Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU7495

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
R05/027HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU7495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afwijzing van een verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling, ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw?, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 730
RvdW 2006, 5
JWB 2005/439
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R05/027HR

mr. Keus

Parket 7 oktober 2005

Conclusie inzake:

[verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van bepaalde schulden niet te goeder trouw is geweest en of zijn verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken terecht is afgewezen. De zaak hangt samen met die onder rekestnummer R05/028HR, die de partner van [verzoeker] betreft.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Verzoeker] heeft op 22 juli 2004 een verzoekschrift (met bijlagen) tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank Den Haag ingediend. De rechtbank heeft het verzoekschrift op 25 oktober 2004 behandeld. Daarbij is [verzoeker] gehoord. [verzoeker] heeft blijkens de door hem overgelegde verklaring als bedoeld in art. 285 Fw een schuldenlast van € 21.471,95.

1.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat ongeveer 3% van de schuldenlast bestaat uit een vordering van het UWV op grond van onverschuldigde betaling(2) en ongeveer 15% uit diverse vorderingen van het CJIB(3). De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden niet te goeder trouw is geweest en heeft bij vonnis van 25 oktober 2004 het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, op grond van art. 288 lid 2 onder b Fw afgewezen.

1.3 [Verzoeker] heeft bij beroepschrift van 2 november 2004 hoger beroep ingesteld. De mondelinge behandeling van dit beroepschrift, waarbij [verzoeker] is verschenen, heeft op 27 januari 2005 plaatsgehad.

1.4 Het hof heeft bij arrest van 17 februari 2005 geoordeeld dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB niet te goeder trouw is geweest en dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van de schuld aan het UWV evenmin als te goeder trouw kan worden aangemerkt, terwijl voorts onvoldoende feiten zijn gesteld of gebleken waaruit het oordeel zou kunnen volgen dat niettemin aan de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw is voldaan. Volgens het hof is uit hetgeen [verzoeker] in zijn beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd, niet gebleken van feiten en omstandigheden die tot toewijzing van zijn verzoek zouden moeten leiden(4). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank dan ook bekrachtigd.

1.5 [Verzoeker] heeft tijdig een verzoekschrift tot cassatie ingediend(5). In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het verzoekschrift omvat één cassatiemiddel, dat zich met zowel rechts- als motiveringsklachten tegen rov. 5 van het bestreden arrest richt. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof daarin hetzij een onjuiste toepassing aan de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw, zoals weergegeven in rov. 4, heeft gegeven, hetzij zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij richten de klachten zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB en het onbetaald laten van de schuld aan het UWV. Voorts klaagt het middel dat de schuld aan het UWV in elk geval van relatief te geringe omvang is om de schuldsaneringsregeling buiten toepassing te laten en dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het verzoek zouden moeten leiden.

2.2 Art. 288 lid 2 onder b Fw luidt: "Het verzoek kan worden afgewezen: b. indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest." De facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b heeft mede als doel misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan. Met de maatstaf van "goede trouw" wordt niet gedoeld op "goede trouw" als bedoeld in art. 3:11 BW, noch op de vereisten van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 248 BW. Het gaat hier om een gedragsmaatstaf ("te goeder trouw handelen"), in welke betekenis de term bijvoorbeeld ook voorkomt in art. 54 Fw. De toetsingsbevoegdheid van de rechter geldt zowel ten aanzien van het ontstaan van schulden als ten aanzien van het onbetaald laten daarvan. Bij zijn beslissing kan de rechter alle relevante omstandigheden betrekken: bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schulden en de mate waarin de schuldenaar ervan een verwijt kan worden gemaakt dat die schulden zijn ontstaan of geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, het tijdstip waarop en de frequentie waarin de schulden zijn gemaakt, het betalingsgedrag van de schuldenaar nadien, eventuele pogingen zijn schulden te doen verminderen en zijn inspanningen de schulden te voldoen(6).

