Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU7497

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
R05/028HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU7497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afwijzing van een verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling, ontstaan van schuld niet te goeder trouw?, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 731
RvdW 2006, 6
JWB 2005/441
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R05/028HR

mr. Keus

Parket 7 oktober 2005

Conclusie inzake:

[verzoekster]

verzoekster tot cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van een bepaalde schuld niet te goeder trouw is geweest en of haar verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken terecht is afgewezen. De zaak hangt samen met die onder rekestnummer R05/027HR, die de partner van [verzoekster] betreft.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Verzoekster] heeft op 22 juli 2004 bij de rechtbank Den Haag een verzoekschrift (met bijlagen) tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Het verzoekschrift is op 25 oktober 2004 behandeld. Daarbij is [verzoekster] gehoord. [verzoekster] heeft blijkens de overgelegde verklaring als bedoeld in art. 285 Fw een totale schuldenlast van € 81.473,51.

1.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat ongeveer 74% van de totale schuldenlast op een fraudevordering van de Gemeentelijke Sociale Dienst te Den Haag betrekking heeft(2). Deze vordering wordt door [verzoekster] niet betwist. [Verzoekster] heeft aangegeven deze vordering niet te kunnen voldoen, omdat zij niet over zelfstandige inkomsten beschikt. De rechtbank was van oordeel dat [verzoekster] ten aanzien van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Den Haag niet te goeder trouw is geweest en heeft bij vonnis van 25 oktober 2004 het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, op grond van artikel 288 lid 2 onder b Fw afgewezen.

1.3 [Verzoekster] heeft bij beroepschrift van 2 november 2004 hoger beroep ingesteld. De mondelinge behandeling van dit beroepschrift, waarbij [verzoekster] is verschenen, heeft op 27 januari 2005 plaatsgehad.

1.4 Het hof heeft bij arrest van 17 februari 2005 met inachtneming van de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw geoordeeld dat is gebleken dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Den Haag niet te goeder trouw is geweest. Het hof overwoog dat deze aanzienlijke schuld immers op een fraudevordering berust en relatief recent is ontstaan, terwijl onvoldoende feiten zijn gesteld of gebleken waaruit het oordeel zou kunnen volgen dat niettemin aan de eerder vermelde gedragsmaatstaf is voldaan. Het hof overwoog voorts dat uit hetgeen door [verzoekster] in haar beroepschrift en ter zitting van het hof is aangevoerd niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot toewijzing van haar verzoek zouden moeten leiden. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank dan ook bekrachtigd.

1.5 [Verzoekster] heeft tijdig een verzoekschrift tot cassatie ingediend(3). In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het verzoekschrift omvat één cassatiemiddel, dat zich met zowel rechts- als motiveringsklachten tegen rov. 4 van het bestreden arrest richt. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof daarin hetzij een onjuiste toepassing aan de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw, zoals weergegeven in rov. 3(4), heeft gegeven, hetzij zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij richten de klachten zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst en dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die niettemin tot toewijzing van haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zouden moeten leiden.

2.2 Art. 288 lid 2 onder b Fw luidt: "Het verzoek kan worden afgewezen: b. indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest." De facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b heeft mede als doel misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan. Met de maatstaf van "goede trouw" wordt niet gedoeld op "goede trouw" als bedoeld in art. 3:11 BW, noch op de vereisten van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 248 BW. Het gaat hier om een gedragsmaatstaf ("te goeder trouw handelen"), in welke betekenis de term bijvoorbeeld ook voorkomt in art. 54 Fw. De toetsingsbevoegdheid van de rechter geldt zowel ten aanzien van het ontstaan van schulden als ten aanzien van het onbetaald laten daarvan. Bij zijn beslissing kan de rechter alle relevante omstandigheden betrekken: bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schulden en de mate waarin de schuldenaar ervan een verwijt kan worden gemaakt dat die schulden zijn ontstaan of geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, het tijdstip waarop en de frequentie waarin de schulden zijn gemaakt, het betalingsgedrag van de schuldenaar nadien, eventuele pogingen zijn schulden te doen verminderen en zijn inspanningen de schulden te voldoen(5).

2.3 De rechter dient zijn oordeel dat een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en dat toepassing van de schuldsaneringsregeling daarom niet kan worden uitgesproken, voldoende te motiveren, in het bijzonder wanneer concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ter adstructie van de stelling dat de schuldenaar toch tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten(6). Ook in het geval van in gemeenschap van goederen gehuwde echtelieden dient de rechter een individuele beoordeling als uitgangspunt te nemen. De enkele omstandigheid dat tussen echtgenoten enigerlei gemeenschap van goederen bestaat, brengt niet mee dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere echtgenoot. Indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, dient ten aanzien van ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat(7).

