroep WVG-gerechtigden:

* geen keuze vrijheid (...)

Doelgroep senioren:

* 65-plussers

* minimum inkomen (bijstandsnivo) (...)"

1.1.5. Op 24 januari 2000 heeft CombiNet een offerte uitgebracht voor het verzorgen van het collectief vervoer in de gemeente Eindhoven en een aantal omliggende gemeenten (kavels 1 en 3). Op 25 maart 2000 is de uitvoering van het CVV-systeem in deze gemeenten gegund aan CombiNet. Op 20 juni 2000 heeft CombiNet (onder meer) met de gemeente Eindhoven een collectief vervoerscontract gesloten.

1.1.6. Om gebruik te kunnen maken van het CVV-systeem heeft de betrokkene een `vervoerspas' nodig. Met betrekking tot het aantal personen heeft het hof het volgende vastgesteld:

Het aantal WVG-ers met een vervoerspas in de gemeente Eindhoven bedroeg per

1 juli 2000 2.765

eind augustus 2000 2.800

1 januari 2001 3.312

mei 2001 3.978.

Het aantal senioren met een vervoerspas in de gemeente Eindhoven bedroeg per

1 juli 2000 797

augustus 2000 850

31 januari 2001 907

mei 2001 937.

1.2. Op 31 augustus 2000 heeft CombiNet de gemeente Eindhoven gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch(5). Voor zover in cassatie nog van belang(6), heeft CombiNet aan haar vordering ten grondslag gelegd:

a. dat de gemeente haar onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt ten aanzien van de doelgroepen; in het bestek werd door de gemeente een doelgroep opgegeven van ca. 5.250 Wvg-ers (waarvan ca. 1.200 onder een tijdelijke overgangsregeling) en ca. 5.000 senioren, terwijl ten tijde van de dagvaarding in werkelijkheid slechts 2.800 Wvg-ers en 850 senioren een vervoerspas hadden aangevraagd.

b. dat de gemeente na de totstandkoming van de overeenkomst, in strijd met de aanvullende randvoorwaarde in het bestek (Wvg-gerechtigden: "geen keuzevrijheid"), aan veel Wvg-gerechtigden de mogelijkheid heeft geboden om te kiezen voor een vrij besteedbaar bedrag voor kosten van vervoer in plaats van de deelname aan het door CombiNet uit te voeren CVV-systeem.

CombiNet heeft op deze gronden een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat de gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, althans toerekenbaar is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen jegens CombiNet. Daarnaast heeft CombiNet van de gemeente vergoeding gevorderd van de door haar als gevolg hiervan geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.3. De gemeente heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 5 februari 2003 heeft de rechtbank de vorderingen van CombiNet afgewezen. De rechtbank verwierp de stelling dat de gemeente onjuiste gegevens heeft verstrekt, met de volgende motivering:

"Uit het woord "doelgroep" kan worden afgeleid dat het een groep mensen betreft waarvoor het CVV-systeem in het leven wordt geroepen. Daaronder vallen dus niet de Wvg-ers die, gelet op hun medische situatie, niet in staat zouden zijn aan het systeem deel te nemen. Het aantal personen dat tot een doelgroep behoort, zegt niets over het aantal mensen dat daadwerkelijk gebruik gaat maken van voormeld systeem. Uit de stellingen van CombiNet volgt dat zij er in haar offerte van uit is gegaan dat 70 % van de doelgroep zou gaan deelnemen aan het CVV-systeem. De omstandigheid dat deze schatting onjuist is gebleken, dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van CombiNet te komen. (...) Bij het vorenstaande is mede in aanmerking genomen dat CombiNet rekening had dienen te houden met aanloopverliezen."

Met betrekking tot de tweede grondslag van de vordering overwoog de rechtbank:

"De enkele omstandigheid dat in augustus en september 2000 ten aanzien van een aantal Wvg-ers die oorspronkelijk tot de doelgroep behoorden op individuele basis is besloten de oude vervoersvoorziening (na een verzoek tot herbeoordeling) te handhaven, kan aan het voorgaande niet afdoen." (rov. 3.2 Rb).

