Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU4676

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
00500/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8784
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU4676
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing verzoek tot uitwerking van pv’s eerdere terechtzittingen vóór vastgestelde datum pleidooi en requisitoir, althans tot aanhouding onderzoek teneinde eerst de pv’s te voltooien. 2. Geen grondslagverlating. Tenlastelegging: medeplegen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in art. 1.4 Opiumwet, gevolgd door nadere feitelijke omschrijving na het woord “immers”. Bewezenverklaring: medeplegen binnen het grondgebied van Nederland brengen cocaïne, vrijspraak van 1.4 Opiumwet en feitelijke omschrijving na “immers”. Ad 1. Art. 327 Sv houdt in dat het pv van de terechtzitting – ook indien het onderzoek één of meermalen is onderbroken en afgezien van het geval van schorsing (art. 281.4 Sv) – eerst wordt opgemaakt na sluiting van het onderzoek. Uit art. 365.3 Sv volgt dat verdachte en raadsman daarvan eerst kennis kunnen nemen nadat de uitspraak is ondertekend. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat verdachte of diens raadsman door de omstandigheid dat de pv’s niet vóór het in art. 327 Sv vereiste tijdstip beschikbaar waren in enig opzicht is belet datgene naar voren te brengen wat in het belang van de verdediging kon zijn, geeft de afwijzing van de verzoeken geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent art. 6.3.b EVRM en art. 14 IVBPR, terwijl de desbetreffende oordelen toereikend zijn gemotiveerd. Ad 2. Het hof heeft in de bewezenverklaring niet opgenomen de telkens in de tenlastelegging voorkomende passage “al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet”. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk aldus verstaan dat hetgeen daarin telkens na het woord “immers” is opgenomen een nadere omschrijving behelst van bedoeld, telkens alternatief tenlastegelegde handelen i.s.m. art. 1.4 Opiumwet. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Van die uitleg uitgaande heeft het hof, door bewezen te verklaren dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen op de bewezen verklaarde tijdstippen de desbetreffende hoeveelheden cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vrij te spreken van het handelen i.s.m. art. 1.4 Opiumwet – met inbegrip van de nadere uitwerking daarvan in de passages volgend op “immers” – de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 7
NJ 2006, 66
RvdW 2006, 90
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00500/05

Mr. Vellinga

Zitting: 11 oktober 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1, 2, 4 en 5: (telkens) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet, gegeven verbod, 3: medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet, gegeven verbod, 6 (tweede gedeelte) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet, gegeven verbod, 7: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd, en 8: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel is gericht tegen de ter terechtzitting van 16 januari 2004 gegeven afwijzing van het verzoek van de raadsman van de verdachte zorg te dragen dat de verdediging en het openbaar ministerie voorafgaand aan requisitoir en pleidooi de beschikking zouden krijgen over de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 alsmede tegen de op die zelfde terechtzitting van 16 januari 2004 gegeven beslissing tot afwijzing van het verzoek tot aanhouding vanwege het ontbreken van de processen-verbaal van die terechtzittingen waarover de verdediging wenste beschikken.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 januari 2004 houdt in:

"De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Mede daartoe uitgenodigd door uw ter terechtzitting van 9 januari 2004 uitgesproken woorden heb ik op 14 januari 2004 jongstleden een fax naar uw hof gestuurd. Ik heb daarin mijn ter terechtzitting van 9januari 2004 gedane verzoek herhaald, te weten dat uw hof zorg dient te dragen dat de verdediging én het openbaar ministerie voorafgaande aan het requisitoir en het pleidooi de beschikking krijgen over de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003, met daaraan gehecht de ten overstaan van de rechtbank afgelegde verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Subsidiair had ik verzocht ervoor zorg te dragen dat in ieder geval laatstgenoemde verklaringen voorafgaande aan het requisitoir en het pleidooi dienden te worden verstrekt. Indien uw hof mijn primaire verzoek niet zal inwilligen verzoek ik aanhouding van de behandeling van de strafzaak tegen cliënt. Inmiddels hebben de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zich achter mijn verzoek geschaard, waarop door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt aangegeven dat hij overleg met zijn cliënt hierover heeft gevoerd en dat zijn cliënt wil dat de zaak vandaag wordt afgedaan.

