Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AU3447

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
00155/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1579
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU3447
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Schuld ex art. 6 WVW 1994. 2. Strafmotivering / geen blijk van inzicht in verwijtbaarheid. Ad 1. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval ex art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (HR NJ 2005, 252). Het Hof heeft vastgesteld dat het uitzicht van verdachte op het voor de door hem bestuurde bus gelegen wegdek beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte, dat verdachte

gezien heeft dat de moeder voor de bus langs was overgestoken en dat hij vervolgens is opgetrokken zonder dat hij heeft gezien dat ook het achter de moeder fietsende vijfjarige slachtoffer - dat toen aan zijn zicht was onttrokken - de oversteekmanoeuvre had voltooid.

Het in de overwegingen van het Hof vervatte nadere oordeel dat en waarom sprake is van de bewezenverklaarde schuld ex art. 6 WVW 1994 komt erop neer dat verdachte in de omstandigheden van het geval, alvorens zijn weg te vervolgen, zich er zelf van had moeten

vergewissen of hij dit kon doen zonder gevaar voor het overstekende kind en dat hij in dat opzicht niet had mogen afgaan op enig gebaar van de moeder. Dat oordeel is in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder voorzover die het beperkte uitzicht van verdachte betreffen, en tegen de achtergrond van de van verdachte als bestuurder van een motorvoertuig te vergen zorgvuldigheid ten aanzien van een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer als het slachtoffer, onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. 's Hofs overweging dat verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat hij de fietsers-oversteekplaats is opgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen waar het slachtoffer zich bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 32
NJ 2006, 303 met annotatie van Y. Buruma
RvdW 2006, 116
VR 2007, 3
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00155/05

Mr. Knigge

Zitting 27 september 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 24 mei 2004 wegens "als bestuurder van een motorrijtuig overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren, subidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het Hof de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd, voor de tijd van 3 jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.F. Thunnissen, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend met daarin twee als middelen van cassatie aangeduide klachten.

3. Ik heb mij afgevraagd of deze klachten inderdaad als middelen van cassatie in de zin van art. 437 lid 2 Sv kunnen worden aangemerkt. Het in de schriftuur aangevoerde is meer een vorm van 'napleiten' dan een nauwkeurige opgave van bezwaren tegen enige door het Hof gegeven beslissing of de motiveringen daarvan.(1) Toch meen ik dat met enige goede wil in de schriftuur klachten kunnen worden gelezen die zich voor bespreking in cassatie lenen.

4. Ik versta het eerste middel aldus, dat erover wordt geklaagd dat het Hof, door te overwegen dat de verdachte "niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt", niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Ik versta het tweede middel aldus, dat erover wordt geklaagd dat de bewezenverklaarde (grove) schuld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5. Beide klachten hangen met elkaar samen. Ik vind daarin aanleiding eerst het tweede middel te bespreken, en daarna het eerste. Ik merk voorts op dat het Hof geen scherp onderscheid heeft gemaakt tussen de bewijsmotivering en de strafmotivering. Hetgeen ten aanzien van de strafoplegging wordt overwogen, vormt ten dele een verduidelijking van het gegeven bewijsoordeel. Daarom geef ik hierna niet alleen de bewezenverklaring en de bewijsmotivering weer, maar tegelijk ook de strafmotivering.

6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte is met die door hem bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddammerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Hij heeft zijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;

verdachte had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee hem op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, [betrokkene 1] en haar achter haar fietsende kindje [slachtoffer], op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;

verdachte had het redelijke vermoeden dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;

tijdens het oversteken van [betrokkene 1] en haar kindje [slachtoffer] is verdachte zich niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van [slachtoffer] op de fietsersoversteekplaats;

immers is verdachte, nadat hij had gezien dat [betrokkene 1] de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder zich voldoende te vergewissen waar [slachtoffer] zich op die fietsersoversteekplaats bevond en zonder zich voldoende ervan te overtuigen dat hij dit kon doen zonder die [slachtoffer] in gevaar te brengen, die fietsersoversteekplaats opgereden;

[slachtoffer] was toen met zijn fiets gevallen en lag voor de personenbus van verdachte op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;

verdachte heeft toen met de personenbus die [slachtoffer] overreden.".

7. Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2004.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Desgevraagd verklaar ik dat ik het door de rechtbank bewezen verklaarde feit beken, te weten:

dat ik op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, mij zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heb gedragen dat een aan mijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een kind, genaamd [slachtoffer], werd gedood.

Het volgende is gebeurd:

ik ben met die door mij bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddarnmerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Ik heb mijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;

ik had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee mij op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, [betrokkene 1] en haar achter haar fietsende kindje [slachtoffer], op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;

ik vermoedde dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;

tijdens het oversteken van [betrokkene 1] en haar kindje [slachtoffer] ben ik mij niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van [slachtoffer] op de fletsersoversteekplaats;

immers ben ik, nadat ik had gezien dat [betrokkene 1] de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder mij voldoende te vergewissen waar [slachtoffer] zich op die fietsersoversteekplaats bevond en zonder mij voldoende ervan te overtuigen dat ik dit kon doen zonder die [slachtoffer] in gevaar te brengen, die fietsersoversteekplaats opgereden;

[slachtoffer] was toen met zijn fiets gevallen en lag voor mijn personenbus op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;

ik heb toen met de personenbus die [slachtoffer] overreden.

2. Een proces-verbaal Ongevalsanalyse [met nummer T4/146/IV/2001] van 22 oktober 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J. Willems en J.P. Schilperoord [pagina's 4 e.v].

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten (of één van hen):

Wegomschrijving:

Op de plaats waar het fietspad van de Assering de Noorddammerweg kruiste werd dit fietspad gemarkeerd door middel van een op de rijbaan aangebrachte blokmarkering. Zowel op de oostelijke als op het westelijke deel van de Noorddammerweg waren voor deze blokmarkering haaientanden op de rijbaan aangebracht.

Aangetroffen sporen op of aan de voertuigen.

Het frame van de fiets van het slachtoffer was ter hoogte van het achterwiel verbogen. Het frame was zodanig verbogen, dat er een kracht van de rechterzijde van de fiets naar de linkerzijde van de fiets had gewerkt.

Op de stootbalk van de taxibus troffen wij een geel verfspoor aan, vermoedelijk afkomstig van de fiets van het slachtoffer.

3. Een proces-verbaal van 26 oktober 2001 met nummer 2001275943-1 in de wettelijke vorm opgemaakt door de de bevoegde opsporingsambtenaren K. Geijsen en A.A. Visser.

Dit proces-verbaal houdt voorzover van belang en zakelijk weergegeven in als verklaring van [betrokkene 1]:

Op maandag 15 oktober 2001 reed ik met mijn zoontje [slachtoffer] (het hof begrijpt: [achternaam slachtoffer]) over het fietspad op de Asserring (naar het hof begrijpt: te Amstelveen). Ik wilde de Noorddammerweg oversteken. [slachtoffer] fietste achter mij aan. Ik zag dat op de Asserring een blauwe taxibus mij tegemoet kwam rijden en rechtsaf de Noorddammerlaan (het hof leest: Noorddammerweg) op wilde rijden. Ik zag dat de het taxibusje de bocht omging en voor de fietsersoversteekplaats stil stond. Ik zag dat de bestuurder naar mij een gebaar maakte dat ik kon oversteken. Ik fietste door. Toen ik de Noorddammerweg was overgestoken hoorde ik achter me dat [slachtoffer] viel. Ik zag dat [slachtoffer] was gevallen en dat hij en zijn fiets voor het taxibusje op straat lag. Ik zag dat het busje ging rijden. Ik zie dat de bestuurder met zijn taxibusje vervolgens over [slachtoffer] heen rijdt.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een verslag van 15 oktober 2001, opgemaakt door M.J. van der Meulen, lijkschouwer van de gemeente Amsterdam, betreffende een niet natuurlijke dood, inhoudende voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Naam: [achternaam slachtoffer]

Voomamen: [slachtoffer]

Geboren op: [geboortedatum] 1996

- Kind is aangereden door bus, hedenmiddag ongeveer 15:00 uur

- Aankomst EHBO AZVU rond 15:25 uur; kind was constant in diep coma.