2.3 De rechter dient zijn oordeel dat een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en dat toepassing van de schuldsaneringsregeling daarom niet kan worden uitgesproken, voldoende te motiveren, in het bijzonder wanneer concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ter adstructie van de stelling dat de schuldenaar toch tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten(7). Ook in het geval van in gemeenschap van goederen gehuwde echtelieden dient de rechter een individuele beoordeling als uitgangspunt te nemen. De enkele omstandigheid dat tussen echtgenoten enigerlei gemeenschap van goederen bestaat, brengt niet mee dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere echtgenoot. Indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, dient ten aanzien van ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat(8).

2.4 In HR 13 juni 2003, NJ 2003, 520, was de vraag aan de orde of het niet te goeder trouw laten ontstaan van slechts één enkele schuld voldoende is voor de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De Hoge Raad was van oordeel dat het begrip "schulden" in art. 288 lid 2 onder b Fw moet worden verstaan als "één of meer schulden". De Hoge Raad overwoog dat de wet niet bepaalde schulden kent bij het ontstaan of onbetaald laten waarvan de schuldenaar steeds geacht moet worden te goeder trouw te zijn geweest of die, alhoewel de schuldenaar niet te goeder trouw heeft gehandeld, principieel buiten het bereik van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b Fw vallen.

2.5 De rechtsklacht gericht tegen rov. 5 van het bestreden arrest (onderdeel 1) dient naar mijn mening te falen. Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw door te overwegen dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB en het onbetaald laten van de schuld aan het UWV niet te goeder trouw is geweest. Het hof heeft in rov. 4 van het bestreden arrest immers correct uiteengezet dat het begrip "goede trouw" van art. 288 lid 2 onder b Fw als gedragsmaatstaf dient te worden opgevat en in rov. 5 (dat opent met de zinsnede "(m)et inachtneming van evenvermeld criterium") die gedragsmaatstaf op het ontstaan c.q. onbetaald laten van de schulden van [verzoeker] aan het CJIB en het UWV toegepast.

Uit de jurisprudentie blijkt dat in bepaalde gevallen, ondanks het feit dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest, hij toch tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten(9). Dit is echter een uitzondering op de regel, waarop de schuldenaar zich gemotiveerd dient te beroepen door feiten en omstandigheden te stellen die haar rechtvaardigen. Ook de mogelijkheid van een dergelijke uitzondering is door het hof niet miskend; naar het oordeel van het hof is in casu niet gebleken van feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het verzoek van [verzoeker] zouden moeten leiden, ondanks het feit dat [verzoeker] naar het oordeel van het hof ten aanzien van het ontstaan c.q. het onbetaald laten van de in rov. 5 bedoelde schulden niet te goeder trouw is geweest (rov. 5, slotzin).

2.6 Voor zover het middel erover klaagt dat het bestreden oordeel in rov. 5 dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest, slechts is gemotiveerd met de in algemene bewoordingen gestelde constatering dat voor een andersluidend oordeel onvoldoende zou zijn gesteld of gebleken, terwijl [verzoeker] concrete feiten en omstandigheden had aangevoerd (onderdeel 1, cassatierekest, p. 3, tweede alinea), kan het evenmin tot cassatie leiden.

Het hof is in rov. 5 niet tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht door te overwegen dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan dat [verzoeker] bij het ontstaan van de schuld aan het CJIB en het onbetaald laten van de schuld aan het UWV niet te goeder trouw is geweest. In het beroepschrift van 2 november 2004 heeft [verzoeker], als persoonlijke omstandigheden waarmee de rechtbank rekening had moeten houden, immers slechts aangevoerd dat hij sinds 13 juli 2004 inkomen uit arbeid ontvangt (en dus moeite heeft gedaan zich door arbeid een inkomen te verwerven) en een huishouding vormt met [betrokkene 1], die zich als gevolg van ziekte geen inkomen kan verwerven maar wel een hoge schuldenlast heeft. Naar mijn mening kon het hof bij de beoordeling of [verzoeker] al dan niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan c.q. onbetaald laten van zijn schulden aan het CJIB en het UWV, aan deze omstandigheden voorbijgaan, omdat zij voor die beoordeling niet relevant zijn.