Bij deze wil ik heden nogmaals mijn ter terechtzitting van 9 januari 2004 gedane verzoek herhalen.

De advocaat-generaal merkt op dat zij voornoemde fax niet heeft ontvangen.

Raadsman Brink legt een kopie van voornoemde fax aan de advocaat-generaal over.

De advocaat-generaal verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het openbaar ministerie betreurt het ook dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 heden niet voorhanden zijn, maar uw hof heeft al ter terechtzitting van 19 december 2003 gemotiveerd aangegeven dat voornoemde processen-verbaal met tijdig zouden kunnen worden verstrekt. Ik ben daarom verbaasd over het aanhoudingsverzoek van de raadsman.

Ter terechtzitting van 9 januari 2004 heeft de raadsman gesteld dat het beginsel van "equality of arms" geweld zou worden aangedaan indien de processen-verbaal niet tijdig zouden worden verstrekt. Feitelijk is er geen sprake van schending van het beginsel van "equality of arms", want de verdediging én het openbaar ministerie zullen het moeten doen met de eigen aantekeningen van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003. Ik heb zelf aantekeningen gemaakt en zal het daarmee doen.

Het is van belang dat de strafzaken gelijktijdig worden afgedaan. De raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben aangegeven dat zij willen dat de strafzaken heden worden afgedaan. De behandeling in hoger beroep heeft lang genoeg geduurd. Het is tijd en gewenst de strafzaken heden gelijktijdig af te doen.

Het openbaar ministerie ziet geen aanleiding om de behandeling van de strafzaak heden aan te houden. Het openbaar ministerie geeft het hof in overweging het verzoek tot aanhouding af te wijzen.

De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

De verdediging persisteert. De verdediging ziet de noodzaak van een gelijktijdige behandeling van de strafzaken niet in. In eerste aanleg zijn de strafzaken óók niet gelijktijdig behandeld. De strafzaak tegen cliënt is later behandeld. Argumenten tegen de aanhouding van de behandeling van onderhavige strafzaak zijn er niet.

Uw hof heeft pas ter terechtzitting van 19 december 2003 bekend gemaakt dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 niet tijdig gereed zouden zijn. De verdediging heeft haar verzoek ter terechtzitting van 9 januari 2004 gedaan.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van onderhavige strafzaak wordt afgewezen. Het hof handhaaft zijn ter terechtzitting van 9 januari 2004 ingenomen standpunt dat een aanhouding niet door het belang van het onderzoek wordt gevorderd.

In onderhavige strafzaak zijn reeds in een vroeg stadium, te weten op 4 augustus 2003, de zittingsdagen van 12 en 19 december 2003 én 9 en 16 januari 2004 medegedeeld. Destijds is bewust gekozen voor dichtopeenvolgende zittingsdagen teneinde de strafzaken zo spoedig mogelijk af te kunnen doen. Destijds heeft geen van de raadslieden te kennen gegeven dat dit problemen zou kunnen opleveren met betrekking tot een tijdige verstrekking van de processen-verbaal.

Uitgangspunt in de wet is dat het onderzoek ter terechtzitting onafgebroken wordt voortgezet. Onderbrekingen kunnen echter onder meer wegens de uitgebreidheid van het onderzoek worden bevolen. In het onderhavige geval is dat ook gebeurd. De voorzitter heeft ter terechtzitting van 19 december 2003 aangekondigd dat de processen-verbaal van de onderbroken terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 op 9 januari 2004 nog niet gereed zouden zijn. Indien het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de onderhavige strafzaak zou honoreren dan zou het onderzoek heden dienen te worden geschorst. Een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dient in het belang van het onderzoek te geschieden. In het onderhavige geval zou schorsing van het onderzoek ter terechtzitting niet in het belang van het onderzoek zijn. Kennis nemen van het op schrift gestelde proces-verbaal van de zitting voorafgaand aan requisitoir en pleidooi is niet een zodanig belang. De raadslieden zijn steeds bij de verhoren ter terechtzitting aanwezig geweest. De standpunten van de verdachten en getuigen waren al van tevoren bekend en duidelijk daar zij over het algemeen al uitvoerig ten overstaan van de rechter- commissaris en de rechtbank hadden verklaard en zij voor het hof hun eerdere verklaringen hebben gehandhaafd.

