Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU7505

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
C05/277HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU7505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verstekverlening; dagvaarding in cassatie van rechtspersoon onder in Handelsregister vermelde, doch andere naam dan deze zelf in appel had gehanteerd en die onjuist blijkt; geen verstek tegen mede-verweerder met niet-bestaande naam.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 767
RvdW 2006, 34
JWB 2005/450
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/277HR

mr J. Spier

Rolzitting 11 november 2005

Conclusie op verstek inzake

[eiser]

tegen

[verweerster 1]

en

[verweerster 2]

1. Verweerders zijn in feitelijke aanleg niet in deze procedure betrokken geweest. Zij worden in het thans bestreden arrest dan ook niet genoemd.

2 Volgens het cassatiemiddel onder A2 is [A] BV thans genaamd [verweerster 2]. Het zou dus gaan om een naamswijziging.

3. Deze voorstelling van zaken vindt in de overgelegde uittreksels uit het handelsregister geen steun. Ten overvloede: evenmin valt daaruit af te leiden dat de in 's Hofs arrest genoemde naam van geïntimeerde ([A] BV)(1) haar/hun handelsnaam zou zijn. Ten slotte: van nieuwe feiten is evenmin sprake. Volgens de uittreksels uit het handelsregister is er sinds 28 mei 1999 niets gewijzigd in de rechtsvorm en benaming.(2)

4. Mogelijk(3) moet worden aangenomen dat de partij die tot en met 's Hofs arrest in rechte is betrokken (een rechtspersoon) nooit heeft bestaan. Dat komt evenwel voor risico van [eiser]. Het had op eenvoudige wijze in het handelsregister kunnen worden nagezien.

5. Een en ander zou slechts de ontvankelijkheid raken, ware het niet dat [eiser] ervoor heeft gekozen om de dagvaarding te doen betekenen op de voet van art. 63 Rv. Nu verweerders in cassatie nimmer in deze procedure betrokken zijn geweest, biedt art. 63 Rv. geen enkele basis om op de daar aangegeven wijze te dagvaarden.(4)

5. Verstek zal moeten worden geweigerd.

6. Ten overvloede: [eiser] wordt daardoor m.i. niet in haar belang geschaad. Het beroep zou immers toch nergens toe kunnen leiden. Immers zou hij n.m.m. niet kunnen worden ontvangen in zijn vordering,(5) gesteld al dat verstek zou worden verleend. Eens te meer omdat duister is welke van de twee in cassatie gedagvaarde partijen in de plaats zou (moeten) komen van [A] BV, gesteld al dat het mogelijk zou zijn dat één hunner de procedure zou overnemen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot weigering van het verstek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De onderstreping van mij, AG.

2 Wel zou "de nevenvestiging", kennelijk van [A] BV te [vestigingsplaats], met ingang van 1 februari 2003 zijn opgeheven.

3 Dat kan met niet met zekerheid worden opgemaakt uit de overgelegde stukken. Voor de vraag of verstek al dan niet kan worden verleend, doet het er niet toe.

4 Vgl. HR 8 januari 1982, NJ 1983, 777 WHH.

5 Vgl. HR 6 december 2002, NJ 2004, 162 rov. 3.5.1-3.5.3.