Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU6089

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
C04/276HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU6089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schadeclaim na dodelijk ongeval tijdens een bedrijfsuitje tegen het organisatiebureau door een nabestaande van de overleden werkneemster met wie deze samenwoonde; ‘behoefte’ als vereiste voor een aanspraak op levensonderhoud op de voet van art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c, BW; vereisten voor schadevergoeding ter zake van huishoudelijke kosten (art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d, BW); invloed voorheen bestaande taakverdeling?, schadeberekening, vergoeding van kosten van lijkbezorging (gedenksteen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 186 met annotatie van J.B.M Vranken
JOL 2005, 735
RvdW 2006, 1
AV&S 2006, 20 met annotatie van A.J. Verheij
JWB 2005/440
JA 2006/21 met annotatie van W.H. van Boom
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C04/276HR

Mr. A.S. Hartkamp

zitting 23 september 2005

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Organice B.V.

Feiten en procesverloop

1) In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.(1)

Eiser tot cassatie, [eiser], heeft vanaf oktober 1993 samengewoond met [betrokkene 1].

[Betrokkene 1] deed op 24 september 1998 mee aan een bedrijfsuitje van het hoogheemraadschap Delfland, waarbij zij toen werkzaam was. Onder verantwoordelijkheid van verweerster in cassatie, verder te noemen: "Organice", daalde [betrokkene 1] toen af van een zogenaamde togglebaan. Daarbij werd verzuimd gebruik te maken van een - wel aanwezig - zekeringskoord. [Betrokkene 1] viel van een hoogte van 10 m. naar beneden en overleed als gevolg daarvan.

Organice heeft erkend dat zij aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval; Organice heeft ƒ 95.500 aan voorschotten betaald, plus een vergoeding voor medische kosten ad ƒ 775.

Het inkomen van [eiser] bedroeg in 1998 ongeveer ƒ 90.000 bruto en dat van [betrokkene 1] ongeveer ƒ 60.000 bruto.

[Betrokkene 1] en [eiser] hadden op 23 februari 1998 een perceel grond gekocht om daarop een woning te bouwen. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire lening van ƒ 850.000. De woning is op 1 september 1999 opgeleverd.

[Betrokkene 1] en [eiser] hadden op 30 juli 1998 in concept een testament en een samenlevingscontract laten opstellen.

2) [Eiser] heeft Organice in rechte betrokken en gevorderd dat Organice zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 876.731,58 te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Organice in de proceskosten. Deze vordering bestond uit de componenten begrafeniskosten, gederfd levensonderhoud (inclusief gederfde huishoudelijke hulp) en buitengerechtelijke kosten. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] het bedrag van zijn vordering gewijzigd in ƒ 852.386,10. De gevorderde buitengerechtelijke kosten spelen in cassatie geen rol meer.

[eiser] baseerde zijn vordering op artikel 6:108 BW, dat een regeling bevat voor de schadevergoeding die de aansprakelijke partij aan bepaalde nabestaanden verschuldigd is indien het slachtoffer overlijdt.

3) Organice heeft de vordering van [eiser] bestreden. Met betrekking tot de begrafeniskosten heeft Organice aangevoerd dat het door [eiser] gevorderde bedrag te hoog is, nu de notariskosten, de kosten van het gedenkteken, de kosten van de asbuskoker en de grafrechten niet voor vergoeding in aanmerking komen, en de kosten als geheel (ƒ 28.729,68 exclusief de notariskosten) niet in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud heeft Organice betwist dat voldaan is aan de eisen van artikel 6:108 lid 1 sub c dat [betrokkene 1] geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van [eiser] voorzag en dat [eiser] redelijkerwijs niet zelf voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien.

Voorts betwistte Organice op een aantal punten de door [eiser] opgestelde schadeberekening ter zake van gederfd levensonderhoud en presenteerde zij een eigen schadeberekening.

Bij conclusie van dupliek betoogde Organice nader dat de omvang van de aanspraak op schadevergoeding ex artikel 6:108 sub c BW wordt beperkt door de mate waarin de bijdrage in het levensonderhoud zonder het overlijden zou zijn voortgezet en door de mate waarin eiser redelijkerwijs zelf voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien. Wat betreft de vraag of de bijdrage in het levensonderhoud zonder het overlijden zou zijn voortgezet, stelde Organice dat bij de vaststelling van de schade van [eiser] rekening moet worden gehouden met de kans dat [eiser] een nieuwe relatie aangaat. Wat betreft de vraag of [eiser] al dan niet zelf redelijkerwijs voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien, betoogde Organice dat hierbij geen acht dient te worden geslagen op de door [eiser] en [betrokkene 1] beoogde levensstandaard, die ten tijde van het overlijden van [betrokkene 1] werd nagestreefd maar nog niet was gerealiseerd. Organice verbond daaraan de conclusie dat er bij de berekening van de overlijdensschade van diende te worden uitgegaan dat [eiser] niet in de nieuwe woning zou gaan wonen, maar in de oude woning zou blijven wonen.

Wat betreft de door [eiser] opgevoerde post voor huishoudelijke hulp heeft Organice betwist dat [betrokkene 1] de huishouding verzorgde; volgens Organice is aannemelijk dat [eiser] de huishoudelijke taken ongeveer gelijk verdeelden, zodat het door [eiser] opgevoerde bedrag te hoog is.

4) Bij tussenvonnis van 20 december 2001 heeft de rechtbank te Roermond de zaak naar de rol verwezen voor akte inlichtingen / conclusie na tussenvonnis zijdens [eiser] resp. Organice.