Het hof heeft meegewogen dat de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] het verzoek tot aanhouding niet ondersteunen. Het belang van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op behandeling van

hun strafzaken binnen een redelijke termijn weegt zwaarder, mede omdat zij zich reeds geruime tijd in voorlopige hechtenis bevinden."

5. Volgens de toelichting op het middel is het oordeel van het Hof dat kennisneming van het op schrift gestelde proces-verbaal voorafgaand aan requisitoir en pleidooi niet in het belang van het onderzoek is, in een geval als het onderhavige waarin de behandeling van de zaak ter terechtzitting zich over meerdere zittingsdagen heeft uitgestrekt onbegrijpelijk en in strijd met art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en beginselen van een goede procesorde.

6. Volgens art. 365 lid 3 jo. 415 Sv kan de verdachte of zijn raadsman van het arrest en van het proces-verbaal der terechtzitting kennis nemen zodra het vonnis is ondertekend en in elk geval binnen twee maal vierentwintig uren na de uitspraak. Daarbij kan worden volstaan met een verkort arrest en, nu het arrest niet bij verstek is gewezen, een verkort proces-verbaal (art. 365 lid 1 en art. 327a lid 1, beide jo. art. 415 Sv). In dat verkorte proces-verbaal behoeven alleen te worden vermeld de uitspraken die niet in het verkorte arrest zijn opgenomen en de aantekeningen, waarvan opneming door de wet, ànders dan door art. 326, leden 1 en 2, Sv wordt verlangd (art. 138c Sv). Bij die aantekeningen kan worden gedacht aan het voornemen van het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te stellen (art. 311 lid 1 Sv) of, wanneer de rechter de vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen, de inhoud van de toegestane wijziging (art. 313 lid 2 Sv).

7. Voor het geval het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken of geschorst (art. 319, 321 Sv) luidt de wettelijke regeling niet anders. De wet voorziet dus niet in de verplichting tot het opmaken van een proces-verbaal van enige terechtzitting alvorens het onderzoek gesloten is en vonnis of arrest is gewezen. Dit betekent dat de wetgever het kennelijk in het belang van het onderzoek ter terechtzitting niet noodzakelijk achtte de rechter te verplichten in geval van onderbreking of van schorsing van het onderzoek een proces-verbaal van de terechtzitting op te (doen) maken alvorens het onderzoek werd voortgezet. Het oordeel van het Hof, dat kennisneming van het op schrift gestelde proces-verbaal voorafgaand aan requisitoir en pleidooi niet in het belang van het onderzoek is, geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dus niet onbegrijpelijk. Overigens is het zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het zich niet leent voor verdere toetsing in cassatie.

8. Met het oog op de vraag of het bestreden oordeel van het Hof in strijd is met de eisen van een eerlijk proces en van een behoorlijke procesorde is het volgende van belang. Verdachte en zijn raadsman hebben het gehele onderzoek ter terechtzitting bijgewoond, ook de terechtzittingen waarvan verdachtes raadsman verlangde dat daarvan proces-verbaal werd opgemaakt alvorens requisitoir en pleidooi werden gehouden. Zij zijn in de gelegenheid geweest de ter terechtzitting gehoorde getuigen vragen te stellen en hebben naar aanleiding van hetgeen de getuigen hebben verklaard tegen de verklaringen van die getuigen kunnen inbrengen wat tot verdediging van de verdachte kon dienen (art. 292 lid 1 Sv). Van cruciale onderdelen in de verklaringen van de getuigen hebben de verdachte en zijn raadsman kunnen verlangen dat deze woordelijk in het proces-verbaal van de terechtzitting worden weergegeven terwijl van deze woordelijke weergave voorlezing zou moeten zijn gedaan (art. 326 lid 2 Sv). Daardoor konden zij essentiële invloed uitoefenen op de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting en konden zij het in de toelichting op het middel aangestipte gevaar van verschil in perceptie van de inhoud van de getuigenverklaringen beteugelen. Bovendien kon bij pleidooi een uit vragen van de rechter of het Openbaar Ministerie of uit het requisitoir blijkende, voor de verdachte nadelige perceptie van een getuigenverklaring worden bestreden.

