Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AT4931

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2006
Datum publicatie
17-02-2006
Zaaknummer
40994
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0971
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AT4931
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 32, lid 1, onder 10, Successiewet 1956. Vallen STRIPS onder de vrijstelling van nog niet vorderbare termijnen van rente?

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/193 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
FED 2006/52
Belastingadvies 2006/6.14
V-N 2006/13.24
KWEP 2006/17
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 40.994

Mr. Niessen

Derde Kamer B

Recht van successie 1996

Conclusie inzake

de Staatssecretaris van Financiën

tegen

X1,

X2 en

X3

22 maart 2005

1. Feiten en procesverloop

1.1 De zaak betreft de vraag of de verkrijging van zogenoemde STRIPS (Seperate Trading of Registered Interest and Principal Securities) is vrijgesteld van het recht van successie.

1.2 Tot de nalatenschap van A (overleden op 22 juni 1996; hierna: de erflater) behoorden 522.200 van deze STRIPS. De STRIPS betreffen op 15 januari 1997 vervallende rentecoupons van de 7,5% staatsobligatie 1993-2023. Tot de nalatenschap behoorden geen mantels.

1.3 Belanghebbenden, elk voor een derde deel erfgenaam, hebben ter zake van de nalatenschap van de erflater in hun aangifte voor het recht van successie als zuiver saldo van de nalatenschap f. 31.686 aangeven. In dit bedrag zijn de tot de nalatenschap behorende STRIPS niet begrepen.

1.4 Op één aanslagbiljet verenigd zijn aan belanghebbenden aanslagen in het recht van successie met dagtekening 12 augustus 1997 opgelegd ter zake van ieders verkrijging ter grootte van f. 190.562 uit de nalatenschap van de erflater. Deze verkrijgingen zijn door de Inspecteur in bezwaar verminderd tot belastbare verkrijgingen van f. 181.147. Daarbij heeft de Inspecteur de waarde van de STRIPS ten sterfdage ontleend aan de prijscourant en gesteld op f. 511.756,-.

1.5 Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) heeft bij uitspraak van 9 maart 2004, nr. 02/01383,(1) het door belanghebbenden ingestelde beroep gegrond verklaard, belanghebbenden alsnog ontvankelijk verklaard in het bezwaar(2) en de aanslagen van ieder van de belanghebbenden verminderd tot aanslagen naar een belastbare verkrijging van f. 10.562.

1.6 Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris) is tijdig en regelmatig ingediend. Belanghebbenden hebben tijdig en regelmatig een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Partijen hebben gerepliceerd, respectievelijk gedupliceerd.

2. Geschil

2.1 Belanghebbenden hebben zich voor het Hof primair op het standpunt gesteld dat de STRIPS lopende coupons zijn waarop de vrijstelling van artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956 van toepassing is. Belanghebbenden hebben zich subsidiair beroepen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbenden hebben hun standpunten dat de aanslag moet worden vernietigd, omdat de termijn van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is overschreden en dat de heffing van (heffings)rente achterwege moet worden gelaten, in hun pleitnota respectievelijk ter zitting ingetrokken.

2.2 Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven (rov. 3.1):

"Het geschil is ter zitting door partijen teruggebracht tot het antwoord op de volgende twee vragen:

- Is de vrijstelling van toepassing op de verkrijging van de STRIPS?

- Zo nee, kan dan een beroep worden gedaan op de mededeling van de Staatssecretaris van 12 juli 1993, nr. DB93/2367M?"

2.3 Naar het oordeel van het Hof is er in wezen geen verschil tussen verwerving van coupons met of zonder de onderliggende mantel (rov. 4.4). Voldoende is thans eenvoudigweg dat sprake is van nog niet vorderbare rente (rov. 4.6). Dat de wetgever als voorbeeld waar vereenvoudiging optrad, destijds alleen gevallen gaf waarin de lopende termijnen van inkomsten tegelijk vererfden met het vermogen waaruit die inkomsten werden getrokken, is naar het oordeel van het Hof onvoldoende reden om de vrijstelling te weigeren (rov. 4.7). In rov. 4.8 overweegt het Hof:

"Het gevolg is dat over de waarde van de STRIPS geen successierecht wordt geheven, terwijl de heffing van inkomstenbelasting beperkt blijft tot de oprenting tijdens de korte bezitsperiode.

Het ligt echter niet op de weg van de rechter om in weerwil van de tekst van de wet en zonder dat de wetsgeschiedenis daartoe aanleiding geeft de onderhavige vrijstelling te weigeren. Als het geldende recht tot ongewenste gevolgen leidt, dient de wetgever in te grijpen."

2.4 In cassatie draagt de staatssecretaris één middel voor. De staatssecretaris stelt dat het Hof het recht geschonden heeft, in het bijzonder artikel 32, eerste lid, onderdeel 10, in samenhang met artikel 21, derde lid, Successiewet 1956 doordat het Hof geoordeeld heeft dat de verkrijging van de STRIPS is vrijgesteld van successierecht en over de waarde van de STRIPS dus geen successierecht wordt geheven.

2.5 De staatssecretaris stelt - kort gezegd - dat van een termijnsgewijze genieten van lopende rentebedragen in het onderhavige geval geen sprake is en dat het volledig in de heffing van successierecht betrekken van de STRIPS volledig binnen de bedoeling van de wetgever en de systematiek van de Successiewet past. De staatssecretaris stelt voorts dat het niet in de heffing van successierecht betrekken van de waarde van de STRIPS leidt tot een volstrekt ongerijmd resultaat, omdat door het bij de erflater aanwezige vermogen te beleggen in de onderhavige STRIPS een totaal successierechtvrij vermogen zou kunnen worden gecreëerd. Het resultaat waartoe het Hof komt is volgens de staatssecretaris voorts ongerijmd tegen de achtergrond van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever met de onderhavige vrijstelling, te weten het zoveel mogelijk voorkomen van cumulatie van inkomstenbelasting en successierecht. Ook vanuit de andere invalshoek van de wetgever, te weten het nastreven van vereenvoudiging bij de heffing van successierecht, is er volgens de staatssecretaris geen enkele reden de onderhavige vrijstelling toe te passen, nu hier sprake is van ter beurze genoteerde effecten met afzonderlijke koersen waardoor de omvang van het in de heffing te betrekken bedrag zonder meer kan worden gevonden in de Successieprijscourant.

2.6 Belanghebbenden stellen in hun verweerschrift primair dat de staatssecretaris met zijn standpunt dat in het onderhavige geval geen sprake is van een termijnsgewijze genieten van lopende rentebedragen, gelet op het standpunt van de Inspecteur voor het Hof en de vaststelling van het Hof ter zitting dat niet in geschil is dat de STRIPS civielrechtelijk nog niet vorderbare termijnen van rente zijn, buiten de rechtsstrijd treedt. Subsidiair merken belanghebbenden (in hun aanvullend verweerschrift) op dat noch in de wetsgeschiedenis noch in de wettekst duidelijkheid bestaat over een te stellen eis van een genieten van lopende rentebedragen c.q. over een te stellen eis van periodiciteit. Belanghebbenden stellen voorts dat het vereiste dat over de verkrijging zelf inkomstenbelasting geheven wordt, moet worden losgelaten.