1.4. CombiNet heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 22 juni 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. Ook het hof verwierp de stelling van CombiNet onder (a): zie rov. 4.7.2 - 4.7.3 met betrekking tot de doelgroep Wvg-ers en rov. 4.8 met betrekking tot de doelgroep senioren. De stelling onder (b) achtte het hof, anders dan de rechtbank, gedeeltelijk gegrond. Het hof is van oordeel dat de gemeente Eindhoven jegens CombiNet verwijtbaar is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting om aan personen in de doelgroep Wvg-gerechtigden géén keuzemogelijkheid te bieden. De gemeente heeft een alternatieve vervoersvoorziening geboden aan:

- rolstoelgebruikers;

- geestelijk gehandicapten van "Eckartdal";

- Wvg-ers die afhankelijk zijn van een begeleider maar niet over een begeleider beschikken;

- een aantal individuele Wvg-ers zonder dat daarvoor een deugdelijke reden aanwezig was (rov. 4.9.1 - 4.9.8).

Het hof, opnieuw rechtdoende, heeft dienovereenkomstig een verklaring voor recht uitgesproken en de gemeente veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

1.5. De gemeente heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Van de zijde van CombiNet is incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de gemeente heeft gerepliceerd.

2. Bespreking van het incidenteel cassatieberoep

2.1. Partijen verschilden in hoger beroep van mening over de vraag, welke betekenis CombiNet mocht toekennen aan de vermelding door de gemeente van het aantal personen (circa 5250, waarvan 4.050 per 1 juli 2000) in de "doelgroep Wvg-gerechtigden" (zie 1.1.4 hiervoor). Het hof is van oordeel dat de gemeente voor de opgave van de doelgroep kon volstaan met het opgeven van het aantal Wvg-gerechtigden met een vervoersvoorziening. Mede gelet op de verdere inhoud van het bestek, waarin onder meer is opgenomen dat het aantal te verstrekken vervoerspassen niet bekend is(7), was het volgens het hof vervolgens aan de inschrijver, CombiNet, om te schatten welk percentage van die doelgroep naar verwachting daadwerkelijk van het CVV-systeem gebruik zou gaan maken (rov. 4.7.3). Voor zover CombiNet heeft willen stellen dat de gemeente het aantal Wvg-gerechtigden met een vervoersvoorziening in de gemeente onjuist heeft opgegeven, heeft zij dit verwijt onvoldoende onderbouwd (rov. 4.7.2).

2.2. Onderdeel 1.a klaagt dat het hof in deze rechtsoverwegingen zonder motivering voorbij is gegaan aan de - volgens CombiNet als essentieel te beschouwen - stelling van CombiNet dat zij, bij een opgave door de gemeente van de omvang van de doelgroep Wvg-gerechtigden, mocht verwachten dat zij een lijst met 4.050 namen en adressen van de gemeente zou ontvangen en dat de gemeente slechts 2.800 namen aan haar heeft doorgegeven. Bovendien acht het middelonderdeel het oordeel onbegrijpelijk, voor zover het berust op de overweging dat de groep Wvg-gerechtigden met een vervoersvoorziening de gestelde omvang van 4.050 personen per 1 juli 2000 kan hebben gehad. Onderdeel 1.b sluit hierbij aan, met een klacht over het ongemotiveerd passeren van het aanbod van CombiNet, te bewijzen dat de gemeente slechts 2.800 Wvg-ers aan haar heeft opgegeven. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

2.3. Op zich is juist dat CombiNet in hoger beroep had gesteld dat zij, waar de randvoorwaarde inhield: geen keuzevrijheid voor de doelgroep Wvg-gerechtigden, verwacht had van de gemeente 4.050 namen en adressen te krijgen voor het aanmaken van vervoerspassen. Ook is juist dat CombiNet heeft gesteld en te bewijzen heeft aangeboden dat zij (in augustus 2000) slechts 2.800 namen van de gemeente had ontvangen(8). Niet gegrond echter is de klacht dat het hof zonder motivering aan deze stellingen voorbij is gegaan. Zoals gezegd, heeft het hof overwogen dat de gemeente in (de bijlage bij) het bestek voor wat betreft de aanduiding van de doelgroep mocht volstaan met een vermelding van het aantal Wvg-gerechtigden in de gemeente die beschikten over een (vanwege de gemeente op grond van de Wvg toegekende) vervoersvoorziening. Naast de 1.200 personen die onder de tijdelijke overgangsregeling tot 31 december 2000 vielen, omvatte deze groep circa 4.050 personen. Volgens het hof heeft CombiNet niet erop mogen rekenen dat deze 4.050 personen allen een vervoerspas zouden aanvragen en gebruik zouden gaan maken van het CVV-systeem, dus van de diensten van CombiNet.