- Reanimatiepogingen zonder resultaat. Kind is overleden verklaard om 16:05 uur.

Bij schouw: ernstig hoofdletsel met schade linkerzijde schedel (zou niet met het leven verenigbaar zijn wat hersenschade aangaat). Voorts zou inwendige verbloeding rechtstreekse doodsoorzaak zijn geweest.".

8. Met betrekking tot de opgelegde straf heeft het Hof overwogen:

"De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft, nadat bij volgens de regels gestopt was voor bet kruisende fietspad teneinde voorrang te verlenen aan een vrouw op een fiets en een achter haar fietsend kind, met zijn personenbus het kind dat vlak voor zijn bus ten val was gekomen en op dat moment door verdachte niet meer kon worden gezien, overreden. Het kind, op het moment van het ongeluk slechts vijf jaar oud, is aan zijn verwondingen overleden. Het ongeluk gebeurde voor de ogen van de moeder, die voor haar kind uitfietste en omkeek toen zij bemerkte dat haar zoontje was gevallen. In parnek heeft zij vergeefs geprobeerd verdachte tegen te houden, toen hij met zijn bus optrok terwijl haar kind voor de auto op de weg lag.

Het aangerichte leed is onherstelbaar en onvoorstelbaar groot.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het ongeluk weliswaar betreurt maar zichzelf niet volledig schuldig acht aangezien hij van mening is dat hij uit een handgebaar dat de moeder naar hem zou hebben gemaakt, af mocht leiden dat het jongetje - dat hij op dat moment niet kon waarnemen - uit de gevarenzone was. Verdachte heeft naar eigen zeggen niets van het ongeval gemerkt en werd er pas op geattendeerd dat er iets gebeurd was, toen hij mensen hoorde gillen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij beide fietsers, moeder en kind, heeft zien aankomen, voor hen gestopt was, had gezien dat zij beiden aan de oversteek van links naar rechts voor zijn bus langs waren begonnen en door zijn rechter zijruit had gezien dat de moeder over de kruising heen was. Verdachte wist dat zijn uitzicht op het wegdek voor hem enigszins beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte.

Desondanks is verdachte met zijn bus opgetrokken zonder dat hij had gezien dat bet kind voor hem langs veilig de kruising was opgestoken.

De stelling van de verdachte dat hij reageerde op een handgebaar van de moeder is niet relevant. Een kind dat aan het verkeer deelneemt, is bijzonder kwetsbaar. Verdachte had dan ook extra alert moeten zijn op de positie van het jongetje en moeten wachten totdat hij met eigen ogen had gezien dat het kind veilig was overgestoken en met zijn moeder voort fietste op het voor verdachte zichtbare gedeelte van het fietspad. De verantwoordelijkheid en de schuld ligt dan ook enkel en alleen bij de verdachte.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Docunientatiedienst van 31 maart 2004, is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Verdachte is werkzaam geweest als beroepschauffeur en werkt na zijn pensioenering tot op de dag van vandaag enkele uren per dag voor en bij een taxibedrijf. Hij heeft jarenlange rijervaring. Het hof realiseert zich dat het gevolg van een zeer langdurige onvoorwaardelijke rijontzegging zal zijn dat de verdachte zijn baan zal verliezen, zijn familie niet rond kan rijden en mogelijk nooit meer bestuurder van een motorrijtuig kan zijn. Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld beeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwiji de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in bet belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen.

Gezien het hiervoor overwogene is de door de rechtbank opgelegde straffen, die ook door de advocaat-generaal zijn gevorderd een passende reactie op het bewezengeachte feit en doet deze onvoldoende recht aan de ernst daarvan. Met name acht het hof de duur van de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep gevorderde bijkomende straf onvoldoende. Het hof acht slechts de hiema op te leggen straffen passend en geboden.".