3. Omvang van het geschil

3.1 Allereerst zal ik ingaan op het verweer van belanghebbenden dat de staatssecretaris met zijn stelling dat van een termijnsgewijze genieten van lopende rentebedragen in het onderhavige geval geen sprake is, buiten de rechtsstrijd treedt.

3.2 In rov. 4.2 heeft het Hof omtrent de omvang van het geschil het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat de STRIPS civielrechtelijk nog niet vorderbare termijnen van rente zijn. In geschil is alleen of voor de verkrijging daarvan de vrijstelling van successierecht geldt."

3.3 In zijn verweerschrift voor het Hof heeft de Inspecteur opgemerkt:

"Dat sprake is van lopende coupons bestrijd ik niet. Dat de vrijstelling in sommige gevallen op lopende coupons van toepassing is, ook niet. Wel ben ik van mening dat de vrijstelling op de onderhavige coupons niet van toepassing is, omdat ze van de 7,5% staatsobligatie 93/23 zijn "gestript"."

Ter zitting heeft de Inspecteur aan zijn standpunt toegevoegd (rov. 3.2):

"STRIPS zijn op sterfdatum lopende termijnen van rente."

3.4 In de motivering van het beroepschrift stelt de staatssecretaris dat de tot de nalatenschap behorende STRIPS slechts betrekking hebben op één uit te keren (rente)bedrag en dat door de afsplitsing van die afzonderlijke STRIPS niet kan worden volgehouden dat over geregeld terugkerende perioden rentebedragen worden genoten. Met dit standpunt treedt de staatssecretaris naar mijn mening niet buiten de rechtsstrijd, nu dit standpunt niet strijdig is met de stelling van de Inspecteur tijdens de procedure voor het Hof dat STRIPS op sterfdatum lopende termijnen van rente zijn. Het gaat in deze zaak immers om STRIPS die alle liepen tot 15 januari 1997 en derhalve "lopend" waren. Op die datum zou op de STRIPS f. 522.200,- vorderbaar en inbaar worden. Voor het standpunt van de staatssecretaris is in de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag te vinden, zodat deze stelling in cassatie kan worden behandeld.

4. Wat zijn STRIPS?

4.1 Transacties op de kapitaalmarkt hebben geregeld betrekking op vorderingen ten laste van de Staat der Nederlanden. Dergelijke transacties kunnen zien op de gehele schuldverhouding, maar het is ook mogelijk dat de vordering tot aflossing van de geldlening en de vordering tot betaling van rente gescheiden worden verhandeld. De vordering tot betaling van niet-opeisbare rente is als toekomstig goed zelfstandig overdraagbaar.(3) Door cessie kunnen de vorderingen tot betaling van rente van de vordering tot betaling van de hoofdsom worden afgezonderd. Op de kapitaalmarkt wordt, indien sprake is van een rentevordering die is afgescheiden van de hoofdvordering, gesproken van een strip.(4)

4.2 Begin februari 1993 heeft het Agentschap van het Ministerie van Financiën de mogelijkheid geboden een 30-jarige staatslening te "strippen". Onder dit "strippen" wordt verstaan, dat de openbare staatslening wordt gesplitst in enerzijds de hoofdsom (de mantel) en anderzijds de jaarlijkse rentetermijnen (de coupons).(5) Deze effecten worden aangeduid als STRIPS (Separate Trading of Registered Interest and Principal Securities) en zijn afzonderlijk verhandelbaar.(6) De splitsing van een obligatie kan ook weer ongedaan worden gemaakt. Voor het splitsen of samenvoegen van de staatsobligatie is de tussenkomst van de Nederlandse Bank verplicht gesteld. De Nederlandse Bank verzorgt de omwisseling van staatsobligaties in strips, voor zover er toestemming is verleend door de Minister van Financiën om obligaties ter omwisseling aan te bieden.(7)

5. De wetsgeschiedenis van artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956

5.1 Ingevolge artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956 (tot 1 januari 1965 artikel 32, lid 1, onderdeel 9) is van het recht van successie vrijgesteld hetgeen wordt verkregen:

"aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten."

5.2 In het wetsontwerp, dat tot de huidige wet heeft geleid, werd de in artikel 80, onderdeel 9, Successiewet 1859 voorkomende vrijstelling ter voorkoming van dubbele heffing van schenkingsrecht en inkomstenbelasting aanvankelijk uitgebreid tot het successierecht. De voorgestelde vrijstelling was identiek aan de vrijstelling voor het schenkingsrecht: vrijgesteld wordt hetgeen wordt verkregen door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven.(8) In de memorie van toelichting wordt opgemerkt:

"De vrijstelling van arikel, 32, 10°, van het ontwerp ziet op de gevallen, waarin een erfrechtelijke verkrijging als opbrengst van dienstbetrekking of als 'winst' moet worden beschouwd en dus behalve aan de heffing van successierecht, tevens aan inkomstenbelasting is onderworpen. Tot dusverre wordt in dergelijke gevallen van dubbele heffing goedgekeurd, dat op billijkheidsgronden de heffing van inkomstenbelasting achterwege blijft. De vraag of deze oplossing de juiste is, dan wel of de inkomstenbelasting moet prevaleren, is niet voor een algemeen antwoord vatbaar. Ondergetekende heeft tenslotte gemeend, aan de handhaving van de heffing van inkomstenbelasting de voorkeur te moeten geven boven die van successierecht. Behalve de omstandigheid, dat zodoende op dit gebied meer eenheid wordt gekregen (gezien de bestaande regeling inzake schenkingsrecht en inkomstenbelasting, artikel 80, 9°, van de bestaande wet, gehandhaafd bij artikel 33, 7°, van het ontwerp), heeft tot deze voorkeur mede geleid de overweging, dat de onderhavige kwestie ook van belang is voor de belasting van de zgn. fictieve verkrijgingen. Ook het bij een onder een fictiebepaling vallende transactie behaalde voordeel immers kan als loon of bedrijfswinst een aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen bate vormen en bij dergelijke verkrijgingen - die kunstmatig tot het domein van de Successiewet zijn gebracht - treedt het karakter van inkomen sterker naar voren." (9)

5.3 Bij de nota van wijziging werd hier echter op teruggekomen. De voorgestelde vrijstelling werd ingetrokken en vervangen door een objectieve vrijstelling van lopende termijnen van huren en renten (en later ook van pachten).(10)

"Het bij het ontwerp van wet gedane voorstel tot het in het leven roepen van een vrijstelling van successierecht ingeval de verkrijger ter zake van zijn verkrijging inkomstenbelasting verschuldigd is is in de eerste plaats ingegeven, omdat een dergelijke bepaling reeds thans in de wet (art. 80, 9°) voorkomt voor verkrijgingen die zowel aan schenkingsrecht als aan inkomstenbelasting zijn onderworpen en voorts omdat de praktijk enkele malen had doen zien, dat gelijktijdige heffing van successierecht en inkomstenbelasting inderdaad mogelijk is. Gedacht is hier aan gevallen waarin een werknemer een legaat verkrijgt, dat als 'opbrengst van dienstbetrekking' kan worden beschouwd. Deze mogelijkheid van cumulatie van heffingen geeft intussen in de praktijk niet tot moeilijkheden aanleiding, omdat met toepassing van artikel 59 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 de heffing van inkomstenbelasting in dergelijke gevallen achterwege wordt gelaten. Laatstbedoelde oplossing is even goed verdedigbaar als het achterwege laten van het successierecht en zij is in de praktijk der wetstoepassing in het algemeen eenvoudiger dan een regeling krachtens welke geen successierecht doch wèl inkomstenbelasting zou moeten worden geheven.