2.4. In de eerste plaats waren partijen het erover eens, dat WVG-gerechtigden aan wie door de gemeente een vervoersvoorziening (lees: een vrij besteedbaar bedrag) was toegekend onder de regeling zoals die gold tot 1 juli 2000, na de systeemwijziging niet gedwongen konden worden feitelijk gebruik te maken van de aangeboden nieuwe collectieve vervoersvoorziening. Degenen die geen prijs stellen op het aangeboden collectieve vervoer kunnen immers na 1 juli 2000 hun mogelijke aanspraak op een vervoersvoorziening krachtens de Wvg ongebruikt laten(9). In de tweede plaats is het hof - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de opgaaf van de 5.250 (4.050 plus 1.200) Wvg-gerechtigden met een vervoersvoorziening ook personen kon omvatten ten aanzien van wie gegronde medische of sociale beletselen bestonden om van het door CombiNet aangeboden collectieve vervoer gebruik te maken. De vraag of CombiNet dit had kunnen en behoren te weten, wordt door het hof als volgt beantwoord. Het hof wijst erop dat CombiNet vóór het uitbrengen van haar offerte de mogelijkheid heeft gehad in een zgn. inlichtingenbijeenkomst aan de aanbesteder de vraag voor te leggen of het door de gemeente Eindhoven opgegeven aantal van 5.250 personen (4.050 plus 1.200) álle Wvg-ers met een vervoersvoorziening betrof dan wel slechts het aantal personen ten aanzien van wie, naar verwachting, geen gegronde medische of sociale beletselen bestonden om van het collectieve vervoer gebruik te maken; CombiNet heeft deze mogelijkheid niet benut (rov. 4.7.3). Daarmee heeft het hof het verschil tussen het aantal van 5.250 (4.050 plus 1.200) personen in de bijlage bij het bestek en het aantal namen dat volgens CombiNet door de gemeente aan haar is opgegeven voor een vervoerspas (2.800) verklaard. Dit geeft tevens aan, om welke reden het hof niet meer is ingegaan op het desbetreffende bewijsaanbod. De klacht dat het hof ongemotiveerd aan deze stelling en aan dit bewijsaanbod voorbij is gegaan treft dus geen doel. Onbegrijpelijk is de redengeving evenmin.

2.5. Onderdeel 1.c klaagt dat het hof voorbijgaat aan de stelling van CombiNet, dat van de 2.800 opgegeven namen van Wvg-ers die in aanmerking wilden komen voor een vervoerspas er vervolgens 1.000 weer afvielen, omdat zij uiteindelijk toch niet gebruik bleken te kunnen maken van de geboden collectieve vervoersvoorziening, respectievelijk omdat de gemeente hen een alternatief (voor deelname aan het CVV-systeem) aanbood. Van het voorgespiegelde aantal (4.050 per 1 juli 2000) bleven aldus slechts 1.800 personen over, aldus CombiNet.

2.6. De klacht dat het hof aan deze stelling voorbij is gegaan mist m.i. feitelijke grondslag. Dat CombiNet niet erop mocht rekenen dat alle personen in de doelgroep "Wvg-gerechtigden" (zijnde de Wvg-ers aan wie een vervoersvoorziening was toegekend) aan het CVV-systeem zouden deelnemen, volgt uit rov. 4.7.3. Partijen zijn het erover eens dat de aanvraag van een vervoerspas de betrokken Wvg-gerechtigde niet verplicht om inderdaad gebruik te maken van de door CombiNet aangeboden diensten. Waar het om gaat, is of de gemeente door het op onjuiste gronden aan Wvg-gerechtigden toekennen van individuele vervoersvoorzieningen (die de betrokkene de mogelijkheid bieden om te kiezen voor een andere wijze van transport dan de door CombiNet aangeboden collectieve vervoersvoorziening) in strijd handelt met de overeenkomst, waarin immers bedongen was dat Wvg-gerechtigden "geen keuzevrijheid" zouden hebben. Die vraag heeft het hof onder ogen gezien en besproken: zie het slot van rov. 4.7.3. Voor zover op goede gronden (d.w.z. medische of sociale beletselen om gebruik te maken van het CVV-systeem) aan individuele Wgv-gerechtigden een keuzemogelijkheid is geboden, heeft het hof uiteengezet om welke reden de opgaaf door de gemeente in het bestek niet als een onjuiste opgaaf kan worden aangemerkt: zie alinea 2.4 hiervoor.