9. Het tweede cassatiemiddel richt zich als gezegd op de motivering van de bewezenverklaring. De bewezenverklaarde schuld - die door het Hof in de strafmotivering als "zeer aanmerkelijk" wordt aangemerkt - zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Aangevoerd wordt dat de aanmerkelijke schuld "in elk geval niet zonder meer voortvloeit uit de omstandigheid dat als gevolg van een en ander een kind is gedood". Er zou veeleer sprake zijn van "een hoogst ongelukkige samenloop van omstandigheden".

10. Voor een goed begrip van deze klacht vat ik de gang van zaken zoals die uit de bewijsmiddelen blijkt, kort samen. Verdachte verleende als bestuurder van een personenbus voorrang aan twee fietsers, namelijk een moeder en haar - achter haar aan fietsende - zoontje van vijf jaar. Het jongetje ([slachtoffer]) viel met als gevolg dat hij met zijn fiets voor de personenbus op straat kwam te liggen. De verdachte trok op nadat hij had gezien dat de moeder was overgestoken. Hij reed daardoor over het jongetje heen. De vraag is of dat voldoende is voor de vereiste grove schuld. Ik merk daarbij op dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het jongetje door toedoen van de verdachte ten val is gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt eerder het tegendeel. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook niet dat de verdachte had gezien dat het jongetje was gevallen en vóór de wielen van zijn auto was terechtgekomen. Ook dat was kennelijk niet het geval.

11. Als eerste bewijsmiddel bezigt het Hof de ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring van de verdachte. Opmerkelijk is dat de verdachte daarin schuld bekent: "Desgevraagd verklaar ik dat ik het door de rechtbank bewezenverklaarde feit beken, te weten: dat ik (...) "mij zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heb gedragen dat een aan mijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden (...)". De vraag is of deze schuldbekentenis een wettig bewijsmiddel oplevert. Mijns inziens is dat niet het geval. Een verdachte kan niet uit eigen wetenschap verklaren dat zijn gedrag schuld oplevert in de zin van art. 6 WVW 1994. Dat is een oordeel dat de rechter dient te geven.(2) Nu in de cassatiemiddelen niet over het gebruik van deze passage als bewijsmiddel wordt geklaagd, zal dit motiveringsgebrek geen zelfstandige grond voor cassatie kunnen opleveren. Wel zal deze passage buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de vraag of het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

12. Dezelfde verklaring houdt in dat "ik mij niet voldoende op de hoogte (ben) blijven stellen" van de aanwezigheid van [slachtoffer] op de voetgangersoversteekplaats en voorts dat "ik" de fietsersoversteekplaats ben opgereden "zonder mij voldoende te vergewissen" waar [slachtoffer] zich bevond en "zonder mij voldoende ervan te overtuigen dat ik dit kon doen zonder die [slachtoffer] (..) in gevaar te brengen". Ook voor deze passages geldt dat de vraag is of zij een voor het bewijs bruikbare inhoud hebben. Dat is mijns inziens weer niet het geval voor zover daarin gelezen moet worden dat de verdachte erkent zich onvoldoende op de hoogte te hebben gesteld (en dat dit tekortschieten "schuld" oplevert). Een verdachte kan verklaren dat hij zich niet op de hoogte heeft gesteld. Of hij dat had moeten doen, is een oordeel dat de rechter dient te geven. Mijns inziens dienen deze passages - voorzover zij een erkenning van schuld inhouden - eveneens buiten beschouwing te worden gelaten.

13. In HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252 m.nt. Kn oordeelde de Hoge Raad dat niet in zijn algemeenheid is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Dit omdat daarvoor verschillende factoren van belang zijn, "zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan". Daarbij liet de Hoge Raad een waarschuwend geluid horen: "niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin".