9. Tegen deze achtergrond kan moeilijk worden volgehouden dat het na afloop van het onderzoek ter terechtzitting opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting heeft geleid tot een proces dat niet voldoet aan de maatstaven van een eerlijk proces dan wel tot strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdachte kon immers al hetgeen ter terechtzitting is besproken becommentariëren en kon bovendien essentiële invloed uitoefenen op de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting. Van onvoldoende faciliteiten voor de verdediging in de zin van art. 6 lid 3 sub b EVRM is dan ook geen sprake; vgl. HR 12 november 2002, LJN ZD8086, rov. 3.4.

10. Gevolg van het na afloop van het onderzoek ter terechtzitting opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting is dat de raadsman bij pleidooi - evenals overigens de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie bij diens requisitoir - is aangewezen op zijn eigen aantekeningen van hetgeen ter terechtzitting is verklaard. Die enkele omstandigheid brengt in zijn algemeenheid niet mee, dat de verdachte onvoldoende faciliteiten zijn geboden voor zijn verdediging. Ik verwijs hier naar laatstgenoemd arrest waarin dit standpunt ligt opgesloten. Het is voor een raadsman natuurlijk lastig dat hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting aantekening moet houden van hetgeen ter terechtzitting geschiedt en wordt verklaard. Een onmogelijke opgave is dat niet. Daarbij dient bedacht te worden dat niets de raadsman belet zich ter terechtzitting van secretariële ondersteuning te voorzien.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door bij bewezenverklaring van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten steeds hetgeen na "immers" was tenlastegelegd geheel uit de bewezenverklaring weg te laten.

13. Aan de verdachte is onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegd dat:

"1.

(incident 2.16)

hij op een of neer tijdstippen in de periode van 15 oktober 2000 tot en met 08 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2.561,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die 'wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededaders opzettelijk

- een of meer personen benaderd en/of [betrokkene 1] bereid gevonden om cocaine (vanuit Suriname) naar Nederland te vervoeren en/of

- (waarna) die [betrokkene 1] naar Suriname is afgereisd en/of

- (waarna) die [betrokkene 1] de cocaine (op 8 november 2000) naar Nederland heeft getransporteerd,

waarbij verdachte en/of haar mededaders (telkens) onderling contact met elkaar onderhielden;

art 2 lid 1 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(incident 2.14)

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 november 2000 tot en met 02 december 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2.571 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededaders opzettelijk

- een of meer personen benaderd en/of [betrokkene 2] bereid gevonden om cocaine (vanuit Suriname) naar Nederland te vervoeren en/of

- (waarna) die [betrokkene 2] naar Suriname is afgereisd en/of

- (waarna) die [betrokkene 2] de cocaine (op 2 december 2000) naar Nederland heeft getransporteerd en/of

- hij, verdachte en of zijn mededaders naar Schiphol zijn afgereisd om de cocaine van die [betrokkene 2] in ontvangst te nemen, waarbij verdachte en/of haar mededaders over de uitvoering (telkens) onderling contact met elkaar onderhielden;

art 2 lid 1 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

(...)

4.

(incident 2.2)

- hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 januari 2001 tot en met 31 januari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een hoeveelheid (van vermoedelijk 500 gram) van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die Wet, immers

- heeft/hebben een van zijn mededaders opzettelijk personen gezocht en/of gevonden die bereid zouden zijn cocaine naar Nederland te transporteren en/of

- is een van zijn mededaders ([mededader 1]) naar Curacao afgereisd teneinde de cocaine te halen en/of

- heeft een van zijn mededaders ([mededader 1]) de cocaine (op 31 januari 2001) naar Nederland getransporteerd en/of

- was/waren een of meer van zijn mededaders op Schiphol aanwezig teneinde de cocaine in ontvangst te nemen

- heeft/hebben een of meer van zijn mededaders op Schiphol contact gelegd met die [mededader 1] (waarna hij/zij de cocaine in ontvangst heeft/hebben genomen)

- heeft/hebben een of meer van zijn mededaders de cocaine vervoerd (over het Schipholterrein) naar een (vantevoren) afgesproken plaats waarbij hij, verdachte, samen met een of meer van zijn mededaders

- afspraken heeft/hebben gemaakt en/of

- contacten heeft/hebben gelegd en/of onderhouden teneinde het transport mogelijk te maken.

waarna verdachte en/of een of meer van zijn mededaders de cocaine (buiten het Schipholterrein) in ontvangst hebben genomen;

art 2 lid 1 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

incident 2.1)