2.7. Onderdeel 1.d klaagt dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de stelling van CombiNet dat ambtenaar [betrokkene 1] van de gemeente destijds heeft toegegeven dat van de kant van de gemeente onjuiste gegevens waren verstrekt. Deze ambtenaar heeft volgens CombiNet erkend dat de opgave van de doelgroep door de gemeente in het bestek het aantal Wvg-ers had moeten vermelden die op de aan te bieden vervoersvoorziening zouden zijn aangewezen. Anders zou het opgeven van de omvang van de doelgroep een zinledige bezigheid zijn(10). Onderdeel 1.e klaagt over het passeren van het desbetreffende bewijsaanbod van CombiNet.

2.8. Deze klachten gaan niet op. Het gaat niet om een mededeling die van de zijde van de gemeente vóór het sluiten van de overeenkomst is gedaan, maar om een achteraf kenbaar gemaakt inzicht. De gestelde mededeling was gebaseerd op het argument dat een opgaaf in het bestek van het aantal personen zinloos zou zijn indien daarmee niet het aantal Wvg-ers wordt bedoeld die op de aan te bieden collectieve vervoersvoorziening zijn aangewezen. Dat standpunt is door het hof weerlegd. Het hof heeft in rov. 4.7.3 immers uiteengezet dat de gemeente, die anders dan CombiNet geen ervaring had met een CVV-systeem, kon volstaan met een opgaaf van het aantal Wvg-gerechtigden in de gemeente aan wie een vervoersvoorziening was toegekend. Vervolgens was het aan CombiNet om te schatten welk deel van deze doelgroep gebruik zou maken van het collectieve vervoer. Het hof wees bovendien op de vóór de inschrijving door de aanbesteder in de Nota van inlichtingen gedane mededeling dat het aantal te verstrekken vervoerspassen niet bekend is. In het licht hiervan is begrijpelijk dat het hof de gestelde uitspraak van [betrokkene 1], ook al zou deze na getuigenverhoor komen vaststaan, niet heeft beschouwd als een essentiële stelling, maar slechts als een bijkomend argument, dat voldoende is weerlegd.

2.9. Onderdeel 1.f klaagt dat de overweging, dat het aan CombiNet was om te schatten welk percentage van de doelgroep Wvg-ers gebruik zou maken van het collectieve vervoer, onbegrijpelijk is in het licht van CombiNets stelling dat de verhouding tussen het aantal daadwerkelijke deelnemers aan het CVV-systeem en het aantal Wvg-ers dat door de gemeente als doelgroep was opgegeven, niet strookt met de ervaringscijfers die CombiNet heeft opgedaan in regio's waarin dergelijke collectieve vervoersysstemen worden verzorgd.

2.10. Het middelonderdeel preciseert niet waarom die stelling van CombiNet 's hofs overweging onbegrijpelijk zou maken. Het in de memorie van grieven (blz. 4-5) aangesneden probleem was, dat CombiNet erop heeft vertrouwd dat de opgaaf van het aantal personen in de doelgroep "Wvg-gerechtigden" (5.040 plus 1.200) het aantal aangaf van personen die daadwerkelijk zouden kunnen gaan deelnemen aan de collectieve vervoersregeling; met andere woorden, dat de gemeente de doelgroep reeds "gefilterd" had, zoals CombiNet het noemde. In rov. 4.7.3 heeft het hof uiteengezet om welke reden het hof dat standpunt van CombiNet niet heeft aanvaard: "Dat CombiNet dergelijke nadere informatie niet heeft ingewonnen moet voor haar rekening blijven". De klacht faalt.