14. Ik heb mij afgevraagd of in deze zaak sprake is van een "verkeersovertreding", of te wel van "gedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer". Gedacht zou kunnen worden aan overtreding van art. 17 lid 1 RVV, luidende: "Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt (...), voor laten gaan". Gedacht kan ook worden aan art. 62 jo. art. 80 RVV, op grond waarvan bestuurders die haaietanden op hun pad treffen, "voorrang (moeten) verlenen aan bestuurders op de kruisende weg". Wat "voor laten gaan" betekent, wordt in art. 1 RVV niet gezegd. Wel wordt daarin bepaald wat onder voorrang verlenen moet worden verstaan. Dat wordt in art. 1 sub am RVV gedefinieerd als "het de betrokken bestuurder in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen". Als dit letterlijk wordt genomen, heeft de verdachte in dit geval voorrang verleend. Hij heeft immers zowel [slachtoffer] als zijn moeder in staat gesteld ongehinderd hun weg te vervolgen. Het was [slachtoffer] die - hoe cru het misschien ook klinkt - van de geboden gelegenheid geen adequaat gebruik maakte. Het is echter verdedigbaar dat "voorang verlenen" (en "voor laten gaan") ruimer moeten worden genomen zodat deze begrippen impliceren dat net zolang gewacht wordt tot de betrokken bestuurder het kruisingsvlak heeft verlaten.

15. Gedacht kan ook worden aan overtreding van het voorschrift van art. 54 RVV, volgens hetwelke "bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden (...) het overige verkeer voor (moeten) laten gaan". Men kan zich afvragen of het in dit geval de verdachte is die een "bijzondere manoeuvre" heeft uitgevoerd. Volgens de Nota van Toelichting was het "noodzakelijk uitdrukkelijk te bepalen dat bestuurders die bepaalde bijzondere manoeuvres uitvoeren, bestuurders die op een normale wijze aan het verkeer deelnemen, voor moeten laten gaan".(3) De vraag is of [slachtoffer], nadat hij ten val was gekomen, aangemerkt kan worden als een bestuurder die op een normale wijze aan het verkeer deelnam, en bijgevolg of het voorschrift van art. 54 RVV op situaties als de onderhavige betrekking heeft. Daar staat misschien tegenover dat de Hoge Raad in 1955 onder de gelding van het toenmalige Wegenverkeersreglement besliste dat ook de automobilist die even heeft gestopt, bijvoorbeeld om voorrang te verlenen, "wegrijdt" en dus een bijzondere manoeuvre uitvoert.(4)

16. Met het voorgaande wil uiteraard niet betoogd zijn dat van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 alleen sprake kan zijn als sprake is van een overtreding van een wettelijke gedragsregel. De vraag is wel of het beslissingsschema zoals dat door de Hoge Raad in bovengenoemd arrest (NJ 2005, 252) is ontvouwd, op de casus past. Ik meen dat, zo van een overtreding van één of meer van de genoemde gedragsregels kan worden gesproken (ik sluit dat bepaald niet uit), die overtreding een atypisch karakter heeft. Van een standaardsituatie, waarin de bestuurder ver gebleven is onder de norm die in die situatie voor hem geldt, en door die verstoring van het normale patroon gevaar sticht, is geen sprake. Het gaat om (al dan niet adequaat) handelen in een abnormale en gevaarlijke situatie die niet door een fout van de bestuurder in het leven was geroepen. Het is wellicht verhelderend om hetzelfde vanuit het perspectief van de andere verkeersdeelnemers (de potentiële slachtoffers) te verwoorden. Die verkeersdeelnemers mogen erop vertrouwen dat de bestuurder zich aan de voor hem geldende regels houdt, zodat zij ongestoord hun weg kunnen vervolgen. Als de bestuurder zich vervolgens niet aan die regels houdt is het ontstane gevaar - en de eventuele botsing of aanrijding - aan zijn fout te wijten. In casu was het [slachtoffer] die door zijn val - ongewild en zijns ondanks, maar toch - het normale patroon verstoorde. Hij lag niet op straat omdat hij erop mocht vertrouwen dat de verdachte niet weg zou rijden. Ook de moeder heeft daarop kennelijk niet vertrouwd. Zij onderkende, toen zij hoorde dat haar zoontje viel, het gevaar onmiddellijk en heeft - kennelijk - nog geprobeerd de verdachte met een handgebaar te waarschuwen. De tragiek daarbij was dat de verdachte dat handgebaar verkeerd interpreteerde. Maar dat de moeder het nodig oordeelde om de aandacht van verdachte te trekken, tekent de situatie.