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 januari 2001 tot en met 16 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 7.937 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers

- heeft/hebben een van zijn mededaders opzettelijk personen gezocht en/of gevonden die bereid zouden zijn cocaine naar Nederland te transporteren en/of

- is een van zijn mededaders ([mededader 1]) naar Curacao afgereisd teneinde de cocaine te halen en/of

- heeft een van zijn mededaders ([mededader 1]) de cocaine (op 16 februari 2001) naar Nederland getransporteerd en/of

- was/waren hij, verdachte, en een of meer van zijn mededaders op Schiphol aanwezig teneinde de cocaine in ontvangst te nemen waarbij hij, verdachte, met een of meer van zijn mededaders

- afspraken heeft/hebben gemaakt en/of

- contacten heeft/hebben gelegd en/of onderhouden

teneinde het transport mogelijk te maken;

art 2 lid 1 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht"

14. Hiervan is door het Hof bewezenverklaard dat:

"ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 8 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.561,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 2 december 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.571 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(...)

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

hij op 31 januari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

hij op 16 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7.937 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;"

15. Tenlastelegging en bewezenverklaring ten aanzien van de hiervoor genoemde feiten vertonen een opvallende overeenstemming. Steeds is na "immers" een (nadere) feitelijke beschrijving gegeven van de wijze waarop het "binnen het grondgebied van Nederland brengen" in zijn werk is gegaan, wie daadwerkelijk de cocaïne heeft vervoerd, en welke de bemoeienis van verdachte daarbij is geweest, terwijl steeds geheel van die nadere feitelijke omschrijving is vrijgesproken.

16. In zijn "De macht van de telastelegging in het strafproces"(1) schrijft De Jong(2): wanneer het ene onderdeel van de tenlastelegging het andere specificeert, zal dit specificerende onderdeel in beginsel onmisbaar zijn, omdat bij weglating ervan de resterende feitsomschrijving een ruimer terrein zou gaan bestrijken. Naar die maatstaf heeft het Hof door van de gehele specificatie van "binnen het grondgebied van Nederland brengen" vrij te spreken de grondslag van de tenlastelegging verlaten.

17. Nu is het niet zo dat hetgeen na "immers" volgt en doorgaans dient als nadere specificatie van hetgeen daarvoor is gesteld, nimmer uit de tenlastelegging kan worden geëlimineerd. In HR 9 september 2003, NJ 2003, 681 was aan de verdachte tenlastegelegd overtreding van art. 6 lid 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet, kort gezegd een werknemer niet doeltreffend inlichten over de aard van zijn werkzaamheden en de daaraan verbonden gevaren, hetgeen na "immers" nader was omschreven aan de hand van lid 2 van genoemde wet, kort gezegd het aan werknemers dienen te verstrekken van een aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht. Het Hof achtte de tenlastelegging voor wat betreft hetgeen na "immers" volgde niet verenigbaar met hetgeen daaraan vooraf ging omdat dat betrekking had op het verstrekken van specifieke informatie in een concreet geval en niet, zoals lid 2 van genoemde wet, op onderwijs in het algemeen. Vervolgens verklaarde het Hof de tenlastelegging nietig voor zover het tenlastegelegde na "immers" nader was gespecificeerd en veroordeelde het de verdachte op basis van het overigens tenlastegelegde. Deze werkwijze achtte de Hoge Raad niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in het bijzonder in acht, dat verdachtes raadsvrouw de partiële nietigheid van de tenlastelegging had bepleit en daaraan vrijspraak van het tenlastegelegde had verbonden en dat zij de verdediging mede had afgestemd op de mogelijkheid dat de tenlastelegging partieel nietig zou worden verklaard.(3)

18. Een tenlastelegging ter zake van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen voldoet in het algemeen aan de eisen van art. 261 Sv, ook al is het "binnen het grondgebied van Nederland brengen" - afgezien van tijd en plaats - niet nader geconcretiseerd.(4) Daarbij is van wezenlijk belang of uit hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt of de verdachte het tenlastegelegde heeft begrepen.(5)