De rechtbank heeft met betrekking tot de begrafeniskosten overwogen dat onder de kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 lid 2 BW die kosten moeten worden verstaan die in het algemeen met een begrafenis in verband worden gebracht. Niet is in te zien waarom een asbuskoker of grafkist, een gedenkteken of grafsteen en grafrechten voor een bepaalde termijn daar niet bij zouden horen, aldus de rechtbank. De gevorderde notariskosten achtte de rechtbank daarentegen niet toewijsbaar. Ten aanzien van de vraag of de gevorderde kosten qua omvang in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene (zoals door artikel 6:108 lid 2 BW geëist) behoefde de rechtbank nadere inlichtingen van partijen.

Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde kosten van gederfd levensonderhoud heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] en [betrokkene 1] met elkaar in gezinsverband samenwoonden in de zin van artikel 6:108 lid 1 sub c BW en dat aannemelijk is dat dit gezinsverband zonder het overlijden van [betrokkene 1] zou zijn voortgezet. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:

"4.8 In deze zaak doet zich de situatie voor dat zowel [betrokkene 1] als [eiser] een op zichzelf behoorlijk inkomen genoten. Een zodanig inkomen, dat zij daar ieder afzonderlijk van konden/kunnen rondkomen. De vraag is of alsdan voldaan is aan de wettelijke voorwaarden dat [betrokkene 1] geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van [eiser] voorzag en of [eiser] na het overlijden redelijkerwijs niet voldoende in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

4.9 Hoofdregel van het aansprakelijkheidsrecht is dat degene, die jegens een ander toerekenbaar tekort schiet of onrechtmatig handelt, verplicht is om alle schade te vergoeden, die de ander daardoor leidt (lees: lijdt, ASH). Artikel 6:108 BW vormt daarop in zoverre een uitbreiding, dat het hier niet schade betreft van de "ander", de gelaedeerde zelf, maar van bepaalde personen, die in nauwe relatie tot de overledene stonden en in zekere mate voor wat betreft levensonderhoud en/of zorg voor het huishouden, van de overledene afhankelijk waren. De limitatieve opsomming van de kring van gerechtigden dient om deze uitbreiding van aansprakelijkheid nauwkeurig te bepalen en te begrenzen. De opsomming welke kosten in welke situatie voor vergoeding in aanmerking komen, dient volgens de rechtbank het doel dat voorkomen wordt dat de met name genoemde nabestaanden na het overlijden in een vermogensrechtelijk voordeliger situatie zouden geraken dan ervoor.

4.10 De rechtbank is van oordeel dat gelet op de financiële verwevenheid die [eiser] en [betrokkene 1] hadden en voorstonden, gezegd kan worden dat [betrokkene 1] voor een groot deel mede in het levensonderhoud van [eiser] voorzag. Het feit dat [eiser] en [betrokkene 1] zich in een overgangssituatie bevonden, waarbij hun financiële verwevenheid (en de deelname van [betrokkene 1] daarin) zou toenemen, interpreteert de rechtbank ten gunste van deelname in het levensonderhoud van [eiser] door [betrokkene 1]. Als uitgangspunt wordt derhalve niet genomen de deelname in het levensonderhoud, zoals die concreet voor het overlijden was, maar de deelname, zoals partijen die op korte termijn beoogden en aan de realisering waarvan concreet uitvoering gegeven werd.

4.11 In dat verband kan van [eiser] niet verlangd worden dat hij afziet van het betrekken van de woning die [eiser] en [betrokkene 1] samen aan het bouwen waren. Aangenomen moet worden dat de kosten van die woning, die beoogd waren uit beider inkomen te worden voldaan, in de toekomt door uitsluitend [eiser] moeten worden opgebracht. (...)

Vervolgens is de rechtbank ingegaan op de door [eiser] overgelegde schadeberekening, waarbij de rechtbank het bedrag aan vaste lasten heeft vastgesteld op ƒ 60.000 per jaar. De rechtbank heeft partijen verzocht met inachtneming van dat bedrag de schade opnieuw te kapitaliseren.

De kosten voor gederfde huishoudelijke hulp heeft de rechtbank vastgesteld op ƒ 4.000 per jaar. Daarbij heeft de rechtbank aangenomen dat [eiser] en [betrokkene 1] het huishouden samen moesten verzorgen, en het redelijk geacht te veronderstellen dat [eiser] door het wegvallen van [betrokkene 1] enige hulp in de huishouding nodig zal hebben.

5) Nadat partijen elk een akte hadden genomen, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 14 maart 2002 met betrekking tot de begrafeniskosten overwogen dat de overgelegde bescheiden onvoldoende aanknopingspunten leveren om een redelijke hoogte voor begrafeniskosten te bepalen. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij aanleiding ziet de gevorderde kosten voor toekomstige grafrechten af te wijzen en de kosten van het gedenkteken te matigen tot ƒ 4.000. Met inachtneming hiervan heeft de rechtbank de toewijsbare begrafeniskosten vastgesteld op een bedrag van ƒ 21.298,45, oftewel € 9.664,82.

Wat betreft de schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud heeft de rechtbank overwogen dat de door partijen over en weer gepresenteerde berekeningen zozeer van elkaar afwijken, dat de rechtbank het noodzakelijk acht een deskundige te benoemen.

6) Nadat partijen elk wederom een akte hadden genomen en pleidooien hadden plaatsgevonden, heeft de rechtbank opnieuw een tussenvonnis gewezen op 16 juli 2002. Daarbij heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen en partijen opgedragen een nieuwe schadeberekening in het geding te brengen met inachtneming van een aantal door de rechtbank genoemde uitgangspunten.

7) Nadat partijen nogmaals ieder een akte hadden genomen, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 5 september 2002 Organice veroordeeld tot betaling van € 193.909,06 aan [eiser], vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van Organice in de proceskosten.