2.7 De motiveringsklachten van het middel richten zich voorts tegen het oordeel dat [verzoeker] niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB en het onbetaald blijven van de schuld aan het UWV. Betoogd wordt dat het verschuldigd worden van verkeersboetes op zich onvoldoende grond vormt om aan te nemen dat goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de schuld ontbreekt (onderdelen 1.1-1.4), dat het enkele onbetaald laten van een schuld niet is aan te merken als gedrag dat niet te goeder trouw is (onderdeel 1.5) en dat de schuld aan het UWV van te geringe omvang is (slechts 3% van de totale schuldenlast) om [verzoeker] op grond van diens gedrag ten aanzien van het onbetaald laten van die schuld toepassing van de schuldsaneringsregeling te onthouden (onderdeel 1.6). Bij dit alles gaat het middel ervan uit dat het hof zich op het samenstel van het ontstaan van de schuld aan het CJIB en het onbetaald laten van de schuld aan het UWV heeft gebaseerd, zodat, als op één van beide aspecten terecht over het oordeel van het hof wordt geklaagd, het bestreden arrest moet worden vernietigd (onderdeel 1.7).

2.8 Wat onderdeel 1.7 betreft, meen ik dat het bestreden arrest voor de veronderstelling dat het hof de weigering van toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts op grond van het ontbreken van goede trouw ten aanzien van elk van beide schulden in stand heeft gelaten, geen aanknopingspunten biedt. Het hof heeft in rov. 5 immers ten aanzien van elk van beide schulden afzonderlijk geoordeeld dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan c.q. het onbetaald laten daarvan niet te goeder trouw is geweest, terwijl uit niets blijkt dat in de benadering van het hof het oordeel ten aanzien van elk van beide schulden afzonderlijk (of althans het oordeel ten aanzien van één van beide schulden) zijn beslissing niet zelfstandig zou kunnen dragen.

2.9 Naar mijn mening is het oordeel van het hof dat men meerdere verkeersboetes tot een totaalbedrag van circa € 3.220,- niet te goeder trouw pleegt op te lopen, niet onbegrijpelijk. Strafbaarheid van een verkeersovertreding veronderstelt verwijtbaarheid in strafrechtelijke zin. Daarbij komt dat een cumulatie van verkeersovertredingen zoals zich hier blijkens het totaalbedrag van de opgelegde geldboetes heeft voorgedaan, doorgaans getuigt van een zekere zorgeloosheid, ook ten aanzien van de financiële consequenties die het eigen (verkeers)gedrag heeft.

Voor de door de onderdelen 1.3 en 1.4 bedoelde mogelijkheid dat de betrokken geldboetes slechts zijn opgelegd aan [verzoeker] als houder van het kenteken, bieden de stukken van de feitelijke instanties geen steun, nog daargelaten hoe een cumulatie van in die hoedanigheid opgelopen geldboetes in het licht van de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw zou moeten worden beoordeeld. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [verzoeker] ter zitting van de rechtbank van 25 oktober 2004 daarentegen verklaard: "De CJIB-vorderingen komen voort uit verkeersboetes die ik (verzoeker) in de afgelopen jaren heb laten ontstaan."

2.10 Met betrekking tot de schuld aan het UWV kiest onderdeel 1.5 mijns inziens terecht als uitgangspunt dat met het enkele onbetaald blijven van een schuld het ontbreken van goede trouw van de schuldenaar niet is gegeven. Dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van een bepaalde schuld, kan slechts aan de hand van bijkomende omstandigheden worden vastgesteld.