2.4 In HR 13 juni 2003, NJ 2003, 520, was de vraag aan de orde of het niet te goeder trouw laten ontstaan van slechts één enkele schuld voldoende is voor de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De Hoge Raad was van oordeel dat het begrip "schulden" in art. 288 lid 2 onder b Fw moet worden verstaan als "één of meer schulden". De Hoge Raad overwoog dat de wet niet bepaalde schulden kent bij het ontstaan of onbetaald laten waarvan de schuldenaar steeds geacht moet worden te goeder trouw te zijn geweest of die, alhoewel de schuldenaar niet te goeder trouw heeft gehandeld, principieel buiten het bereik van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b Fw vallen.

2.5 De rechtsklacht gericht tegen rov. 4 van het bestreden arrest (in onderdeel 1) dient naar mijn mening te falen. Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw door te overwegen dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst niet te goeder trouw is geweest. Het hof heeft in rov. 3 van het bestreden arrest immers correct uiteengezet dat het begrip "goede trouw" van art. 288 lid 2 onder b Fw als gedragsmaatstaf dient te worden opgevat en in rov. 4 (dat opent met de zinsnede "(m)et inachtneming van evenvermeld criterium") die gedragsmaatstaf op het ontstaan van de schuld van [verzoekster] aan de Gemeentelijke Sociale Dienst toegepast.

Uit de jurisprudentie blijkt dat in bepaalde gevallen, ondanks het feit dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest, hij toch tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten(8). Dit is echter een uitzondering op de regel, waarop de schuldenaar zich gemotiveerd dient te beroepen door feiten en omstandigheden te stellen die haar rechtvaardigen. Ook de mogelijkheid van een dergelijke uitzondering is door het hof niet miskend; naar het oordeel van het hof is in casu niet gebleken van feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het verzoek van [verzoekster] zouden moeten leiden, ondanks het feit dat [verzoekster] naar het oordeel van het hof ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst niet te goeder trouw is geweest (rov. 4, slotzin).

2.6 Voor zover het middel er (in onderdeel 1.1) over klaagt dat het bestreden oordeel in rov. 4 dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest, slechts is gemotiveerd met de in algemene bewoordingen gestelde constatering dat voor een andersluidend oordeel onvoldoende zou zijn gesteld of gebleken, terwijl [verzoekster] concrete feiten en omstandigheden had aangevoerd, kan het evenmin tot cassatie leiden.

Het hof is in rov. 4 niet tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht door te overwegen dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan dat [verzoekster] bij het ontstaan van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst niet te goeder trouw is geweest. In het beroepschrift van 2 november 2004 heeft [verzoekster], als persoonlijke omstandigheden waarmee de rechtbank rekening had moeten houden, immers slechts aangevoerd dat zij vanwege haar reuma niet in staat is zich een eigen inkomen te verwerven, dat de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst voor het grootste gedeelte van voor oktober 2002 dateert en dus niet relatief recent is ontstaan en dat zij, gegeven het feit dat zij een gezamenlijke huishouding met [betrokkene 1 ] voert, in staat moet worden geacht een gedeelte van haar schuld af te lossen en dus voor toepassing van de schuldsaneringsregeling in aanmerking komt. Naar mijn mening kon het hof bij de beoordeling of [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van haar schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst al dan niet te goeder trouw is geweest, aan deze omstandigheden voorbijgaan, omdat zij voor die beoordeling niet relevant zijn.

2.7 De motiveringsklachten van het middel richten zich (in onderdeel 1.2) voorts tegen het oordeel in rov. 4 dat de schuld van [verzoekster] aan de Gemeentelijke Sociale Dienst "relatief recent" is ontstaan. Het middel betoogt onder verwijzing naar de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder e Fw en in het bijzonder naar het daarbij behorende Overzicht schulden, dat het overgrote deel van die schuld, te weten een bedrag van € 56.175,03, op 1 juli 1997 voor bijstand, verleend vóór die datum, is ontstaan en dat de jongste schuld ad € 2.236,76 van 1 januari 2002 dateert en derhalve evenmin relatief recent is. In dat licht zou zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn hoe het hof heeft kunnen oordelen dat de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst relatief recent is ontstaan.