8) Organice heeft tegen de vonnissen van 20 december 2001, 14 maart 2002, 29 maart 2002, 16 juli 2002 en 5 september 2002 hoger beroep ingesteld. Organice richtte, voorzover in cassatie van belang, grieven tegen de oordelen van de rechtbank met betrekking tot de begrafeniskosten, de vergoeding wegens gederfd levensonderhoud en de vergoeding wegens gederfde huishoudelijke hulp.

[Eiser] heeft de grieven van Organice bestreden en zijnerzijds incidenteel appel ingesteld. De grieven van [eiser] in het incidenteel appel betroffen eveneens de oordelen van de rechtbank omtrent de begrafeniskosten, de vergoeding wegens gederfd levensonderhoud en de vergoeding wegens gederfde huishoudelijke hulp.

9) Bij arrest van 15 juni 2004 heeft het gerechtshof te 's Hertogenbosch in het principaal en incidenteel appel de vonnissen van de rechtbank te Roermond van 20 december 2001, 14 maart 2002, 16 juli 2002 en 5 september 2002 vernietigd en Organice veroordeeld tot betaling van een jaarlijks bedrag van € 1.815,12 met (voorzover het verleden betreffend) wettelijke rente als schadevergoeding wegens gederfde huishoudelijke hulp en een bedrag van € 9.942,52 met wettelijke rente voor begrafeniskosten, alsmede een bedrag van € 16.751,85 met wettelijke rente aan buitengerechtelijke kosten. De vordering tot vergoeding van schade wegens het derven van levensonderhoud heeft het hof afgewezen. Het hof heeft [eiser] veroordeeld tot terugbetaling aan Organice van hetgeen door deze meer is betaald dan door het hof aan [eiser] is toegewezen.

De motivering van het arrest van het hof komt aan de orde bij de behandeling van het cassatiemiddel.

10) Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Organice heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk doen toelichten. [Eiser] heeft nog gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

11) Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. Onderdeel 1 en subonderdeel 2.7.1 bevatten de klacht dat het hof in strijd met artikel 348 Rv, althans onvoldoende gemotiveerd, het verweer van Organice in hoger beroep heeft toegelaten dat aan [eiser] geen vorderingsrecht op grond van artikel 6:108 lid 1 sub c toekomt omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van die bepaling. Volgens het onderdeel is sprake van een gedekt verweer, nu Organice in eerste aanleg uitdrukkelijk heeft erkend dat [eiser] op een bij levensonderhoud passende vergoeding aanspraak kan maken en ook "tot een bedrag van ƒ 91.212,08 schade (heeft) erkend".

Ter beoordeling van deze klacht citeer ik de in het onderdeel genoemde, alsmede de m.i. relevante passages in de gedingstukken zijdens Organice.

(conclusie van antwoord)

"16. (...)

Organice benadrukt nogmaals dat op grond van sub c van artikel 6:108 lid 1 BW slechts aanspraak bestaat op vergoeding van levensonderhoud voor zover [betrokkene 1] voor het geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van [eiser] voorzag en voor zover [eiser] redelijkerwijs niet voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien. [Eiser] gaat in zijn berekening van de schade volledig aan dit gegeven voorbij.

17. (...)

18. Organice brengt als productie 1 een berekening eveneens op basis van het audaletsysteem in het geding. Organice meent dat de schadevaststelling op basis van deze berekening dient te geschieden. Hierbij wordt uitgegaan van vaste lasten na het ongeval van ƒ 50.000,=. Organice benadrukt dat dit gezien het inkomen van [eiser] en alle omstandigheden in aanmerking genomen alleszins redelijk is. Op basis van deze berekening bedraagt de reeds verschenen schade ƒ 1.533,01 en de toekomstige schade (per 15-06-2000) ƒ 41.422,26. Organice betwist uitdrukkelijk dat [eiser] aanspraak zou kunnen maken op een hoger bedrag aan kosten van gederfd levensonderhoud."

(conclusie van dupliek)

"4. [Eiser] erkent bij CvR dat Amev, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Organice, een bedrag van ƒ 53.275,- aan voorschotten op de schadevergoeding heeft betaald, maar stelt terecht dat een bedrag van ƒ 775,- aan medische kosten buiten beschouwing zou moeten blijven. [eiser] heeft na de CvA verzocht om een aanvullend voorschot. Op 13 november 2000 heeft Organice een bedrag van ƒ 43.000,- bij wijze van slotbetaling aan Organice (lees: [eiser], ASH) betaald. Bij CvA heeft Organice tot een bedrag van ƒ 91.212,08 schade erkend. Na aftrek van eerder betaalde voorschotten resteert ten opzichte van de CvA een bedrag van ƒ 38.712,08. De slotbetaling van Organice na de CvA dekt ruimschoots het restantbedrag (een overschot van ƒ 4.287,92) alsmede de wettelijke rente over de verschillende schadeposten. Organice ontkent en betwist dat zij tot enige verdere schadevergoeding jegens [eiser] gehouden is. (...)

(...)

16. (...) De aanspraak en de omvang van het recht op vergoeding van gederfd levensonderhoud op grond van artikel 6:108 lid 1 sub c is beperkter dan die op grond van sub a.

17. De aanspraak van [eiser] op vergoeding voor gederfd levensonderhoud moet aan de hand van volgende criteria van artikel 6:108 lid 1 sub c worden vastgesteld. Een recht op schadevergoeding bestaat in geval:

a. De overledene en eiser in gezinsverband samenwonen;

(...)

b. De eiser door de overledene geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud werd voorzien;

Organice heeft bij antwoord reeds gemotiveerd waarom er geen sprake was van een zeer verstrengelde financiële situatie. (...) Aangezien er sprake is van enige financiële verstrengeling heeft Organice bij antwoord erkend dat [eiser] op een bij het levensonderhoud passende vergoeding aanspraak kan maken.