In rov. 3 heeft het hof met betrekking tot de schuld aan het UWV gereleveerd dat [verzoeker] sinds december 2003 een ziektewetuitkering ontving, dat [verzoeker] het UWV per 1 mei 2004 heeft meegedeeld te zijn hersteld, dat door het UWV al tot 16 mei 2004 was doorbetaald, dat het teveel betaalde bedrag is teruggevorderd en dat op 21 juni 2004 ter zake een boete is opgelegd (vergelijk in verband met dit laatste ook het "Overzicht schulden", behorende bij de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder e Fw, onder F: "Op 21 juni 2004 heeft meneer een aankondiging tot boeteoplegging ontvangen. Er is op grond van de bruto terugvordering (EUR 645,20) een boete basisbedrag opgelegd van EUR 66,00."). Uit art. 45a Ziektewet vloeit voort dat een boete zoals hier bedoeld slechts kan worden opgelegd als de verzekerde een inlichtingenplicht niet of niet naar behoren is nagekomen en dat van het opleggen van een boete in elk geval wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (lid 2 in fine). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in de boeteoplegging in verband met de ten onrechte genoten ziektewetuitkering grond gezien [verzoeker] ook ter zake van de schuld aan het UWV niet te goeder trouw te achten. Uit de stukken valt niet op te maken of de door [verzoeker] veronachtzaamde inlichtingenplicht ertoe heeft geleid dat de uitkering onterecht werd betaald, dan wel dat een buiten toedoen van [verzoeker] onterecht verrichte betaling langer dan nodig was door het UWV onopgemerkt is gebleven. Mogelijk heeft het hof op dat laatste het oog gehad. Van beslissende betekenis lijkt mij dat echter niet, omdat, zo niet het tweede maar het eerste scenario zich zou hebben voorgedaan, [verzoeker] in de visie van het hof ongetwijfeld (in dat geval ten aanzien van het ontstaan van de schuld) evenmin te goeder trouw zou zijn geweest.

2.11 De klacht van onderdeel 1.6 dat de schuld aan het UWV van te geringe omvang is om de beslissing van het hof te rechtvaardigen, miskent dat het hof zijn beslissing mede heeft gebaseerd op het ontbreken van goede trouw ten aanzien van de (aanmerkelijk grotere) schuld aan het CJIB. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag, waarbij ik nog in het midden laat of het oordeel met betrekking tot het ontbreken van goede trouw ten aanzien van de schuld aan het CJIB de bestreden beslissing niet ook zelfstandig zou kunnen dragen (vergelijk het hiervóór onder 2.8 gestelde).

2.12 Ten slotte wordt in onderdeel 1.8 betoogd dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker], zoals het feit dat hij moeite heeft gedaan inkomen uit arbeid te verwerven en een partner heeft die niet in staat is inkomen te verwerven, terwijl zij wel kampt met een grote schuldenlast.

Ik lees het bestreden arrest aldus dat het hof, na het ontbreken van goede trouw van [verzoeker] ten aanzien van de schulden aan het CJIB en het UWV te hebben vastgesteld, de door het middel bedoelde omstandigheden heeft gewogen en te licht heeft bevonden. Na in rov. 5 te hebben vastgesteld dat niet aan de gedragsmaatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw is voldaan, heeft het hof in de slotzin van die rechtsoverweging geoordeeld dat "(u)it hetgeen door [verzoeker] in zijn hoger beroepschrift en ter zitting van het hof is aangevoerd (...) niet (is) gebleken van feiten en omstandigheden die tot toewijzing van dat verzoek (om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren; LK) zouden moeten leiden". Dit oordeel, dat sterk met waarderingen van feitelijke aard is verweven, kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Voorts meen ik dat niet onbegrijpelijk is dat het hof in de door [verzoeker] gestelde omstandigheden, te weten dat hij zich heeft ingezet om inkomen uit arbeid te verwerven, dat zijn partner tot het verwerven van inkomen uit arbeid buiten staat is en dat zijn partner een grote schuldenlast heeft, onvoldoende rechtvaardiging heeft gevonden om [verzoeker] tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te laten, ondanks het feit dat hij bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2004.

2 Een bedrag van circa € 644,- in verband met teveel betaalde uitkering krachtens de Ziektewet; zie de rov. 2 en 3 van het bestreden arrest.

3 Een bedrag van circa € 3.220,- aan boetes wegens verkeersovertredingen; zie de rov. 2 en 3 van het bestreden arrest.

4 Zie rov. 5 van het bestreden arrest.

5 Het bestreden arrest dateert van 17 februari 2005, terwijl het verzoekschrift tot cassatie op 25 februari 2005 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen.

6 Zie Kamerstukken II 1993-1994, 22 969, nr. 6, p. 19 e.v.; T&C Faillissementswet, aant. 7 op art. 288 lid 2 (Wessels); Polak-Wessels, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), p. 39-40; HR 24 december 2004, NJ 2005, 129.

7 Zie bijv. HR 24 december 2004, NJ 2005, 129; HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, m.nt. PvS.

8 HR 4 juni 2004, NJ 2004, 638, m.nt. PvS.

9 Zie bijv. HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567.