2.11. Onderdeel 2 mist zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.

3. Bespreking van het principaal cassatieberoep

3.1. In rov. 4.9.1 - 4.9.8 heeft het hof de stelling van CombiNet behandeld dat de gemeente, in strijd met de overeenkomst en in het bijzonder met de bepaling in het bestek dat Wvg-gerechtigden "geen keuzevrijheid" zouden hebben, na 1 juli 2000 op grote schaal aan Wvg-gerechtigden een keuzemogelijkheid heeft geboden door de vervoersvoorziening te verstrekken in de vorm van een vrij besteedbaar bedrag, in plaats van deze voorziening te verbinden aan het door CombiNet uit te voeren collectieve vervoerssysteem.

3.2. Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft gehandeld in strijd met de eisen van een goede procesorde, met name met de regel dat de rechter in een civiele procedure zijn beslissing slechts mag baseren op die stukken, tot kennisneming waarvan en tot uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is geboden. Het bezwaar richt zich op het feit dat CombiNet betrekkelijk kort vóór het pleidooi in hoger beroep een ordner in het geding heeft gebracht met een groot aantal besluiten van de gemeente inzake toekenning van vervoersvoorzieningen, in een aantal gevallen vergezeld van de daaraan ten grondslag liggende rapportage. De gemeente heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat deze stukken buiten beschouwing behoren te blijven omdat zij in haar procesbelang zou worden geschaad indien deze stukken zouden worden meegenomen: in dit stadium kon volgens de gemeente niet van haar worden verwacht elk individueel dossier te inventariseren. Het hof heeft dit processuele verweer verworpen en daaraan toegevoegd dat inventarisatie van individuele dossiers zo nodig in de schadestaatprocedure kan plaatsvinden (rov. 4.9.1). Subsidiair is aan deze rechtsklacht een motiveringsklacht toegevoegd.

3.3. Art. 19 Rv bepaalt, onder meer, dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. De bepaling houdt verband met de maatstaf van een eerlijk proces in art. 6 EVRM. In HR 29 november 2002, NJ 2004, 172 m.nt. HJS, is deze norm als volgt gepreciseerd:

"3.5.1 (...) dat de rechter in een civiele procedure slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Deze fundamentele regel van hoor en wederhoor heeft uiteraard ook betrekking op het kennis kunnen nemen van en adequaat kunnen reageren op bescheiden die (kort) vóór of bij gelegenheid van een terechtzitting waarop zij aan de orde komen, worden overgelegd. Zolang het gaat om stukken waarvan de aard en omvang klaarblijkelijk geen beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, mag de rechter, zeker als tegen de overlegging van deze bescheiden geen bezwaar is gemaakt, zonder meer aannemen dat aan deze eis is voldaan.

3.5.2. Als het echter gaat om bescheiden waarvan reeds de aard en omvang, gelet op het tijdstip waarop zij zijn overgelegd, het vermoeden wettigen dat tot de betrokken terechtzitting, de tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming ervan en een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen hebben ontbroken, dient de rechter - ook ambtshalve - erop te letten dat aan de in 3.5.1 bedoelde eis is voldaan en een daarmee in overeenstemming zijnde beslissing te geven waarvan, met het oog op de controle door de hogere rechter van de naleving van dit fundamentele beginsel, uit het vonnis of arrest of uit het proces-verbaal van de zitting dient te blijken. In het bijzonder zal moeten worden vermeld hetzij dat de rechter een bepaalde maatregel te dezer zake heeftgenomen op grond waarvan kan worden aangenomen dat voormelde kennisneming en voorbereiding alsnog hebben kunnen plaatsvinden, hetzij dat de wederpartij ermee heeft ingestemd dat de rechter zonder een zodanige maatregel met het stuk rekening zou kunnen houden (vgl. HR 29 juni 1990, NJ 1990, 732)."(11)

3.4. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de desbetreffende bescheiden bij brief van 30 maart 2004 door de procureur van CombiNet in het geding zijn gebracht. Het pleidooi in appel werd gehouden op 13 april 2004, zodat de gemeente en haar raadsman een voorbereidingstijd van 13 dagen hebben gehad. Het gaat om een zeer groot aantal (volgens het middel: 503) besluiten van Burgemeester en Wethouders van Eindhoven (dienst Werk, Zorg en Inkomen, unit WVG), waarvan een aantal vergezeld is van de daaraan ten grondslag liggende rapportage. De besluiten zijn overgelegd in alfabetische volgorde. De besluiten omvatten telkens niet meer dan één A4-tje. Behoudens onbetekende variaties luidt de standaardtekst van de besluiten:

"Hierbij delen wij u mede dat uw verzoek om herbeoordeling voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer is beoordeeld door een arts van de unit WVG. Een kopie van het advies treft u hierbij aan.