18. De omvang van de aanspraak op schadevergoeding wordt vervolgens beperkt door twee laatste criteria:

a. Voor zover de bijdrage in levensonderhoud zonder het overlijden zou zijn voortgezet.

(...)

b. Eiser redelijkerwijs niet zelf voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien.

(...)

Organice stelt uitdrukkelijk dat van [eiser] mag worden verwacht dat hij in dezelfde woning blijft wonen waar hij en [betrokkene 1] al jaren woonden. (...) Bij de berekening van de overlijdensschade moet meewegen dat na het ongeval van [eiser] mag worden verwacht dat hij zijn uitgaven beperkt, door niet in de nieuwe woning te gaan wonen.(...)

(...)

24. Op basis van voornoemde uitgangspunten heeft Organice de schade opnieuw berekend. Deze berekening wordt hierbij als productie 3 overgelegd. (...)

25. Uit de als productie 3 overgelegde berekening blijkt dat bij een beperking van de vaste lasten na ongeval tot ƒ 32.500,- in het geheel geen schade ontstaat. (...)

26. Organice heeft bij CvA de schade erkend tot het bedrag hierboven onder 4. genoemd. Op basis van deze berekening is ook een afrekening aan [eiser] verstrekt. Hoewel de schade op basis van de thans overgelegde berekeningen aanmerkelijk lager is, blijft Organice bereid tot vergoeding van het schadebedrag dat reeds erkend en betaald is. Het reeds door haar betaalde bedrag is gezien het bovenstaande ruimschoots voldoende om de 6:108 BW schade van [eiser] (...) Organice benadrukt evenwel dat zij hiermee geen rechten en weren met betrekking tot de bij de berekening te hanteren uitgangspunten prijs geeft."

12) Het hof behoefde uit de proceshouding van Organice, zoals deze naar voren komt uit de geciteerde passages, m.i. geenszins af te leiden dat Organice afstand deed van het verweer dat niet is voldaan aan de vereisten voor toepassing van artikel 6:108 lid 1, aanhef en onder c BW. Daarvoor zou immers vereist zijn dat dit ondubbelzinnig zou blijken uit de proceshouding van Organice. Niet voldoende is dat het verweer onverenigbaar is met de eerder ingenomen proceshouding (HR 19 januari 1996, NJ 1996, 709 m.nt. HJS; zie voorts over het gedekte verweer Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nrs. 198 e.v. en de conclusie van A-G Vranken voor het zojuist genoemde arrest).

Het hof mocht (en moest) dus het verweer ter zake van artikel 6:108 lid 1 onder c BW onderzoeken.

13) Iets anders is dat Organice tot een totaalbedrag van (inclusief wettelijke rente) ƒ 91.212,08 "schade heeft erkend" (zie conclusie van dupliek onder 4, hiervoor geciteerd) en ook reeds ten titel van voorschotten schadevergoeding tot dat bedrag heeft betaald. Gelet op deze erkenning kan dat bedrag m.i. niet wegens onverschuldigde betaling worden teruggevorderd, ook niet voorzover het hoger is dan de door het hof toegewezen bedragen. Het hof heeft [eiser] veroordeeld "tot terugbetaling van hetgeen door Organice meer is betaald (rente inbegrepen) dan thans aan [eiser] wordt toegewezen". Op dit punt lees ik in het cassatiemiddel geen klacht.

14) Onderdeel 2 bestrijdt de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof heeft ter zake onder meer het volgende overwogen:

"4.5.2. De discussie tussen partijen op dit punt heeft vooral betrekking op de vraag of er verschil bestaat tussen de rechten die door artikel 6:108 lid 1 op grond van het onder c bepaalde worden toegekend, en de rechten toegekend op grond van het bepaalde onder a dan wel b. In het bijzonder gaat het er daarbij om of het laatste gedeelte van de bepaling onder c - te weten "voor zover () zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien" - inhoudelijke betekenis heeft en zo ja welke.

4.5.3. In de tekst van het artikel wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de hiervoor genoemde rechten onder a en b enerzijds en onder c anderzijds. Dat geldt niet alleen voor de hiervoor genoemde beperking van het niet voldoende in het levensonderhoud kunnen voorzien, maar ook dient de overledene "geheel of voor een groot deel" (sub c) in het levensonderhoud te hebben voorzien, en niet "geheel of ten dele" (sub b). Niet zonder meer kan worden aangenomen dat deze beide gevallen van tekstueel onderscheid geen enkele inhoudelijke betekenis hebben. Derhalve is van belang na te gaan wat in de parlementaire geschiedenis hierover opgemerkt is. (...)"

Het hof heeft daarop een aantal passages uit de parlementaire geschiedenis van de Vaststellingswet Boek 6 aangehaald. Uit die passages leidt het hof af (r.o. 4.5.8) dat er bij de discussie in de Tweede Kamer overeenstemming over bestond dat ten aanzien van het bepaalde onder d (thans c) het daar uitdrukkelijk genoemde behoeftigheidscriterium wel degelijk van betekenis was, dit in afwijking van wat volgens het hof gold voor de onderdelen a en b van artikel 6:108 lid 1 BW.