Kan dus aan de aanvankelijk voorgestelde bepaling, voor wat het successierecht betreft, in het licht van de voormelde omstandigheden, geen groot nut worden toegeschreven, zeker is anderzijds, dat zij soms de toepassing der beide belastingwetten in onderling verband zou compliceren, aangezien daarbij de heffing van successierecht afhankelijk wordt van de vraag of al dan niet inkomstenbelasting zal worden geheven. Vertraging bij de vaststelling der successierechten zou daarvan het gevolg zijn. Ook bij het tegenwoordige artikel 80, 9°, der wet (dus voor wat de verhouding tussen schenkingsrecht en inkomstenbelasting betreft) doen zich op dit punt bezwaren voor, doch deze zijn van geringe praktische betekenis, mede aangezien het werkingsgebied van artikel 80, 9°, vrij beperkt is.

Blijft de regeling op grond van de vorenstaande overwegingen, gelijk tot dusverre, tot de samenloop van schenkingsrecht en inkomstenbelasting beperkt, dan is praktisch het enige punt waarop zulks tot wrijving tussen successierecht en inkomstenbelasting zou kunnen leiden de belasting van huren en renten welke afkomen van door een erflater nagelaten vermogensbestanddelen en ten sterfdage nog niet opeisbaar zijn. Deze lopende huren en renten worden naar de tegenwoordige Successiewet (en ook volgens het ontwerp) met successierecht getroffen, daar zij deel uitmaken van de verkrijging door erfgenamen en legatarissen; zodra zij opeisbaar zijn, worden zij bij de verkrijgers bovendien met inkomstenbelasting getroffen (waarbij het successierecht als 'kosten van verwerving' in mindering mag worden gebracht).

In deze zou een meer afdoende voorziening kunnen worden getroffen, welke ook uit praktisch oogpunt als een verbetering kan worden beschouwd. Gedoeld wordt hier op het in het leven roepen van een objectieve vrijstelling van ten sterfdage lopende huren en renten, waarbij ter bevordering van de eenvoud dus buiten beschouwing zal blijven de vraag of nu in elk bijzonder geval van de bedoelde baten, nadat zij opeisbaar zijn geworden, inderdaad ook inkomstenbelasting bij de verkrijgers wordt geheven."(11)

5.4 Op de vraag van de vaste Commissie van Financiën waarom de vrijstelling beperkt is tot lopende termijnen van huren en renten en niet geldt voor alle lopende termijnen van inkomsten, is als volgt geantwoord:

"De Regering betoogde, dat de oorspronkelijke tekst van artikel 32, 10°, hoofdzakelijk als een vereenvoudiging was gedacht. Nader is gebleken, dat het aantal denkbare situaties op dit terrein groter is dan aanvankelijk werd gemeend en dat van de ontworpen regeling een vereenvoudiging menigmaal niet verwacht zou kunnen worden. Men denke hier b.v. aan de splitsing van tijdelijke renten en kapitaalsuitkeringen in kapitaal- en in rentebestanddelen. Hierop is ook gewezen in het tot de Tweede Kamer gerichte advies van de Broederschap van Candidaat-Notarissen dd. November 1948. Overigens heeft de ontwikkeling van de rechtspraak er inmiddels toe geleid, dat een betere aansluiting is verkregen. Onder deze omstandigheden verdient het naar de mening der Regering de voorkeur, voor gevallen, waarin werkelijk vereenvoudiging bij de behandeling van aangiften door aangevers en administratie kan worden verkregen - dat is bij aangifte van ten sterfdage lopende huren en renten, welke door de erfgenamen als zodanig worden verkregen -, een objectieve vrijstelling te scheppen. Hierdoor wordt bovendien voor een voorname groep van gevallen de dubbele heffing ter zijde gesteld."(12)

5.5 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrijstelling, door overneming van het amendement-Hofstra(13), haar huidige, aan artikel 6, onderdeel f, van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 ontleende, redactie gekregen. Hofstra heeft zijn amendement als volgt toegelicht:

"De zin van deze amendementen is deze, dat ik nog niet vorderbare inkomsten uit de successiememorie zou willen verwijderen. De verplichting om lopende inkomsten in de successiememories ter vermelden, is een bron van narigheden. Als men b.v. een paar obligaties heeft, waarop een- of tweemaal per jaar de rente betaalbaar wordt gesteld, dan moet men de lopende rente gaan uitrekenen. (...).

Dit is overigens niet slechts een praktische kwestie; het is ook een vraagstuk met een wat meer theoretische achtergrond. (...) Het is, geloof ik, een gezond standpunt, wanneer wij naar een regeling streven, die vermijdt, dat dezelfde bedragen èn door het successierecht èn door de inkomstenbelasting worden getroffen. Welnu, de posthume inkomsten, dus de inkomsten, die na het overlijden van de erflater door zijn erfgenamen worden genoten, worden bij de erfgenamen door de inkomstenbelasting belast en de inkomstenbelasting is meestal aanmerkelijk hoger dan het successierecht. Ik meen daarom, dat door het heffen van inkomstenbelasting de zaak als afgedaan zou mogen worden beschouwd. (...)

De geachte Staatssecretaris heeft zo juist bij de behandeling van mijn vorige amendement een beroep gedaan op mijn belangstelling voor een vereenvoudiging van het belastingrecht. Ik appeleer daaraan en ik verzoek hem ook hier de meest eenvoudige oplossing te kiezen door de lopende inkomsten vrij te stellen van het succesierecht en ze in de inkomstenbelasting te belasten bij de erfgenaam, zoals ook thans reeds het geval is."(14)

5.6 De staatssecretaris heeft op deze toelichting van Hofstra als volgt gereageerd:

"In de stukken is een beperkter methode verdedigd, die zowel in de successie als in de inkomstenbelasting toch niet voor alle lopende inkomsten een sluitende conceptie brengt. Ik meen inderdaad, dat wij vooral op praktische gronden, die de geachte afgevaardigde heeft aangevoerd, wel wat verder kunnen gaan dan in de gewisselde stukken is gezegd. Ik ben dus bereid om de gedachte van het amendement over te nemen, dus om de lopende termijnen van inkomsten, volgens de formule, die in het amendement is vermeld, uit de successie te halen."(15)

6. De reikwijdte van artikel 32, eerste lid, onderdeel 10, Successiewet 1956

6.1 Over de reikwijdte van de aldus tot stand gekomen vrijstelling bestond in de literatuur geen eenstemmigheid. Daarbij ging het in het bijzonder om de woorden "nog niet vorderbaar".(16) In het arrest van 21 september 1960, nr. 14 312, BNB 1960/316, met noot van A.J. van Soest, heeft Uw Raad zich voor het eerst uitgelaten over de betekenis van de onderhavige successierechtvrijstelling.(17) Na een uiteenzetting van de wetsgeschiedenis overwoog Uw Raad:

"dat dit amendement, door de Regering overgenomen, tot den bestaanden tekst van artikel 32, onder 9e, der Successiewet 1956 heeft geleid blijkens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer mede met de bedoeling alle termijnen van periodiek genoten inkomsten, welke ten sterfdage lopende zijn, volgens de formule, ontleend aan artikel 6, letter f, der Wet op de Vermogensbelasting 1892, van het recht van successie vrij te stellen;

dat dit medebrengt enerzijds, dat de vrijstelling uitsluitend geldt voor periodiek genoten inkomsten over een termijn, in den loop waarvan de erflater is overleden, en dus niet over een of meer termijnen, die op dat tijdstip reeds zijn verstreken, anderzijds, dat zij zich uitstrekt tot alle periodiek genoten inkomsten, ook indien deze niet zoals huren, pachten, renten en dergelijke burgerlijke vruchten van vermogen van dag tot dag genoten worden, mits slechts de termijn op een later tijdstip dan den sterfdag des erflaters eindigt;"

6.2 Het arrest van Uw Raad van 30 januari 1974, nr. 17 226, BNB 1975/27, met noot van J.P. Scheltens, heeft betrekking op de vraag of de vrijstelling van artikel 32, lid 1, onderdeel 10, van toepassing is op de in de waarde van rentespaarbrieven begrepen rente. Uw Raad overwoog:

"dat aan deze bepaling, ook blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming, niet de strekking kan worden toegekend heffing zowel van recht van successie als van inkomstenbelasting voor de in die bepaling bedoelde termijnen van renten geheel te voorkomen; dat de wetsgeschiedenis wel grond geeft aan te nemen dat een streven naar vereenvoudiging van de aangifte voor het recht van successie een belangrijke rol heeft gespeeld bij het vaststellen van de bepaling, doch dat deze geschiedenis niet noopt tot een uitlegging als door belanghebbenden voorgestaan;

Onder lopende termijnen van renten zijn slechts te verstaan lopende rentebedragen, welke evenals de overige in de bepaling omschreven inkomsten, termijnsgewijze - dat wil zeggen over terugkerende perioden - worden genoten.

6.3 In zijn noot merkt Scheltens op dat de geschiedenis van de bepaling duidelijk doet blijken, dat men geen regeling heeft willen treffen voor gevallen, waarin de erfrechtelijke verkrijging tevens het belastbare feit voor de inkomstenbelasting vormt, maar slechts voor gevallen, waarin "in aangroei" zijnde vorderingen worden verkregen, die bij "volgroeid" zijn inkomsten zullen vormen. Hij merkt echter ook op dat deze historie enige twijfelpunten biedt. Zo geeft hij aan dat men wel sprak over obligatie-rente en dergelijke (Hofstra in zijn toelichting), dus over periodieke inkomsten, maar dat over een te stellen eis van periodiciteit niet werd gesproken. Ook vraagt hij zich af of Hofstra meende dat de periodiciteit reeds voldoende tot uiting kwam in de term "termijnen" en wijst hij erop dat de historie veel onzekerder is dan de Hoge Raad doet uitkomen.(18)

6.4 In paragraaf 35 van de Leidraad Successiewet 1956 wordt omtrent de vrijstelling opgemerkt:

"1. Deze vrijstelling - waarvan de redactie bij de mondelinge behandeling dezelfde inhoud heeft gekregen als die van art. 6, 1a. f van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 - berust op praktische motieven.

2. Het gaat om niet-vorderbare 'termijnen', dus om baten die het karakter van periodiciteit dragen; men denke aan ten sterfdage lopende salarissen, coupons, lijfrentetermijnen, huren, pachten e.d.

(...)

4. Nu geen regeling is geschapen ter voorkoming van dubbele heffing van inkomstenbelasting en successiebelasting, bestaat geen vrijstelling voor bijv. het rentebestanddeel van een kapitaalsuitkering krachtens levensverzekering ingeval van overlijden. Het vorenstaande geldt ook voor legaten aan werknemers in de uitoefening van hun dienstbetrekking (voor zover niet vallende onder art. 32, lid 1, 9°); hier blijft echter de regeling van kracht, waarbij van de heffing van inkomstenbelasting wordt afgezien (vergelijk PW nr. 14 947). (...)" (19)

6.5 Uit de wetsgeschiedenis volgt derhalve dat het doel van de regeling was het voorkomen van dubbele heffing, doch dat er niet naar werd gestreefd om de heffing zowel van recht van successie als van inkomstenbelasting voor de in de vrijstelling genoemde termijnen geheel te voorkomen. Om de wetstoepassing eenvoudiger te maken, zodat de heffing van successierecht niet afhankelijk is van de vraag of al dan niet inkomstenbelasting wordt geheven, is gekozen voor een objectieve vrijstelling van bepaalde lopende termijnen. Ondanks deze objectieve vrijstelling zal ik - gelet op deze achtergrond van de vrijstelling - hierna de heffing van inkomstenbelasting over de tot de nalatenschap behorende STRIPS behandelen.

7. Heffing inkomstenbelasting (Wet op de inkomstenbelasting 1964)

7.1 Naar aanleiding van de begin februari 1993 geboden mogelijkheid een recent daarvoor uitgegeven 30-jarige staatslening te "strippen", heeft de staatssecretaris in een mededeling zijn standpunt bekend gemaakt over de fiscale behandeling van STRIPS.(20) Met betrekking tot particulieren die lopende coupons houden, geeft de staatssecretaris aan dat, omdat de gestripte staatslening gedurende haar looptijd een zelfde, regelmatig vervallende rente kent en de coupons betrekking hebben op een tijdvak van één jaar, de coupons voldoen aan de omschrijving van artikel 27, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB 1964), zodat in beginsel de bij de opeenvolgende eigenaars van de lopende coupon gerijpte rente wordt belast. De staatssecretaris geeft vervolgens aan dat Uw Raad in het arrest van 4 oktober 1978, nr. 18 736, na conclusie van A-G Van Soest, BNB 1978/299, met noot van H.J. Hofstra, op basis van de wetsgeschiedenis beslist heeft dat als dergelijke lopende rentetermijnen afzonderlijk van de hoofdsom worden vervreemd, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat niet artikel 27 kan worden toegepast doch op grond van artikel 31, lid 1, Wet IB 1964 de volledige koopsom bij de verkoper is belast.

7.2 Voornoemd arrest heeft betrekking op de verkoop op 2 november 1972 van per 1 november 1973 vervallende coupons aan een bank, terwijl de verkoper de obligaties behield. Uw Raad overwoog:

"dat mitsdien een redelijke wetstoepassing meebrengt ingeval van afzonderlijke koop en verkoop van rentetermijnen, vallende onder de omschrijving van de tweede volzin van artikel 27, lid 1, de volle koopsom bij de verkoper aan te merken als - door de werking van artikel 31, lid 1, Wet IB 1964 genoten - inkomsten uit vermogen en daartegenover diezelfde som bij de niet in de uitoefening van zijn onderneming handelende koper als aftrekbare kosten te behandelen;"(21)

7.3 In voornoemde Mededeling van de staatssecretaris wordt voorts ingegaan op de aftrekbaarheid van het aankoopbedrag:

"De niet in het kader van een onderneming handelende koper van de coupons kan het aankoopbedrag tot de aftrekbare kosten rekenen. Op grond van het bepaalde bij art. 36, negende lid, van de Wet, wordt deze aftrek beperkt tot het bedrag dat de belastingplichtige krachtens de coupons aan inkomsten geniet. Op grond van het bepaalde bij art. 38, derde lid, van de Wet wordt deze aftrek pas in aanmerking genomen voor zover de belastingplichtige deze inkomsten geniet. De aftrek wordt derhalve uiterlijk in het jaar waarin coupons tot uitkering komen of worden vervreemd, in aanmerking genomen."