Op grond van dit advies hebben wij besloten uw oude voorziening per 1 juli 2000 ongewijzigd voort te zetten.

Bent u het met het gestelde in deze beschikking niet eens, dan kunt u (enz.)".

3.5. De raadsman van CombiNet heeft bij pleidooi in appel (pleitnotitie blz. 4 e.v.) betoogd dat de gemeente Eindhoven in dit geding de indruk wil wekken dat zij na zorgvuldig medisch onderzoek in ieder van deze gevallen tot het besluit moest komen om een individuele vergoeding aan de betrokkene toe te kennen. Volgens CombiNet is dat niet waar: uit de grote hoeveelheid van besluiten van de gemeente heeft haar raadsman een een dozijn gevallen besproken, waaruit volgens CombiNet blijkt dat er van (zorgvuldige) medische onderzoeken geen sprake is geweest en dat de gemeente aan groepen Wvg-gerechtigden de mogelijkheid biedt om te kiezen voor een andere vervoersvoorziening dan het CVV-systeem. Het hof heeft in rov. 4.9.2 - 4.9.5 die stelling van CombiNet aanvaard.

3.6. In verband met de discussie in cassatie over de vraag of het hof nu wel of niet zijn beslissing heeft gebaseerd op de bovenbedoelde bescheiden(12), merk ik het volgende op. Reeds bij conclusie van repliek in eerste aanleg (blz. 7 en 8) had CombiNet gesteld dat de gemeente na 1 juli 2000 aan Wvg-gerechtigden alsnog de mogelijheid bood hun "oude" vervoersvergoeding te (blijven) ontvangen. CombiNet heeft ten bewijze hiervan enkele rapportages van de gemeente overgelegd en gesteld dat zij beschikte over tientallen van dit soort rapportages; de in die rapportages opgegeven redenen om een uitzondering voor de desbetreffende persoon te maken zijn volgens CombiNet "even divers als onbegrijpelijk". Daarnaast stelde CombiNet te beschikken over meer dan duizend brieven van de gemeente aan Wvg-ers waarin na herbeoordeling alsnog besloten werd de "oude" (d.w.z. de individuele) vervoersvoorziening toe te kennen. Zij legde daarvan één voorbeeld over. De gemeente heeft blijkbaar begrepen om welke beschikkingen het ging. Zij antwoordde bij dupliek (blz. 11) dat indien ná de invoering van het CVV-systeem beschikkingen zijn afgegeven, dat is gebeurd op basis van een aanvraag en op medische indicatie dat geen gebruik gemaakt kon worden van de collectieve vervoersvoorziening: het betreft volgens de gemeente steeds individuele gevallen, die op hun bijzondere medische situatie zijn beoordeeld. In de grieven werd deze problematiek in hoger beroep opnieuw aan de orde gesteld.

3.7. Aan de hand van enkele voorbeelden, door de raadsman van CombiNet bij pleidooi in appel aangereikt, is het hof tot het oordeel gekomen dat het standpunt van de gemeente - dat het uitsluitend gaat om individuele gevallen die op hun bijzondere medische situatie zijn beoordeeld - niet juist is. Wat de in rov. 4.9.2 besproken categorie rolstoelgebruikers betreft, werd in de drie door CombiNet aangehaalde rapportages (die ten grondslag liggen aan de besluiten van B en W inzake [betrokkene 2 t/m 4]) met zoveel woorden aangenomen dat mensen die (tot 1 juli 2000) vervoer per rolstoeltaxi hadden, zelf mogen kiezen met welk taxibedrijf zij wensen te rijden, zodat de "oude" vervoersvoorziening kan worden hervat. Iets soortgelijks geldt ten aanzien van de in rov. 4.9.3 besproken categorie van geestelijk gehandicapten in Eckartdal. In de aangehaalde rapportage staat met zoveel woorden: "Aangezien de vervoersvoorziening voor geestelijk gehandicapten in Eckartdal blijven zoals die waren vindt consulent het niet meer dan billijk dat dit ook voor blh [lees: belanghebbende] geldt." Dit duidt op een gemeentelijk beleid dat los staat van de beoordeling van individuele gevallen. Ook in de rapportage ten aanzien van [betrokkene 5] (rov. 4.9.4), die gevolgd is door een toekennende beschikking, zijn beleidsmatige overwegingen vermeld ten aanzien van de groep van Wvg-ers die afhankelijk zijn van een begeleider, maar geen begeleider hebben.