Vervolgens (r.o. 4.5.9) heeft het hof zich gericht op de wetsgeschiedenis van de Invoeringswet Boek 6, en op grond van een passage daaruit geconcludeerd dat bij de invoering van het nieuwe BW in 1992 de vereisten dat door de overledene geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van de nabestaande werd voorzien, en dat door de nabestaande redelijkerwijs niet voldoende in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien, betekenis hadden en behielden. Het hof overwoog daarbij (r.o. 4.5.9, slot):

"De behoeftigheid wordt daarbij kennelijk niet - zoals in de onderdelen a en b - gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en nabestaande deel uitmaakten, maar wordt daarbij in algemene zin opgevat."

Ten slotte is het hof (r.o. 4.5.10) ingegaan op de wetsgeschiedenis van de wet van 17 dec. 1997, Stb. 1997, 660 waarbij in het eerste lid onder a van artikel 6:108 BW naast de echtgenoot de geregistreerde partner van de overledene is ingevoegd. Uit deze wetsgeschiedenis blijkt volgens het hof (r.o. 4.5.11)

"dat in de wetgeving onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwden en geregistreerden enerzijds en (andere) samenwonenden anderzijds. Laatstgenoemden worden wel in een aantal publiekrechtelijke wetten gelijkgesteld met eerstgenoemden, maar dat geldt uitdrukkelijk niet voor het privaatrecht. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof dat ook in artikel 6:108 BW onderscheid gemaakt moeten worden tussen beide categorieën. Tevens blijkt dat dit onderscheid tussen de gehuwde en geregistreerde partner enerzijds en de anderszins samenwonende partner anderzijds uitdrukkelijk is gehandhaafd."

Toegepast op de situatie van [eiser] betekent dit volgens het hof:

"4.7. Vast staat dat [eiser] ten tijde van het ongeval van [betrokkene 1] een inkomen had van ƒ 90.000,-- bruto. [Eiser] heeft de stelling van Organice dat hij voordat hij ging samenwonen met [betrokkene 1] in zijn levensonderhoud kon voorzien ook niet bestreden. In die situatie kan niet worden gesproken van behoeftigheid bij [eiser] als in dit artikel 6:108 lid 1 aanhef en onder c bedoeld. Dat [eiser] zelf - zoals hij heeft gesteld - redelijkerwijs niet in staat was de levensstandaard die hij met [betrokkene 1] had verkregen of wilde verkrijgen te (blijven) financieren is onvoldoende grondslag voor toewijzing van het gevorderde. De omstandigheid dat hij samen met [betrokkene 1] een duurdere nieuwe woning wilde betrekken, die hij niet kon bekostigen uit alleen zijn eigen salaris, is hierbij dus niet van belang. Het gaat hier immers om behoeftigheid in algemene zin zoals ook bedoeld in artikel 1:392 lid 2 BW.

4.8 Gelet op het feit dat [eiser] een inkomen had van ƒ 90.000,-- bruto en [betrokkene 1] een inkomen van ƒ 60.000,-- bruto kan daarnaast ook niet worden gezegd dat [betrokkene 1] geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van [eiser] voorzag zoals bedoeld in dit artikel. Ook aan dat in artikel 6:108 lid 1 aanhef en onder c genoemde vereiste is dus niet voldaan."

15) In subonderdeel 2.5.3 wordt betoogd dat de zinsnede "redelijkerwijs niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien" in art. 6:108 lid 1 onder c geen zelfstandige betekenis heeft naast de in de aanhef van dat artikel opgenomen beperking "schade door het derven van levensonderhoud". In beide komt slechts tot uitdrukking dat de behoefte van de ontvanger bepalend is voor de (omvang van de) aanspraak, evenals de "stand en fortuin" onder artikel 1406 BW (oud) de aanspraak van de langstlevende mede bepaalde, aldus het subonderdeel.

In subonderdeel 2.7.2 wordt het oordeel van het hof aangevallen dat niet is voldaan aan het vereiste "in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag" (art. 6:108 lid onder c BW). In het subonderdeel wordt geklaagd dat het hof dit vereiste kennelijk en ten onrechte leest als "geheel of voor het grootste deel", terwijl noch tekst noch parlementaire geschiedenis noch strekking van de bepaling tot een dergelijke strikte lezing dwingt.

16) Om tot een beoordeling van deze klachten te komen zal ik, evenals het hof heeft gedaan, de wetsgeschiedenis van artikel 6:108 BW (in de ontwerpfase aangeduid als artikel 6.1.9.12) onderzoeken.

Het Ontwerp-Meijers (OM) beoogde met deze bepaling de kring van nabestaanden die recht hadden op schadevergoeding wegens het opzettelijk of door schuld veroorzaken van de dood van het slachtoffer enigszins uit te breiden ten opzichte van artikel 1406 BW (oud), door dit recht toe te kennen aan allen die tegen de overledene een recht op levensonderhoud hadden:

"1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, is deze laatste verplicht de begrafeniskosten te vergoeden aan hem te wiens laste deze zijn gekomen, voor zover zij in overeenstemming zijn met de stand en het fortuin van de overledene.

2. Bovendien is hij verplicht aan de overblijvende echtgenoot en de minderjarige wettige en onwettige kinderen van de overledene de schade te vergoeden die zij lijden door het derven van levensonderhoud.

3. Andere bloed- en aanverwanten hebben recht op vergoeding van de door het derven van krachtens de wet verschuldigd levensonderhoud geleden schade, indien de overledene hun reeds voor het ongeval levensonderhoud verschafte.

4. Hij die krachtens de vorige leden van dit artikel tot schadevergoeding wordt aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan.

5. De rechter kan een uit dit artikel voortvloeiende schadevergoedingsplicht matigen, indien dit op grond van bijzondere omstandigheden billijk is."