17. Het atypische karakter van de overtreding - aangenomen dat daarvan sprake is - kleurt het oordeel over de grove schuld. Het gaat daarbij - om met de Hoge Raad te spreken - om de aard en de ernst van de overtreding en om de omstandigheden waaronder die is begaan. De vraag is, of als die factoren in de beschouwing worden betrokken, nog wel gesproken kan worden van grove schuld. Een complicerende vraag daarbij is, wat gerekend dient te worden tot de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Behoren daartoe ook de feitelijke gegevens die betrekking hebben op de vraag of de verdachte had kunnen zien dat [slachtoffer] viel en voor zijn auto op straat lag? Of zijn dat omstandigheden die betrokken moeten worden op de vraag of (alle) verwijtbaarheid ontbrak?(5) Soortgelijke vragen kunnen worden gesteld met betrekking tot de door de verdachte aangevoerde omstandigheid dat hij is afgegaan op een handgebaar van de moeder. Ik meen dat in elk geval de precieze positie van de gevallen [slachtoffer] (vlak vóór het taxibusje of juist enkele meters daarvoor, duidelijk zichtbaar voor de bestuurder) tot de objectieve verkeerssituatie moet worden gerekend en dus betrokken moet worden op de vraag of de verkeersovertreding grove schuld oplevert. Maar misschien is de moeilijkheid wel dat het beslissingsschema dat in NJ 2005, 252 werd ontwikkeld, zich in casu - vanwege het atypische karakter van de overtreding - minder goed voor toepassing leent.

18. In elk geval wel onverkort van toepassing blijft de waarschuwing dat niet elk tekortschieten van de verdachte grove schuld oplevert en dat die grove schuld niet uit de ernst van de gevolgen mag worden afgeleid.

19. Het Hof stelt in de strafmotivering vast dat het uitzicht van de verdachte op het wegdek enigszins beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte. Ik leid daaruit af dat de verdachte niet kon zien dat het jongetje voor zijn auto op het wegdek lag. Dat jongetje bevond zich met andere woorden in een soort "dode hoek" van het door de verdachte bestuurde voertuig.

20. Het feit dat het latere slachtoffer zich in een dode hoek bevond, disculpeert de verdachte blijkens de jurisprudentie niet snel. Men zie bijvoorbeeld HR 3 februari 1987, NJ 1987, 732; HR 10 september 1991, NJ 1991, 839 en HR 17 september 2002, NJ 2002, 549. De onderhavige zaak is echter met de zaken waarop deze arresten betrekking hebben, niet geheel vergelijkbaar. In de beide eerst genoemde arresten was telkens sprake van een verdachte die in een standaardsituatie geen voorrang verleende en die dus het vertrouwen beschaamde dat andere weggebruikers in zijn regelconform gedrag mochten stellen. In de laatstgenoemde zaak was de verdachte achteruit een kruising opgereden en bij die bijzondere manoeuvre een bromfietser niet voor laten gaan. Ook hier was dus geen sprake van het regelconforme gedrag waarop het overige verkeer mocht rekenen.