3.8. Het oordeel van het hof impliceert dat de gemeente in staat was hierop te reageren, ook zonder daarbij in te gaan op de merites van het individuele geval (waarvoor wellicht een nadere "inventarisatie" nodig zou zijn geweest).

3.9. Het gebruik dat de pleiter voor CombiNet en in diens voetspoor het hof hebben gemaakt van de vóór het pleidooi in appel overgelegde bescheiden, is dus beperkt. Het hof heeft deze bescheiden uitsluitend gebruikt om zich een oordeel te vormen over de vraag of sprake was van een vast patroon (het, om beleidsmatige redenen, groepsgewijs toekennen van een individuele vervoersvoorziening als alternatief voor de door CombiNet uitgevoerde collectieve vervoersvoorziening). Die vraag heeft het hof bevestigend beantwoord. Op die basis heeft het hof kunnen vaststellen dat sprake is van wanprestatie van de gemeente jegens CombiNet en behoefden individuele gevallen geen bespreking meer.

3.10. Ten aanzien van rov. 4.9.5 ligt dit in zoverre anders, dat het hof aan de gemeente heeft tegengeworpen dat zij met betrekking tot het daar genoemde besluit ten aanzien van [betrokkene 6] geen rechtvaardiging heeft weten te geven voor het toekennen van een andere dan de collectieve vervoersvoorziening. Uit diezelfde rechtsoverweging volgt evenwel, dat het slechts om een voorbeeld gaat. Ook los van dat ene geval, moest de gemeente in staat worden geacht het standpunt van CombiNet te weerleggen.

3.11. Om deze reden faalt de klacht dat de gemeente niet naar behoren in staat is gesteld zich te verdedigen tegen het standpunt van CombiNet en zich uit te laten over de door CombiNet in het geding gebrachte bescheiden. In het middelonderdeel wordt nog aangevoerd dat niet is vastgesteld dat CombiNet een verklaring heeft gegeven waarom zij deze bescheiden, die zij kennelijk al langer onder zich had, niet eerder in het geding heeft gebracht. De afwezigheid van zodanige vaststelling maakt 's hofs oordeel echter niet onjuist, noch onbegrijpelijk. Voor het verloop van het debat verwijs ik naar alinea 3.6 hiervoor. Het argument dat CombiNet niet op voorhand heeft aangegeven, op welke van de (circa 500) besluiten haar raadsman zich tijdens het pleidooi in appel zou gaan beroepen, lijkt mij evenmin relevant. In de eerste plaats was slechts een beperkt aantal besluiten vergezeld van de onderliggende rapportages; het lag voor de hand dat het pleidooi zich op díe besluiten zou concentreren. In de tweede plaats moet de voor de gemeente en haar raadsman beschikbare tijd voldoende worden geacht om in de bijlagen te lezen dat niet alleen individuele medische bijzonderheden, maar ook beleidsmatige overwegingen ten aanzien van groepen Wvg-gerechtigden in de besluitvorming van B en W na 1 juli 2000 een rol hebben gespeeld. Mijn slotsom is dat de klachten van onderdeel 1 geen doel treffen.