In de Toelichting-Meijers (TM) valt te lezen (Parl. Gesch. Boek 6, p. 393) dat de grondslag van de vordering tot vergoeding van schade wegens gederfd levensonderhoud de krenking van een rechtsgoed van de overledene is en dat de omstandigheid dat de drager van dat rechtsgoed door het verlies daarvan geen schade kan lijden, rechtvaardigt dat degenen wier lot van het behoud van dat rechtsgoed in bijzondere mate afhankelijk was, schadevergoeding kunnen vorderen van degene die voor het tenietgaan daarvan aansprakelijk is.

Volgens artikel 1406 BW (oud) hadden alleen de overblijvende echtgenoot, de kinderen en de ouders een vordering en die vordering was onderworpen aan de voorwaarde dat zij reeds tijdens het leven van het slachtoffer - en wel door zijn arbeid - werden onderhouden. De TM vermeldt (a.w. p. 394) dat het OM zich op het standpunt stelt dat de belangen van al degenen die volgens de wet in aanmerking komen door de overledene te worden onderhouden, moeten worden beschermd, maar niet van allen in dezelfde mate. Wat betreft de kring van gerechtigden maakte het OM een onderscheid tussen twee groepen: de overblijvende echtgenoot en de minderjarige kinderen (art. 6.1.9.12, tweede lid) en de andere bloed- en aanverwanten (art. 6.1.9.12, derde lid). Volgens de TM (t.a.p.) neemt de eerste groep een bijzondere plaats in, hetgeen reeds blijkt uit de bepalingen van Boek 1, nu de onderhoudsverplichtingen jegens de echtgenoot en de minderjarige kinderen berusten op bijzondere wetsbepalingen waaruit blijkt dat men in ruimere mate voor hun lot verantwoordelijk is dan voor dat van andere bloed- en aanverwanten. Dit verschil werd in het OM op twee manieren tot uitdrukking gebracht:

(i) doordat de eerste groep een recht op schadevergoeding werd toegekend ongeacht of zij reeds tijdens het leven van het slachtoffer door deze werden onderhouden, terwijl voor de tweede groep de eis gold dat de overledene hen reeds vóór het ongeval levensonderhoud verschafte;

(ii) doordat de omvang van het recht op schadevergoeding bij de eerste groep als ondergrens had het bedrag aan levensonderhoud waartoe de overledene volgens de wet verplicht zou zijn geweest en als bovengrens hetgeen het slachtoffer, ware hij in leven gebleven, als levensonderhoud aan de nabestaande zou hebben verstrekt; bij de tweede groep daarentegen was de vergoedingsplicht beperkt tot het levensonderhoud waartoe het slachtoffer volgens de wet verplicht zou zijn geweest.

17) In het Voorlopig Verslag (a.w. p. 396) uitte de vaste Commissievoor Justitie uit de Tweede Kamer de wens de kring van nabestaanden te verruimen: de Commissie wilde de groep van het tweede lid uitbreiden tot "alle gedupeerde gezinsleden", zodat ook de pleeg- en stiefkinderen eronder zouden vallen, en aan de groep van het derde lid zou de gescheiden echtgenoot moeten worden toegevoegd.

In het gewijzigd ontwerp zijn de leden 2 en 3 van het oorspronkelijke artikel ondergebracht in een nieuw in letters onderverdeeld eerste lid (zie de Memorie van Antwoord II, a.w. p. 396). Daarin zijn voorts de suggesties van de vaste Commissie overgenomen. Kort gezegd werden in het gewijzigd ontwerp de volgende groepen nabestaanden onderscheiden:

a) echtgenoot en kinderen

b) andere bloed- of aanverwanten

c) ex-echtgenoot

d) degenen die met de overledene in gezinsverband woonden.

Daarbij gold voor de categorieën b en c de eis dat de overledene geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst verplicht was. Ten aanzien van de omvang van de aanspraak bevatte de bepaling voor categorie b niet langer de beperking tot het levensonderhoud waartoe het slachtoffer volgens de wet verplicht zou zijn geweest. Daarover wordt in de Memorie van Antwoord opgemerkt (a.w. p. 398) dat die beperking als bezwaar zou hebben dat zij zou nopen in ieder afzonderlijk geval na te gaan in hoeverre het feitelijk betaalde of overeengekomene met de wettelijke maatstaven overeenstemt. Dit neemt echter niet weg dat bij de bepaling van de omvang van de schade wel de verwachting een rol zal kunnen spelen, dat de overledene niet in dezelfde omvang met het verstrekken van levensonderhoud zou zijn doorgegaan en dat hij daartoe ook niet door de gerechtigde had kunnen worden gedwongen, aldus de Memorie van Antwoord (t.a.p.).

Voor categorie d gold de eis dat de overledene geheel of voor een groot deel in hun levensonderhoud voorzag en bestond er slechts een schadevergoedingsplicht "voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien". Ten aanzien van deze categorie vermeldde de Memorie van Antwoord (t.a.p.) dat zeker hier een beperking tot krachtens de wet verschuldigd levensonderhoud misplaatst zou zijn, nu het hier veelal om nabestaanden gaat jegens wie geen wettelijke verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud bestond. Hun vordering is derhalve geheel afhankelijk van de feitelijke verwachtingen omtrent hetgeen de overledene geheel vrijwillig of overeenkomstig een natuurlijke verbintenis hun aan levensonderhoud zou hebben verstrekt, aldus de MvA (t.a.p.). De voor categorie d opgenomen beperking "en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien" werd niet toegelicht.

Onder e werd voorts in het gewijzigd ontwerp van artikel 6.1.9.12 lid 1 een vorderingsrecht toegekend aan degenen die met de overledene in gezinsverband woonden en aan wier levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding.