7.4 Van der Geld gaat in zijn artikel "Fiscale aspecten van financiële instrumenten" in op de consequenties van de 'gestripte' staatslening voor de inkomstenbelasting.(22) Hij geeft aan dat van belang is "de vraag wie de obligatie in 31 stukjes knipt." Indien dat gebeurt door of namens de emittent bij uitgifte moet volgens hem worden aangenomen dat voor de particuliere beleggers aparte bronnen van inkomen ontstaan. Normaliter vindt de heffing van inkomstenbelasting plaats bij betaling van de overheid op de STRIP dan wel (bij tussentijdse verkoop) volgens artikel 27, eerste lid, Wet IB 1964. De STRIPS zijn in dit geval te duiden als een soort rentespaarbrieven en worden dan ook dienovereenkomstig belast, aldus Van der Geld. Indien de emittent 'gewoon' een obligatielening uitgeeft en de obligatie later (na uitgifte) door hem of een ander wordt 'gestript' is volgens Van der Geld bij uitgifte wel één bron ontstaan. De koper van een STRIP die recht geeft op een rentetermijn kan het door hem betaalde bedrag op zijn inkomen in mindering brengen indien hij in dat jaar gelijksoortige inkomsten geniet en wordt belast voor de rentetermijn indien die betaald wordt, aldus Van der Geld.(23)

7.5 Gladpootjes en Van Walderveen zijn van mening dat de gestripte staatslening een bestaande lening is die wordt gesplitst.(24) Zij gaan in hun artikel over de fiscale behandeling van STRIPS onder meer in op de fiscale gevolgen voor de particuliere belegger. Zij geven aan dat de particulier die houder is van één van de coupons en de rente-uitkering ontvangt, voor deze uitkering op grond van artikel 24 Wet IB 1964 in de heffing wordt betrokken, maar dat wellicht een uitzondering geldt voor de belastingplichtige die een dergelijke coupon geschonken heeft gekregen. De verkoper van de coupons wordt volgens hen op grond van artikel 31 Wet IB 1964 belast voor de verkoopprijs, terwijl de koper van losse coupons de koopprijs op grond van artikel 35 Wet IB 1964 op het inkomen in mindering kan brengen. Ingeval lopende coupons worden verkocht wordt de opbrengst naar het tabeltarief belast. Gladpootjes en Van Walderveen zijn van mening dat artikel 36, negende lid, Wet IB 1964 van toepassing is, waardoor er slechts sprake is van aftrekbare kosten tot ten hoogste het bedrag van de inkomsten die krachtens die gerechtigdheid worden genoten. Voorts zijn zij van mening - conform het standpunt van de staatssecretaris - dat artikel 38, derde lid, Wet IB 1964 van toepassing is. Dat betekent dat aftrek van de koopprijs van de coupon slechts plaats kan vinden in het jaar waarin inkomsten ter zake van die coupon worden genoten.

7.6 Uit de definitie in artikel 25, lid 15, onderdeel b, Wet IB 1964 blijkt dat de wetgever een ruim begrip genotsrecht hanteert. Er wordt gesproken van "elke gerechtigdheid tot voordelen of gebruik". In haar boek "Vervreemding van inkomsten in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964" merkt J. Ganzeveld op dat de reikwijdte van artikel 36, negende lid, Wet IB 1694, ruim is:

"Het gaat om aftrekbare kosten ter zake van de verkrijging van de uiterlijk op een vast tijdstip eindigende gerechtigdheid tot voordelen uit onroerende zaken of roerende zaken of uit rechten die niet op zaken betrekking hebben. Het artikel geldt dus voor elke verkrijging van een op een vast tijdstip eindigende gerechtigdheid tot voordelen uit de vermogensbestanddelen - vermeld in art. 24 Wet IB 1964 - die toebehoren aan een ander. De formulering ziet dus niet slechts op de aftrekbare kosten ter zake van de verkrijging van een recht van vruchtgebruik, maar ook op de aftrekbare kosten ter zake van de verkrijging van enkele (rechten op) losse inkomsten, (...), waardoor de verkrijger een persoonlijk recht van vruchtgenot in de zin van art. 29 Besluit IB 1941 verkreeg."(25)

7.7 In de wetgeschiedenis van artikel 36, negende lid, Wet IB 1964(26) wordt omtrent de toepassing van het derde dan wel het vijfde lid van artikel 38 (tekst 1996) het volgende opgemerkt:

"De voorgestelde regeling is alleen van toepassing op aftrekbare kosten ter zake van de verkrijging van de gerechtigdheid tot voordelen uit vermogensbestanddelen van een ander. Hierbij kan worden gedacht aan de aankoop van een recht van vruchtgebruik of van een losse coupon of huurtermijn. Deze regeling ziet derhalve niet op situaties waarin sprake is van aftrekbare kosten ter zake van de verkrijging van het vermogensbestanddeel inclusief de gerechtigdheid tot voordelen daaruit, hetgeen bijvoorbeeld het geval is bij de aankoop van obligaties. Voor deze gevallen geldt het voorgestelde derde lid (het huidige tweede lid (RECMN: tekst 1996 vijfde lid)) van artikel 38. Het voorgestelde systeem houdt voorts in dat de vergoeding welke wordt betaald bij de aankoop van losse, lopende of nog niet lopende coupons of huurtermijnen, wordt bestreken door het voorgestelde tweede lid (RECMN: tekst 1996 derde lid) en niet meer door het tot derde lid vernummerde tweede lid (RECMN: tekst 1996 vijfde lid) van artikel 38. Als gevolg daarvan is de werking van het voorgestelde derde lid (RECMN: tekst 1996 vijfde lid) beperkter dan die van het huidige tweede lid."(27)

In de memorie van toelichting wordt voorts opgemerkt:

"De voorgestelde wijziging van artikel 38 brengt voorts mee dat de vergoeding welke wordt betaald bij de aankoop van losse, lopende of nog niet lopende coupons, niet meer wordt bestreken door het tot het derde lid vernummerde tweede lid (RECMN:tekst 1996 vijfde lid), maar door het voorgestelde tweede lid (RECMN: tekst 1996 derde lid). Een aanpassing van de tekst van het huidige tweede lid (RECMN: tekst 1996 vijfde lid) is daarvoor niet nodig: nu de desbetreffende vergoeding onder de werkingssfeer van het nieuwe tweede lid (RECMN: tekst 1996 derde lid) valt brengt de systematiek van artikel 38 mee dat zij niet meer wordt begrepen onder de werkingssfeer van het nieuwe derde lid (RECMN: tekst 1996 vijfde lid)."(28), (29)