3.12. Onderdeel 2 klaagt dat het hof, met zijn overweging dat inventarisatie van individuele dossiers zo nodig kan plaatsvinden in de schadestaatprocedure, miskent dat over de aansprakelijkheidsvraag in de hoofdprocedure zelf behoort te worden beslist(13). Deze klacht kan worden verworpen op, mutatis mutandis, dezelfde gronden als onderdeel 1. Het hof heeft zich slechts uitgesproken over de vraag of de gemeente wanprestatie heeft begaan, hetgeen het hof ten aanzien van bepaalde groepen Wvg-gerechtigden heeft afgeleid uit het beleid van B en W m.b.t. het na 1 juli 2000 toekennen van vrij te besteden vervoersvoorzieningen. Het hof mocht de vraag of dit heeft geleid tot schade voor CombiNet - en, in verband daarmee, het aantal gevallen waarin dit is gebeurd - verwijzen naar de schadestaatprocedure.

3.13. Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel in rov. 4.9.2 - 4.9.5, dat de gemeente niet heeft weersproken dat zij aan de daar genoemde categorieën Wvg-ers een keuzemogelijkheid in de wijze van vervoer heeft gelaten, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel wijst op de stelling van de gemeente dat de door CombiNet overgelegde beschikkingen en rapporten betrekking hebben op aanvragen van Wvg-gerechtigden om herbeoordeling en dat het daarbij gaat om individuele gevallen, beoordeeld op basis van hun medische situatie.

3.14. Uit het voorgaande blijkt, dat en op welke grond het hof die stelling van de gemeente heeft verworpen. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Met het oog op de slotzin van onderdeel 3, valt op te merken dat het hof zeker niet heeft miskend dat dit verweer van de gemeente mede betrekking had op de groepen Wvg-gerechtigden, ten aanzien waarvan het hof wanprestatie van de gemeente heeft aangenomen.

3.15. De onderdelen 4 en 5 bouwen slechts voort op de voorafgaande klachten en behoeven geen afzonderlijke bespreking.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal en van het incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie art. 2 Wvg. Iedere gemeente stelt daartoe regels vast in een verordening. Een `vervoersvoorziening' is een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt (art. 1 Wvg). Tegen een besluit m.b.t. het wel of niet toekennen van een vervoersvoorziening staat voor de belanghebbende een bestuursrechtelijke rechtsgang open.

2 Dit wil zeggen een systeem, waarbij via één centrale aan gehandicapten op bestelling vervoer van deur tot deur wordt aangeboden binnen een bepaalde regio, waarbij gebruik wordt gemaakt van (deel-)taxi's en taxibusjes.

3 Deze bijlage is opgesteld door een functionaris van de gemeente Eindhoven.

4 Volgens de gemeente hangt dit onderscheid hiermee samen dat de overeenkomst met het CVV-systeem zou moeten ingaan op 1 juli 2000, maar de gemeente aan de eigen autobezitters onder de WVG-gerechtigden bij wijze van overgangsregeling toestond van 1 juli 2000 t/m 31 december 2000 gebruik te blijven maken van eigen vervoer (CvD punt 11; rov. 3.3 Rb; zie ook MvG blz. 7-9 en MvA nr 19-21).

5 De procedure is nadien gevoegd met een geding tussen CombiNet en de gemeente Eersel. Dat geschil kan hier onbesproken blijven: de gemeente Eersel is in cassatie geen partij.

6 De vordering had mede betrekking op een geschil over de ritprijs welke CombiNet aan meereizende begeleiders van gehandicapten of senioren in rekening mag brengen. Dat geschilpunt is in cassatie niet langer aan de orde en blijft hier onbesproken.

7 Het hof doelt kennelijk op de bij het bestek gevoegde Nota van inlichtingen, antwoord op vraag 25.

8 MvG blz. 3, herhaald in pleitnotitie zijdens CombiNet in appel, blz. 2.

9 Dit is wat het hof kennelijk bedoelt in rov. 4.7.2, waar het overweegt dat niet alle Wvg-ers met een vervoersvoorziening ook een vervoerspas bij CombiNet dienden aan te vragen.

10 MvG blz. 4; zie ook de pleitnotitie in appel namens CombiNet blz. 8.

11 De s.t. namens de gemeente vermeldt onder 2.6 méér rechtspraak en literatuur. Deze laat ik onvermeld omdat over het uitgangspunt van de beoordeling (de regel van hoor en wederhoor) tussen partijen geen geschil bestaat.

12 Zie de s.t. namens CombiNet onder 17 en de cassatierepliek.

13 HR 7 april 2000, NJ 2001, 32 m.nt. DA, rov. 3.10; HR 14 maart 2003, NJ 2004, 49.