2.8 Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat het hof kennelijk geen betekenis heeft toegekend aan de perioden waarop de van [verzoekster] teruggevorderde bijstand betrekking had en aan de in het Overzicht schulden (overigens zonder nadere toelichting) vermelde data waarop de verschillende openstaande vorderingen van de Gemeentelijke Sociale Dienst zouden zijn ontstaan. In plaats daarvan heeft het hof blijkens rov. 2 bepalend geacht dat sprake was van een fraudevordering, dat [verzoekster] circa drie jaar voordat de behandeling bij het hof plaatshad, strafrechtelijk voor die fraude werd veroordeeld en dat de gemeente Den Haag eerst na die strafrechtelijke veroordeling een invorderingsprocedure startte. Met die benadering sloot het hof nauw aan bij de aanbevelingen van de Recofa (de werkgroep Faillissementsrecht van de NVvR) van mei 2000(9), in welke aanbevelingen onder meer is bepaald:

"4.2 Niet te goeder trouw ontstaan zijn in elk geval de schulden uit misdrijf, waaronder met name zijn te noemen de ontnemingsvorderingen, sociale zekerheids- en belastingfraudes alsmede boetes en schadevergoedingen in verband met misdrijven. Niettemin kan een schuldenaar met succes verzoeken om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, indien zekere tijd is verstreken na ontdekking van dit misdrijf. Uitgangspunt is daarbij een termijn van vijf jaar na ontdekking van het misdrijf. (...) In uitzonderlijke situaties zal de termijn (veel) korter of (veel) langer kunnen zijn. (...)" (cursivering toegevoegd; LK).

De op grond van aanbeveling 4.2 gegroeide praktijk is inmiddels ook door de wetgever erkend, in die zin dat zij model heeft gestaan voor het aanhangige wetsvoorstel Wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en het daarbij voorgestelde, gewijzigde art. 288 lid 2 onder b Fw(10). Volgens die laatste bepaling gelden schulden die voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling ter zake van een of meer misdrijven als imperatieve weigeringsgrond, waarbij het in acht te nemen tijdsverloop niet aan het in strikt juridische zin op te vatten ontstaan van de betrokken schulden maar aan het onherroepelijk worden van de betreffende veroordeling is gekoppeld en evenals in de Recofa-aanbeveling op vijf jaar (of langer) is gesteld.

Waar het hof heeft gesproken van het relatief recente ontstaan van de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst heeft het kennelijk als relevant ontstaansmoment de strafrechtelijke veroordeling van [verzoekster] voor ogen gehad en het vanaf dat moment te rekenen tijdsverloop afgezet tegen de gebruikelijke termijn van vijf jaar, gedurende welke (onder andere) fraudevorderingen behoudens uitzonderlijke situaties een beletsel voor toelating tot de schuldsaneringsregeling vormen. In dat licht is het niet onbegrijpelijk dat het hof de schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst als "relatief recent (immers binnen vijf jaar vóór het verzoek) ontstaan" heeft aangemerkt.

Overigens wijs ik erop dat [verzoekster] in haar beroepschrift niet van het ontstaan van het grootste gedeelte van haar schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst op 1 juli 1997 heeft gerept, maar (op p. 1, onderaan) slechts heeft gesteld dat haar schuld voor het grootste gedeelte dateert van voor oktober 2002, hetgeen een ontstaan van die schuld binnen vijf jaar vóór het verzoek niet uitsluit. Voorts wijs ik erop dat ook volgens het cassatierekest (onderdeel 1.2) de vordering van de Gemeentelijke Sociale Dienst althans voor een bedrag van € 2.236,76 eerst op 1 januari 2002 en derhalve binnen vijf jaar vóór het verzoek is ontstaan.

2.9 Naar mijn mening faalt ook de klacht (in onderdeel 1.3)

- dat het feit dat (in de woorden van het middel) [verzoekster] in het verleden een scheve schaats heeft gereden nog geen aanwijzing behoeft te zijn dat zij zich ook thans ten opzichte van haar schuldeisers niet weet te gedragen,

- dat uit de omstandigheden van het geval kan blijken dat de schuldenaar blijk heeft gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en te kunnen gedragen en

- dat het hof tegen die achtergrond niet kon volstaan met de thans gegeven motivering.

2.10 Ook het hof heeft kennelijk onderkend dat, ondanks het feit dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van bepaalde schulden, er aanleiding kan zijn hem tot de schuldsaneringsregeling toe te laten, indien uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat hij blijk heeft gegeven zich naar behoren ten opzichte van schuldeisers te willen en te kunnen gedragen. Kennelijk heeft het hof (een beroep op) in dat verband toereikende omstandigheden echter niet kunnen ontwaren (zie rov. 4, laatste volzin). Daarbij verdient het opmerking dat ook het middel niet vermeldt aan welke omstandigheden (afgezien van het enkele, hiervoor onder 2.7 en 2.8 bedoelde tijdsverloop) het vertrouwen kon worden ontleend dat [verzoekster] zich inmiddels naar behoren jegens haar schuldeisers kon en wilde gedragen en waar [verzoekster] zulke omstandigheden heeft aangevoerd. Waar [verzoekster] zich in dit verband kennelijk tot een beroep op het enkele tijdsverloop sedert het ontstaan van haar schuld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst heeft beperkt, kon het hof ermee volstaan tot uitdrukking te brengen dat dit tijdsverloop op zichzelf niet toereikend is, door die schuld als "relatief recent" te kwalificeren.