Met betrekking tot een mogelijke overlap tussen de categorieën a t/m e wordt in de Memorie van Antwoord (t.a.p.) opgemerkt:

"Zo zal het kunnen voorkomen dat de onder a bedoelde echtgenoot of een bloed- of aanverwant als bedoeld als bedoeld onder b tevens voldoet aan de omschrijving onder e. Ook is mogelijk dat een gewezen echtgenoot als bedoeld onder c na een verzoening die nog niet tot een nieuw huwelijk heeft geleid, tevens onder de omschrijving onder d valt. In dergelijke gevallen zal de betreffende nabestaande zijn vordering op beide toepasselijke bepalingen kunnen baseren, met dien verstande dat uiteraard niet meer dan de totale werkelijke schade gevorderd kan worden."

18) De diverse uitlatingen van de Minister in de Memorie van Antwoord zoals in het voorgaande nummer gerelateerd, wijzen m.i. in de richting van volledige schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud voor alle categorieën. Voor een differentiatie tussen de categorieën a tot en met d op het punt van de omvang van de schadevergoeding bieden deze uitlatingen geen enkel aanknopingspunt. Het in het ontwerp-Meijers bestaande onderscheid in omvang van de schadevergoeding tussen echtgenoot en kinderen enerzijds en andere bloed- en aanverwanten anderzijds is in het gewijzigd ontwerp juist verlaten. Daarmee blijft als enig verschil over de eis dat reeds vóór het overlijden door de overledene feitelijk in het levensonderhoud van de nabestaande werd voorzien (niet voor echtgenoot en kinderen, wel voor overige categorieën).

Zoals gezegd wordt in de Memorie van Antwoord niet gerept over de uitleg van de zinsnede in de (ten opzichte van het Ontwerp-Meijers) nieuwe categorie d van artikel 6.1.9.12 lid 1 "en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien".

19) Bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer is door het kamerlid Haas-Berger onder meer voorgesteld (a.w. p. 400) de zojuist bedoelde zinsnede ook op te nemen onder c van artikel 6.1.9.12 lid 1 (de ex-echtgenoot). De regeringscommissaris heeft daarop geantwoord dat het effect daarvan vrij klein zou zijn(2) nu vrijwel hetzelfde al voortvloeit uit de aanhef van de bepaling. De regeringscommissaris heeft dus gezegd dat de zinsnede "en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien" vrijwel geen aanvullende betekenis heeft ten opzichte van de reeds in de aanhef opgenomen, en dus voor alle categorieën geldende beperking dat het moet gaan om het derven van levensonderhoud. Zie ook de in het Eindverslag van de bijzondere commissie voor de herziening van het Burgerlijk Wetboek uit de Eerste Kamer opgenomen vraag van die commissie en het antwoord van de minister daarop (a.w. p. 403/404):

"Vraag

Afgezien van lid 1 sub d wordt in artikel 6.1.9.12 het behoeftigheidsvereiste niet meer gesteld. Toch is het blijkens de memorie van antwoord de bedoeling dat ten opzichte van het huidig recht niet veel verandert in dit opzicht. In een tot de commissie gerichte brief vraagt Bloembergen zich af of het niet beter is dit vereiste uitdrukkelijk in de wet neer te leggen. Hierdoor zou buiten twijfel komen te staan dat de rechter met eventueel aan de nabestaanden als zodanig toekomende uitkeringen rekening moet houden, zodat procedures hierover kunnen worden voorkomen. De commissie zou hierover gaarne het oordeel van de Minister vernemen.

Antwoord

Artikel 6.1.9.12 lid 1, aanhef, spreekt van het derven van levensonderhoud. Daarin ligt opgesloten dat rekening gehouden moet worden zowel met de draagkracht die de overledene, ware hij blijven leven, in de toekomst vermoedelijk zou hebben gehad, als met de behoeften van de nabestaanden, zoals deze zich na het overlijden verder ontwikkelen en zoals deze mede door alle hun toekomende baten zullen worden bepaald. Daaronder vallen ook de uitkeringen waarop de nabestaanden recht hebben als gevolg van het overlijden zelf. Deze mogen immers geacht worden mede te voorzien in de behoeften van de nabestaanden aan levensonderhoud, dat derhalve in zoverre niet is gederfd; men zie ook de memorie van antwoord.

Bij de groep nabestaanden onder e ligt het anders. Hier gaat het om kosten van vervangende hulp die bepaald zullen worden door de behoefte aan een zodanige hulp."

Ook hier geen enkele differentiatie tussen de diverse categorieën nabestaanden: voor alle categorieën nabestaanden ligt in de beperking dat het moet gaan om schade door het derven van levensonderhoud besloten dat de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaande een rol dient te spelen bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding.

Ik acht dan ook niet goed begrijpelijk hoe het hof uit de hiervoor bedoelde opmerking van de regeringscommissaris en/of aan het zojuist geciteerde antwoord van de minister heeft kunnen afleiden dat er "bij de discussie in de Tweede Kamer overeenstemming over bestond dat ten aanzien van het bepaalde onder d (thans c) het daar uitdrukkelijk genoemde behoeftigheidscriterium wel degelijk van betekenis was, dit in afwijking van wat gold voor de onderdelen a en b van artikel 6:108 BW lid 1." (r.o. 4.5.8).