21. In de klassieke benadering van de culpa speelt de voorzienbaarheid van de gevolgen voor de dader een grote rol. De vraag is of de verdachte toen hij voorrang verleende redelijkerwijs had moeten voorzien dat het jongetje - dat onder begeleiding van zijn moeder en dus met haar kennelijke instemming aan het verkeer deelnam en daarom geacht kon worden over de daarvoor noodzakelijke rijvaardigheid te beschikken - ten val zou komen. Mijns inziens behoorde dat in elk geval niet tot het normaal te verwachten verloop der dingen. Desalniettemin moet misschien van een bestuurder gevergd worden dat hij met deze - nooit uit te sluiten - mogelijkheid rekening houdt. Op dat standpunt stelt zich het Hof. Het oordeelt dat de verdachte, nu hij wist dat hij een beperkt zicht had en het om een kwetsbare verkeersdeelnemer ging, "exra alert" had moeten zijn en pas had mogen optrekken nadat hij "met eigen ogen" had gezien dat het jongetje veilig de overkant had bereikt. Met dat argument veegt het Hof het verweer van de verdachte van tafel dat hij was afgegaan op een handgebaar van de moeder. Volgens het Hof is dat gegeven "niet relevant". Ik merk daarbij op dat het Hof de feitelijke juistheid van verdachtes stelling minst genomen in het midden heeft gelaten zodat er in cassatie van mag worden uitgegaan dat de verdachte inderdaad op een - door hem verkeerd geïnterpreteerd - teken van de moeder is afgegaan.

22. De vraag waarop het mijns inziens uiteindelijk aankomt, is of het niet vertonen van de extra alertheid die het Hof vergt, aangemerkt kan worden als een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of zelfs - zoals het Hof oordeelde - als een zeer aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Ik meen dat dit niet het geval is. Daarbij merk ik op dat ik niet kan inzien dat het afgaan op een teken van de vrouw die als begeleidster van het kind optrad, als een grove onvoorzichtigheid heeft te gelden. Het is geenszins ongebruikelijk dat een bestuurder zich bij het uitvoeren van bepaalde manoeuvres laat leiden door de aanwijzingen die iemand geeft die de situatie beter kan overzien. In casu was tijdens het oversteken sprake van een vorm van communicatie tussen de betrokkenen. Zoals uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de moeder blijkt, stak zij over nadat de verdachte een gebaar maakte dat zij kon oversteken. Waarom zou de verdachte dan niet op zijn beurt mogen afgaan op een gebaar van de moeder? Het antwoord kan niet zijn: omdat achteraf bleek dat de moeder het anders had bedoeld. Dwaling kan immers disculperend werken. Het Hof had mijns inziens moeten onderzoeken of de dwaling waarin de verdachte verkeerde, verschoonbaar was.

23. Ik meen dat de bewezenverklaarde (zeer) aanmerkelijke schuld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dit primair omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat aan de vereiste schuldgraad is voldaan. Subsidiair omdat het oordeel van het Hof dat de grove onvoorzichtigheid de verdachte verweten kan worden, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

24. Het middel slaagt.

25. Voor het geval Uw Raad daarover anders mocht oordelen, bespreek ik ook het eerste middel. Daarin wordt er als gezegd over geklaagd dat het Hof, door te oordelen dat de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

26. Voor de duidelijkheid herhaal ik de - hiervoor onder 8 reeds weergegeven - passage waarop het middel betrekking heeft:

"Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld heeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen."

27. De vraag die zich reeds bij lezing van het arrest van het Hof opdringt, is hoe deze overweging zich verhoudt tot de voor het bewijs gebezige, "gave" schuldbekentenis die de verdachte ter zitting aflegde. Zoals onder 11 en 12 reeds ter sprake kwam erkende de verdachte niet alleen volmondig dat hij zich "zeer onvoorzichtig en onoplettend" heeft gedragen, maar ook dat hij de fietsersoversteekplaats was overgestoken zonder zich er voldoende van te vergewissen waar [slachtoffer] zich bevond. Men vraagt zich af hoe het Hof aan deze verklaringen in het kader van de bewijsmotivering betekenis heeft kunnen toekennen, als het tegelijk van oordeel is dat de verdachte niet de indruk wekt te beseffen dat hij een grote fout heeft begaan. Daarin schuilt iets tegenstrijdigs.