2.11 In onderdeel 1.4 klaagt het middel tevergeefs dat het hof een essentiële stelling onbesproken zou hebben gelaten, nu verzoekster in haar beroepschrift gemotiveerd heeft betoogd dat de schuld niet recent is ontstaan. De klacht faalt, omdat het hof die stelling niet onbesproken heeft gelaten, maar heeft geoordeeld dat de bedoelde schuld wel degelijk (zoals reeds door de rechtbank was beslist) "relatief recent" (korter dan vijf jaar voor het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling) is ontstaan.

Voor zover het onderdeel klaagt over de motivering van dit oordeel geldt dat, zoals hiervóór onder 2.8 reeds aan de orde kwam, het oordeel van het hof in het licht van de in de praktijk algemeen aanvaarde termijn van vijf jaar gedurende welke (onder andere) fraudevorderingen behoudens uitzonderlijke situaties een beletsel voor toelating tot de schuldsaneringsregeling vormen, niet onbegrijpelijk is.

2.12 In onderdeel 1.5 klaagt het middel dat onduidelijk is welke betekenis het hof heeft toegekend aan de omstandigheid dat de betrokken schuld relatief recent is ontstaan.

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen sprake is van een zodanig tijdsverloop sedert het ontstaan van de betrokken schuld dat reeds op grond daarvan aannemelijk is dat het gedrag van [verzoekster] jegens schuldeisers wezenlijk zou zijn veranderd. Aldus opgevat is de bestreden beslissing niet onbegrijpelijk.

2.13 Onderdeel 1.6 klaagt dat het hof ook een viertal andere als relevant aan te merken stellingen van verzoekster onbesproken zou hebben gelaten, te weten die met betrekking tot i) haar veroordeling door de politierechter en de daarna gestarte invorderingsprocedure, ii) haar ziekte, iii) het feit dat zij door die ziekte buiten staat is inkomen te verwerven en iv) het feit dat zij met [betrokkene 1] een gezamenlijke huishouding voert en dat een deel van haar schuld uit het inkomen van [betrokkene 1] kan worden voldaan.

Het hof heeft de strafrechtelijke veroordeling van [verzoekster] en de daarop volgende invorderingsprocedure in rov. 2 genoemd. Kennelijk hebben deze omstandigheden bijgedragen aan het oordeel dat van een relatief recent ontstane schuld sprake is en dat [verzoekster] bij het ontstaan daarvan niet te goeder trouw is geweest.

De ziekte van [verzoekster], het feit dat zij door die ziekte geen inkomen kan verwerven en het feit dat zij met [betrokkene 1] een gezamenlijke huishouding voert, zijn door het hof eveneens in rov. 2 gereleveerd. Blijkens de slotzin van rov. 4 was het hof van oordeel dat (ook) die omstandigheden niet tot toewijzing van het verzoek van [verzoekster] kunnen leiden.

2.14 In onderdeel 1.7 betoogt het middel ten slotte dat het feit dat [verzoekster] aan reuma lijdt, tot toewijzing van haar verzoek zou moeten leiden, althans dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, waarom die omstandigheid niet tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou moeten leiden.

De klacht miskent dat naar algemeen heersende opvatting de schuldenaar in geval van een "relatief recent ontstane" fraudevordering slechts onder uitzonderlijke omstandigheden tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten. Het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat [verzoekster] aan reuma lijdt niet als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid kan worden aangemerkt, is niet onbegrijpelijk, zeker niet nu die omstandigheid geen conclusies omtrent het toekomstige gedrag van [verzoekster] jegens schuldeisers toelaat.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2004.

2 Een bedrag van € 60.001,56; zie rov. 2 van het bestreden arrest.

3 Het bestreden arrest dateert van 17 februari 2005, terwijl het verzoekschrift tot cassatie op 25 februari 2005 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen.

4 Het cassatierekest spreekt op p. 3, bovenaan, kennelijk abusievelijk van rov. 4.

5 Zie Kamerstukken II 1993-1994, 22 969, nr. 6, p. 19 e.v.; T&C Faillissementswet, aant. 7 op art. 288 lid 2 (Wessels); Polak-Wessels, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), p. 39-40; HR 24 december 2004, NJ 2005, 129.

6 Zie bijv. HR 24 december 2004, NJ 2005, 129; HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, m.nt. PvS.

7 HR 4 juni 2004, NJ 2004, 638, m.nt. PvS.

8 Zie bijv. HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567.

9 De aanbevelingen zijn als bijlage G opgenomen in Nick Huls & Vivian Schellekens, "Je ziet de gaten in hun handen" (2001), p. 187-192.

10 TK 2004-2005, 29 942, nr. 2, art. I, onderdeel F. Zie voor het verband met aanbeveling 4.2 van de Recofa-aanbevelingen TK 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 21.