19. In het onderhavige geval is het "binnen het grondgebied van Nederland brengen" in de tenlastelegging bij alle vier onderhavige feiten uitgebreid geconcretiseerd. Enige klacht over onduidelijkheid van de feitsomschrijving komt dan ook noch verdachte noch zijn raadsman over de lippen. De Officier van Justitie heeft een eventuele klacht op dat punt reeds opgevangen door te zorgen voor feitelijke specificatie van "binnen het grondgebied van Nederland brengen". Daarmee is echter ook aan de rechter de ruimte ontnomen om aan die specificatie geheel voorbij te zien. Door die specificatie valt immers niet na te gaan of verdachte en zijn raadsman hebben begrepen dat "binnen het grondgebied van Nederland brengen" in de ogen van de rechter ook een andere feitelijke toedracht omvat dan de door de Officier van Justitie in de tenlastelegging gespecificeerde. Of, om het anders te zeggen, wanneer de Officier van Justitie door specificatie van "binnen het grondgebied van Nederland brengen" heeft voorzien in antwoord op een eventuele klacht over de onduidelijkheid van de tenlastelegging, staat het de rechter niet meer vrij dit antwoord te negeren omdat ter zake - naar bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel moet worden aangenomen - juist vanwege dat antwoord niet is geklaagd.

20. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het middel terecht is voorgedragen.

21. Niettemin behoeft het middel niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden. De inhoud van de bewijsmiddelen laat immers zien dat het Hof, hoewel het heeft vrijgesproken van de in de tenlastelegging gespecificeerde toedracht van bedoelde tenlastegelegde feiten, in essentie ten aanzien van alle vier feiten toch is uitgegaan van juist die toedracht die was tenlastegelegd doch niet is bewezenverklaard. Deze - opmerkelijke - omstandigheid brengt mee, dat het Hof ondanks bedoelde vrijspraak niet heeft voorbijgezien aan de in de tenlastelegging gespecificeerde toedracht van bedoelde tenlastegelegde feiten en dat de verdachte door bedoelde wijze van handelen van het Hof dus niet in zijn door de tenlastelegging beschermde belangen is geschaad.

22. Het middel is dus tevergeefs voorgedragen..

23. Het derde middel houdt in dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de ter terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2003 gehoorde getuige [getuige 1] een mening, gissing of gevolgtrekking bevat.

24. Ter toelichting wijst het middel op de volgende voor het bewijs gebezigde passages uit de verklaring van de getuige:

"Uit de gesprekken die ik met [betrokkene 3] voerde, leidde ik af dat zij en [betrokkene 4] tussenpersonen waren."

en

"Uit de gesprekken die ik met [betrokkene 3] voerde, leidde ik af dat [betrokkene 4] betrokken was bij het transport van [betrokkene 5]."

25. Blijkens de inhoud van de overige bewijsmiddelen heeft het Hof deze gevolgtrekkingen tot de zijne gemaakt. (6) Ik wijs op de door het Hof uit het vonnis van de Rechtbank overgenomen bewijsmiddelen 5, 7, 8, 9, 12, 13, 14, 17, 21, 22, 23, 24, 25, 27 en 31.

26. Het middel faalt.

27. Het vierde middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is overschreden omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

28. De verdachte heeft op 13 februari 2004 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 24 februari 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden en de straf dus moet worden verminderd.

29. Het middel slaagt.

30. Het derde middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 D.H. de Jong, De macht van de tenlastelegging in het strafproces, diss. Groningen 1981

2 P. 101

3 Zie hierover D.H. de Jong, De grondslagleer: (steeds) minder formalistisch dan velen denken, NJB 2004, p. 270-280, in het bijzonder p. 272.

4 HR 14 maart 1989, NJ 1989, 689, HR 14 november 2000, NJ 2001, 18. Zie ook H.G.M. Krabbe (red.), De Opiumwet, deel 8 in de serie Facetten van strafrechtspleging, 1989, p. 101.

5 HR 23 maart 1982, NJ 1982, 631, HR 20 maart 1984, NJ 1984, 549, HR 14 november 2000, NJ 2001, 18. In HR 14 maart 1989, NJ 1989, 689 noemt de Hoge Raad dit aspect niet, maar blijkt uit de door de Hoge Raad aangehaalde overwegingen van het Hof wel dat de verdachte heeft begrepen wat hem werd tenlastegelegd.

6 HR 12 januari 1999, NJ 1999, 247; HR 7 december 1999, NJB 2000, p. 286, nr. 12; HR 11 juli 2000, NJ 2002, 373.