28. Het proces-verbaal van de zitting biedt mijns inziens weinig steun voor de vaststelling van het Hof dat de verdachte niet de indruk wekt over voldoende schuldbesef te beschikken. Het verhandelde ter zitting wijst eerder op het tegendeel. Aanvankelijk was alleen de gemachtigde raadsvrouw verschenen. Het Hof beval echter de persoonlijke verschijning van de verdachte. Deze verklaarde vervolgens alleen bezwaar te hebben tegen de opgelegde straf. Dat verraste de raadsvrouw. Zij vroeg om een onderbreking om met haar cliënt te overleggen nu deze zijn standpunt met betrekking tot het ingestelde beroep kennelijk had gewjzigd. Na hervatting deelde de raadsvrouw mee dat alleen een strafmaatverweer zal worden gevoerd en dat daarom kon worden afgezien van het horen van de opgeroepen, ter zitting verschenen getuigen. De verdachte zag dus zeer uitdrukkelijk - mogelijk tegen het advies van zijn raadsvrouw in - af van het voeren van verweer tegen de tenlastelegging. Dat duidt eerder op een overmaat aan schuldbesef, dan op een gebrek daaraan.

29. Mogelijk is het Hof gevallen over hetgeen de verdachte verklaarde nadat hij volmondig schuld had bekend: "Ik ben echter van oordeel dat de moeder van het slachtoffer ook schuld heeft aan het ongeval. Zij heeft immers haar hand opgestoken waardoor ik dacht dat het kruispunt vrij was en daarop ben ik gaan rijden. Ik ben op het handgebaar afgegaan. Als zij dat niet had gedaan was ik niet gaan rijden en was er niets aan de hand geweest." Hoewel de woordkeus (schuld van de moeder) ongelukkig genoemd kan worden, was de strekking van de verklaring dat de verdachte - achteraf gezien ten onrechte - op het handgebaar van de moeder was afgegaan. Naar ik meen is het geenszins onbegrijpelijk of oninvoelbaar dat de verdachte dat als een verzachtende omstandigheid aanvoerde. Als verdachten daarop bij de strafoplegging kunnen worden afgerekend, wordt de ruimte om in uiterst gevoelig liggende zaken als de onderhavige nog enig verweer te voeren, tot een minimum beperkt. De druk die daardoor ontstaat om maar deemoedig schuld te bekennen, laat van het contradictoire strafproces weinig heel.

30. Naar aanleiding van het middel merk ik nog het volgende op. Het Hof legt in zijn overweging een verband met het (vermeende) tekort aan schuldbesef en de verkeersveiligheid. Ik begrijp dat aldus dat het Hof voor herhaling vreest omdat de verdachte niet inziet dat hij fout is geweest. Aangezien de verdachte uitdrukkelijk heeft erkend dat hij zich beter had moeten vergewissen of het kruispunt vrij was, is het gelegde verband met de verkeersveiligheid mijns inziens niet zonder meer begrijpelijk.

31. Het middel slaagt.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met verwijzing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.m. HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739 m.nt. JdH.

2 Vgl. HR 25 maart 1935, NJ 1935, p. 840, waarin met betrekking tot een - niet voor het bewijs gebezigde - ontkenning werd overwogen dat zij "niet betreft hetgeen ten deze feitelijk is geschied, doch de juridische waardeering daarvan, waaromtrent het oordeel niet van requirant maar van den rechter beslissend is". Gezegd zou ook kunnen worden dat een dergelijke in kwalificatieve termen gegoten erkenning van schuld een te onbepaalde inhoud heeft om voor het bewijs gebezigd te kunnen worden. Zie o.m. HR 22 februari 1977, NJ 1977, 376 m.nt. ThWvV.

3 NvT p. 120, Stb. 1990, 459.

4 HR 1 februari 1955, VR 1955, 24. Vgl. Remmelink-Otte, Hoofdwegen door het verkeersrecht, 5e druk, p. 29.

5 Vgl. rov. 3.6 van NJ 2005, 252.