7.8 Bij de totstandkoming van de onderhavige vrijstelling voor successierecht is in de toelichting op de Nota van Wijzigingen opgemerkt dat lopende huren en renten, zodra zij opeisbaar zijn, bij de verkrijgers met inkomstenbelasting worden getroffen. Daarbij is erop gewezen dat het successierecht in dat geval als "kosten van verwerving" in mindering mag worden gebracht.(30) Bij de totstandkoming van de Wet IB 1964 is naar aanleiding van een vraag over niet vorderbare en inbare opbrengsten die als postume inkomsten bij de erfgenamen belastbaar zijn voor de inkomstenbelasting en die tevens als bestanddeel van de nalatenschap worden getroffen met successierecht, zonder dat daarbij de door de erfgenamen te betalen inkomstenbelasting als schuld in mindering kan worden gebracht, in de memorie van antwoord het volgende opgemerkt:

"Naar de mening van de ondergetekenden doen deze leden bij hun stelling dat ten aanzien van niet vorderbare inkomsten aldus dubbele heffing optreedt, geen recht wedervaren aan de vrijstelling van artikel 32, onder 9°, van de Successiewet 1956. Krachtens deze bepaling immers is van het recht van successie vrijgesteld hetgeen wordt verkregen aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten. Voor inkomsten die onder deze bepalingen vallen kan zich derhalve de gewraakte dubbele heffing niet voordoen. Met betrekking tot gevallen waarin de vrijstelling van artikel 32, onder 9°, van de Successiewet 1956 geen toepassing kan vinden omdat niet van een ten sterfdage lopende termijn van inkomsten kan worden gesproken, wijzen ondergetekenden op de aftrekbaarheid van het over een dergelijke bate betaalde successierecht als kosten tot verwerving, drukkende op de later aan de erfgenamen toevloeiende inkomsten. In deze gevallen staat derhalve tegenover de door de leden gereleveerde aftrekbaarheid van de verschuldigde inkomstenbelasting in de boedel van de erflater, indien de opbrengst nog voor het overlijden vorderbaar en inbaar zou zijn geworden, de aftrekbaarheid van het successierecht voor de inkomstenbelasting van de erfgenamen."(31)

7.9 In een arrest van 14 juli 2000, nr. 35.235, V-N 2000/34.8, over de vraag of successierechten die verschuldigd zijn bij de verkrijging krachtens legaat van een vruchtgebruik van aandelen, aftrekbare kosten vormen, welke vraag Uw Raad overigens (in rov. 3.3) negatief heeft beantwoord, overweegt Uw Raad in rov. 3.4:

"Aan hetgeen onder 3.3 is overwogen doet niet af dat in een geheel andere situatie, namelijk die waarin na de sterfdatum door de verkrijger genoten inkomsten - niet zijnde ten sterfdage lopende termijnen - aan een ten sterfdage reeds verstreken periode moeten worden toegerekend, op wetshistorische gronden het op die inkomsten betrekking hebbende successierecht als een daarop drukkende last in aanmerking genomen kan worden genomen. De desbetreffende passage in de Memorie van Antwoord bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Kamerstukken II 1962/63, 5380, nr. 19, blz. 6), waarin kennelijk is aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 17 mei 1944, B. 7865, geeft voor die bepaalde situatie een op de redelijkheid berustende oplossing, waarbij, gelet op de vraagstelling, in aanmerking zal zijn genomen dat indien de opbrengst nog juist voor het overlijden door de erflater zou zijn genoten, de inkomstenbelasting aftrekbaar zou zijn geweest in de boedel. (...)"(32)

7.10 In de motivering van het beroepschrift in cassatie geeft de staatssecretaris aan dat vaststaat dat de heffing van inkomstenbelasting bij de erven in casu niet verder kan gaan dan over het zogenoemde gerijpte deel bij erflater en henzelf, ten hoogste dus het uit te keren (rente)bedrag verminderd met de aankoopsom dan wel bij tussentijdse vervreemding het verschil tussen de verkoopopbrengst en het aankoopbedrag. In het onderhavige geval zou er volgens de staatssecretaris hoogstens plaats zijn om de vrijstelling (voor successierecht) voor het relatief geringe bedrag van de oprenting (het verschil tussen de waarde ten tijde van het overlijden en de aankoopsom, in casu ruim één percent) toe te staan.(33)

8. Beschouwing

8.1 In de wetsgeschiedenis van de in geding zijnde vrijstelling wordt aangegeven dat praktisch het enige punt waarop de samenloop van successierecht en inkomstenbelasting tot wrijving zou kunnen leiden, is "de belasting van huren en renten welke afkomen van door een erflater nagelaten vermogensbestanddelen en ten sterfdage nog niet opeisbaar zijn." Over de verkrijging van deze lopende huren en renten is immers successierecht verschuldigd, terwijl deze inkomsten, zodra zij opeisbaar zijn bij de verkrijgers, met inkomstenbelasting worden getroffen.(34) Om deze samenloop van heffing te voorkomen en uit praktisch oogpunt (ter bevordering van de eenvoud), heeft de wetgever gekozen voor een objectieve vrijstelling van ten sterfdage lopende inkomsten. Uit de hiervoor genoemde passage volgt dat het daarbij moet gaan om inkomsten die afkomstig zijn van door een erflater nagelaten vermogensbestanddelen. Dit kan mijns inziens voorts worden afgeleid uit de toelichting van Hofstra op zijn amendement waarin hij spreekt van obligaties, waarop een- of tweemaal per jaar rente betaalbaar wordt gesteld.

8.2 Artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956 spreekt van "nog niet vorderbare termijnen van renten". Uit de jurisprudentie van Uw Raad over deze successierechtvrijstelling volgt dat de vrijstelling ziet op periodiek genoten inkomsten die op de dag van het overlijden van de erflater nog lopende zijn. Uw Raad heeft ook gesproken van "lopende rentebedragen", die "termijnsgewijze" worden genoten.(35) Daaruit volgt dat het voor de toepassing van de vrijstelling mijns inziens niet voldoende is dat sprake is van lopende rentecoupons. De rentebedragen dienen over terugkerende perioden te worden genoten.

8.3 In het onderhavige geval heeft de erflater - zo blijkt uit de stukken van het geding - in januari 1996 het in die maand betaalbaar gestelde bedrag van f. 510.075, betreffende op 15 januari 1996 aflopende STRIPS, herbelegd in 522.200 op 15 januari 1997 aflopende STRIPS (522.200 stuks tegen 97,28 percent = f. 507.996,16). Deze STRIPS betreffen alle rentecoupons. Na het overlijden van de erflater zijn deze STRIPS door belanghebbenden eind 1996 verkocht. Nu de STRIPS zijn ontstaan door - zoals volgt uit onderdeel 4.2 van deze conclusie - de omwisseling van staatsobligaties in STRIPS nadat daarvoor toestemming is gegeven door de Minister van Financiën, is er naar mijn mening bij de uitgifte van de obligatielening één bron van inkomen ontstaan. Ter zake van de vervreemding van de STRIPS door belanghebbenden zal van belanghebbenden inkomstenbelasting worden geheven over de verkoopopbrengst verminderd met de door de erflater voor de STRIPS betaalde koopsom. Daarbij zijn de artikelen 36, lid 9 en 38, lid 3, Wet IB 1964 van toepassing, zodat de koopsom in het jaar van de vervreemding van de STRIPS door belanghebbenden aftrekbaar is tot ten hoogste het bedrag dat ter zake van die vervreemding wordt ontvangen. Conform het standpunt van de staatssecretaris vindt naar mijn mening bij belanghebbenden derhalve heffing van inkomstenbelasting plaats over het bij de erflater en belanghebbenden gerijpte deel van de rente.

8.4 Zoals gezegd behoren tot de nalatenschap van de erflater slechts lopende rentecoupons en geen mantels. Doordat de individuele rentecoupons van de mantel zijn gescheiden, verkrijgt de verkrijger van zo'n rentecoupon het recht op een eenmalige betaling van een geldsom op het moment van het opeisbaar worden van deze rentecoupon. Daarmee zijn deze STRIPS - voor de heffing van het recht van successie - vergelijkbaar met een rentespaarbrief (ook wel zero-coupon genoemd). Van een termijnsgewijze genieten van rentebedragen is derhalve geen sprake. Gelet op de hiervoor uiteengezette ratio van de vrijstelling, de heffing van inkomstenbelasting en het oordeel van Uw Raad over deze vrijstelling ben ik - anders dan het Hof - van mening dat de verkrijging van de STRIPS in dit geval niet voor de vrijstelling van artikel 32, lid 1, onderdeel 10, van de Successiewet in aanmerking kan komen. Dat betekent dat het middel van de staatssecretaris slaagt.

8.5 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956 blijkt dat het voorkomen van dubbele heffing zeker een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de vrijstelling. In het onderhavige geval zou er volgens de staatssecretaris hoogstens plaats zijn om de vrijstelling voor het relatief geringe bedrag van de oprenting (het verschil tussen de waarde ten tijde van het overlijden en de aankoopsom, in casu ruim één percent) toe te staan. Voor een dergelijke vrijstelling biedt de wet echter eveneens geen ruimte. Gelet op hetgeen hiervoor in de onderdelen 7.8 en 7.9 is opgenomen over de aftrekbaarheid van het recht van successie in de inkomstenbelasting, meen ik dat een reductie van de samenloop van inkomstenbelasting en recht van successie in het onderhavige geval niet in het successierecht maar in de inkomstenbelasting moet worden gevonden.(36) Het deel van het successierecht dat betrekking heeft op de door belanghebbenden verkregen inkomsten ter zake van de STRIPS die zien op de reeds ten sterfdage verstreken periode, zou derhalve als aftrekbare kosten in de inkomstenbelasting in aanmerking genomen kunnen worden.

8.6 Nu de eerste vraag die tussen partijen in geschil is, negatief moet worden beantwoord, moet alsnog het tweede door het Hof geformuleerde geschilpunt worden behandeld, te weten de vraag of een beroep kan worden gedaan op de Mededeling van de staatssecretaris van 12 juli 1993, nr. DB93/2367M. Het Hof heeft dit geschilpunt, wegens zijn positieve beantwoording van de eerste vraag, niet verder behandeld, zodat dit punt thans alsnog aan de orde is. Mijns inziens is verwijzing niet nodig, nu voor de beoordeling van dit punt geen nader feitelijk onderzoek vereist is. De vraag of belanghebbenden een beroep kunnen doen op de Mededeling is immers slechts afhankelijk van de interpretatie van die Mededeling.

8.7 In hun pleitnota voor het Hof hebben belanghebbenden - kort gezegd - gesteld dat hetgeen de staatssecretaris in de Mededeling ten aanzien van de STRIPS heeft bepaald, toepassing van artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956 in de onderhavige situatie niet in de weg staat. Daarbij wijzen zij erop dat de staatssecretaris in de Mededeling uiteen heeft gezet dat de gestripte staatsobligatie gedurende haar looptijd eveneens een zelfde, regelmatig vervallende rente kent, waarbij de coupons betrekking hebben op een tijdvak van een jaar en dat de staatssecretaris, als hij de STRIP-coupon niet als reguliere lopende coupon had willen aanmerken, dit in deze Mededeling aan de orde had moeten stellen.

8.8 Voornoemde Mededeling van de staatssecretaris houdt 'recht' in in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Voor de uitlegging van de Mededeling is beslissend in welke zin die Mededeling bij objectieve beschouwing in redelijkheid dient te worden opgevat.(37)

8.9 In de inleiding van de Mededeling geeft de staatssecretaris aan dat wordt ingegaan op de fiscale behandeling van de STRIPS. Er wordt aangegeven dat de belastingheffing ter zake van STRIPS afhankelijk is van de vraag of de STRIPS worden gehouden door particulieren of door ondernemers. Op beide groepen belastingplichtigen wordt afzonderlijk ingegaan. Ten aanzien van particulieren wordt vervolgens uiteengezet hoe de heffing van inkomstenbelasting in de verschillende situaties zal verlopen, waarbij onder meer wordt ingegaan op lopende coupons.

8.10 In de Mededeling wordt niet ingegaan op de verkrijging van STRIPS krachtens erfrecht en de heffing van het recht van successie. Dat verhindert naar mijn mening dat - objectief beschouwd - belanghebbenden aan deze Mededeling het vertrouwen konden ontlenen dat de verkrijging van STRIPS zou zijn vrijgesteld van het recht van successie ingevolge artikel 32, lid 1, onderdeel 10, Successiewet 1956. Dat geldt eveneens voor de uiteenzetting van de staatssecretaris in de Mededeling over de lopende coupons. Deze uiteenzetting ziet alleen op de heffing van inkomstenbelasting. Dat betekent dat belanghebbenden geen beroep kunnen doen op voornoemde Mededeling en dat de tweede in geschil zijnde vraag negatief moet worden beantwoord.

9. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof behoudens voor zover het Hof de eerste uitspraak op bezwaar heeft vernietigd en belanghebbenden alsnog ontvankelijk heeft verklaard in het bezwaar en behoudens voor zover het Hof de tweede uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, en tot ongegrondverklaring van het bezwaar van belanghebbenden.

Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie V-N 2004/50.1.7; zie ook C.S.G. Ten Bokkel, Vrijstelling successierecht voor STRIPS?, Vermogende Particulieren Bulletin, december 2004, nr. 12, blz. 10-11.

2 De Inspecteur heeft tweemaal een uitspraak op bezwaar gedaan. In de eerste uitspraak heeft de Inspecteur belanghebbenden ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De Inspecteur heeft dit in de tweede uitspraak op bezwaar hersteld. Het Hof heeft - ambtshalve - beide uitspraken op bezwaar vernietigd.

3 Zie Asser-Hartkamp 4-I, nr. 563 en artikel 3:9, lid 4, 3:94 en 3:97 BW.

4 Zie voor een civielrechtelijke uiteenzetting: R.H. Maatman, Strips, cessie en certificering van staatsleningen, in Overheid en onderneming, tussen publiek en privaat ondernemen, Serie Onderneming en recht, deel 10, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1998, blz. 163-187; Maatman geeft de volgende definitie van een "onderhandse strip": een overeenkomst van geldlening waarbij de vordering tot terugbetaling van de hoofdsom ontdaan is van de vorderingen tot betaling van de over de hoofdsom verschuldigde rente.

5 In de Mededeling van 12 juli 1993, nr. DB93/2367M, Infobulletin 93/445, V-N 1993/2603, is de staatssecretaris ingegaan op de fiscale behandeling van deze STRIPS.

6 Maatman spreekt van de "openbare strip", a.w., blz. 173.

7 Zie de door Maatman opgenomen passages uit de toelichting uit de brochure van DNB, a.w., blz. 173-175.

8 Zie artikel 33, lid 1, onderdeel 9, Successiewet 1956

9 Kamerstukken II 1948, 915, MvT, nr. 3, blz. 25.

10 Kamerstukken II 1954/55, 915, Tweede nota van wijzigingen, nr. 9, blz. 1.

11 Kamerstukken II 1953/54, 915, Nota van wijzigingen, nr. 6, blz. 8.

12 Kamerstukken II 1954/55, 915, Verslag, nr. 10, blz. 6.

13 Kamerstukken II 1955/56, 915, Amendementen van de heer Hofstra c.s., nr. 20, blz. 1.

14 Handelingen II 1955/56, 2 maart 1956, blz. 862-863.

15 Handelingen II 1955/56, 2 maart 1956, blz. 863.

16 Zie H. van Santen, De vrijstelling van artikel 32, 9°, der Successiewet 1956, WPNR1960/4632, blz. 256 e.v., H. van Santen, Nogmaals de vrijstelling van artikel 32, 9°, der Successiewet 1956, WPNR1960/4652, blz. 497 e.v., A.C. Gorren, Vrijstelling van successierecht voor nog niet vorderbare termijnen van inkomsten, WFR 4569/1691, blz. 698 e.v.

17 Zie over de vraag wanneer sprake is van nog niet vorderbare termijnen van renten voorts: HR 17 oktober 1962, nr. 14 860, BNB 1962/326 en HR 24 mei 1961, 14 499, BNB 1961/211, met noot van Y.D.C. van Duyn (dit laatste arrest ziet op de in artikel 6, onderdeel f, van de Wet op de Vermogensbelasting 1892, opgenomen gelijke vrijstelling; zie over die vrijstelling: Ch.P.A. Geppaart, Vermogensbelasting, Kluwer, Deventer, 1995, blz. 145-148).

18 In de literatuur wordt van de eis van periodiciteit uitgegaan; zie De Belastingwetgeving, Successiewet 1956, Noorduijn, Deventer, artikel 32, aant. 15, suppl. 54 (september 1991), H. Schuttevaer bewerkt door J.W. Zwemmer, De Nederlandse successiewetgeving, Kluwer, Deventer, 1998, blz. 230 en R.T.G. Verstraaten, De Nederlandse successiebelastingen, Gouda Quint bv, Arnhem, 1999, blz. 260.

19 De Leidraad is met ingang van 1 januari 2002 ingetrokken, Besluit Staatssecretaris van Financiën van 11 december 2001, nr. CPP2001/3466M, V-N 2002/2.35.

20 Mededeling Staatssecretaris van Financiën 12 juli 1993, nr. DB93/2367M, Infobulletin 93/445,

V-N 1993/2603, ingetrokken bij besluit van 29 november 2000, nr. CPP2000/1932M, Infobulletin 2001/163, BNB 2001/219, onder andere in verband met de inwerkingtreding van de Wet IB 2001.

21 Zie over dit arrest: J.E.A.M.Van Dijck, Vervanging van inkomsten, FED fiscale brochures, Deventer, 1996, hfst. 3, J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, FM nr. 70, Kluwer, Deventer, 1994, blz. 274-278 en J.A.G. van der Geld, Fiscale aspecten van financiële instrumenten, TFO 1993/196, paragraaf 2.1.2.2.2.2.

22 J.A.G. van der Geld, a.w., paragraaf 2.1.2.2.2.6; zie over dit artikel van Van der Geld: H. Mobach, L.W. Sillevis en F.H. Lugt, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting t/m 2000), 2.3.3.C.c, noot 3.

23 Van der Geld verwijst hierbij naar de artikelen 31, eerste lid, en artikel 35 juncto artikel 38, lid 4 (na 1 januari 1996 lid 5), Wet IB 1964.

24 T.A. Gladpootjes en B. van Walderveen, De fiscale behandeling van STRIPS, WFR 1996/89, zie ook: A.C. Rijkers, Rente, regels en realisme, Belastingadviseursdag 1996, Serie Belastingadviseursdagen nummer 41, FED, Deventer, 1996, blz. 56-58.

25 J. Ganzeveld, a.w., blz. 223.

26 In de memorie van toelichting wordt nog gesproken van artikel 35, lid 6; bij de nota van wijziging is dit vernummerd naar artikel 36, lid 7, hetgeen met ingang van 1 januari 1990 artikel 36, lid 9 is geworden.

27 Kamerstukken II 1987/88, 20 648, MvT, nr. 3, blz. 14-15.

28 Kamerstukken II 1987/88, 20 648, MvT, nr. 3, blz. 22-23.

29 J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, FED fiscale brochures, Deventer, 1998, blz. 208, merkt op dat de wetgever ervan uitgaat dat door de invoering van art. 38, derde lid, de aankoop van losse coupons uit het vijfde lid is gehaald en overgebracht naar het derde lid. Van Dijck betwijfelt of deze zienswijze juist is. Voor zover het vijfde lid een ruimere werking heeft, zal volgens hem het derde lid niet van toepassing zijn en het vijfde lid dus aan de orde kunnen komen; zie hierover voorts: J. Ganzeveld, a.w., blz. 295.

30 Kamerstukken II 1953/54, 915, Nota van wijzigingen, nr. 6, blz. 8.

31 Kamerstukken II 1962/63, 5380, MvA, nr. 19, blz. 6.

32 Zie over de aftrekbaarheid van het successierecht voorts: H.J. Hofstra en L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Kluwer, Deventer, 1998, paragraaf 28.2, nr. 442, J.K. Moltmaker, Cumulatie van inkomstenbelasting en successierecht, Belastingconsulentendag 1973, Serie Belastingconsulentendagen nr. 18, FED, Deventer, 1974, blz. 41-44 en over de situatie onder de Wet inkomstenbelasting 2001: T. Blokland, Inzake belastinglatenties en de Successiewet 1956, WFR 2002/639, paragraaf 4.

33 Zie de motivering van het beroepschrift in cassatie, blz. 4; uit rov. 3.2 van de Hof-uitspraak volgt dat de Inspecteur ter zitting voor het Hof heeft aangegeven dat inkomstenbelasting bij de de erfgenamen alleen over de gerijpte rente wordt geheven en dat hij dan wel de vrijstelling zou moeten verlenen voor de oprenting tijdens de bezitsperiode (bij een aankoopprijs van 93 en een waarde op sterfdatum van 97 zou dus voor 4 vrijstelling moeten worden verleend).

34 Kamerstukken II 1953/54, 915, Nota van wijzigingen, nr. 6, blz. 8.

35 Zie onderdeel 6.1 en 6.2 van deze conclusie.

36 Nu het object van de erfrechtelijke verkrijging en het object van de heffing voor de inkomstenbelasting niet gelijk zijn, is geen sprake van een volledige tegemoetkoming.

37 Zie HR 19 april 2000, nr. 34.291, BNB 2001/315, met noot van Ch.J. Langereis, zie voorts HR 4 juni 1980, nr. 19.058, BNB 1980/218, met noot van H. Schuttevaer.