20) Thans kom ik toe aan hetgeen bij de totstandkoming van de Invoeringswet met betrekking tot de onderhavige bepaling is gezegd. Ter gelegenheid van de Invoeringswet is categorie c (de ex-echtgenoot) geschrapt en is categorie d (zij die in gezinsverband met de overledene samenwoonden) vernummerd tot c. Het hof citeert in r.o. 4.5.9 de volgende passage uit de Memorie van Antwoord II (Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1292):

"Bedacht moet daarbij worden dat een vordering die, in de bewoordingen van artikel 6.1.9.12, strekt "tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud", naar haar aard niet los kan worden gezien van de behoeften van de nabestaanden, zoals deze zich onder invloed van alle omstandigheden ontwikkelen na het overlijden van degene die hen tevoren levensonderhoud verschuldigd was of verschafte. Dit laatste berust in de regel op een mede door draagkracht en behoefte bepaalde familierechtelijke verplichting, terwijl daarvoor soms ook de "behoeftigheid" bedoeld in artikel 392 lid 2 van Boek 1 vereist is. Behoefte en behoeftigheid blijven derhalve van belang, ook al kan - zoals in het arrest van 1981 terecht werd overwogen - de onderhavige vordering tot schadevergoeding niet met een zodanige verplichting "op één lijn worden gesteld"."

Het hof overweegt ten aanzien van deze passage dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de vereisten dat door de overledene geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van de nabestaande werd voorzien, en dat door de nabestaande redelijkerwijs niet voldoende in het levensonderhoud kan worden voorzien, toen zijn verlaten. Dit moge op zichzelf juist zijn, uit de passage kan evenmin worden afgeleid dat deze vereisten in artikel 6.1.9.12 lid 1 onder c (het voormalige d) een andere, aanvullende betekenis hadden dan in die bepaling onder a en b. In deze passage wordt immers over de bepaling in het algemeen gesproken zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën nabestaanden.

Het hof leidt uit bedoeld citaat evenwel af (r.o. 4.5.9 slot) dat de genoemde, onder c (voormalig d) opgenomen vereisten zien op een behoeftigheid "in algemene zin" en niet - zoals in de onderdelen a en b - op een behoefte die is gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan overledene en nabestaande deel uitmaakten.

Met de geciteerde uitlating wordt m.i. niet anders bedoeld dan wat reeds ter gelegenheid van de Vaststellingswet was gesteld, te weten dat voor de bepaling van de omvang van de schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud, ongeacht om welke categorie nabestaanden het gaat, per definitie de behoefte van de nabestaande een rol speelt, zoals deze zich zou hebben ontwikkeld indien de overledene zou zijn blijven leven. Het gaat er immers om of aannemelijk is dat de overledene indien hij niet zou zijn overleden, zou zijn voortgegaan met het verstrekken van levensonderhoud, en zo ja, in welke mate. Bij dit laatste zal een rol kunnen spelen of de overledene puur vrijwillig levensonderhoud verstrekte dan wel op grond van een familierechtelijke verplichting en in het laatste geval, of de overledene ook in de toekomst tot het verstrekken van levensonderhoud had kunnen worden gedwongen (zoals in de Memorie van Antwoord bij de Vaststellingswet is opgemerkt, zie hiervóór, nr. 17). Het is in dàt kader dat, indien het gaat om nabestaanden die behoren tot de onderhoudsgerechtigden ten aanzien van wie art. 1:392 lid 1 jo. lid 2 behoeftigheid eist voor het bestaan van een onderhoudsverplichting, de behoeftigheid als bedoeld in art. 1:392 lid 2 BW een rol zou kunnen spelen. Dit is wat met de geciteerde uitlating m.i. is bedoeld.

Overigens bestaat er geen verschil tussen de behoeftigheid die vereist is voor een recht op levensonderhoud van een bloed- of aanverwant (art. 1:392 BW) en de behoeftigheid van een ex-echtgenoot die aanspraak geeft op alimentatie. In beide gevallen gaat het om een subjectief en relatief criterium: heeft deze onderhoudsgerechtigde, gelet op zijn individuele omstandigheden, onvoldoende inkomsten en kan hij zich deze in redelijkheid niet verwerven? Behoeftigheid dient nooit "in algemene zin", dus los van de specifieke situatie van de onderhoudsgerechtigde te worden beoordeeld. Zie Asser-De Boer (2002), nrs. 1030 en 1035; Losbl. Personen- en familierecht, aant. 1 onder c op art. 397 (Wortmann); Losbl. Schadevergoeding, aant. 24 op art. 6:108 (Bolt); zie ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch - Kostense in de zaak met rekestnr. R04/039 onder 12. Het hof, dat kennelijk van de opvatting is uitgegaan dat het criterium van art. 1:392 BW een behoeftigheid in algemene of absolute zin impliceert, heeft ook op dit punt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Men zie over "behoeftigheid" in art. 1:392 lid 2 BW nog Bloembergen, Levensonderhoud in het nieuwe Boek 1 BW, NJB 1970, p. 424 e.v. en Pals, Onrechtmatige doodslag (1983), p. 35 e.v.

21) Relevant is vervolgens de volgende, door het hof niet geciteerde en evenmin genoemde passage uit de Memorie van Antwoord Inv. II (Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1311):

"1. Het Honey-arrest (a) en de discussie daarover, alsook de vraag in hoeverre de vordering van de nabestaanden uit het onderhavige artikel mede wordt bepaald door de behoefte aan levensonderhoud die bij hen bestaat, is reeds hiervoor ter sprake geweest, nl. onder 3 bij de artikelen 6.1.9.11a en 6.1.9.12. Zoals daar is uiteengezet, ligt de regel dat de schadevergoeding wegens het derven van levensonderhoud mede afhankelijk is van de behoefte van de nabestaanden, zoals deze zich na het overlijden verder ontwikkelt - alsook van de draagkracht van de overledene zoals deze zich naar verwachting verder ontwikkeld zou hebben - besloten in het feit dat zowel krachtens de wet verschuldigd levensonderhoud als het levensonderhoud dat feitelijk werd betaald en waarvan moet worden vastgesteld in hoeverre die betaling door de overledene in de toekomst zou zijn voortgezet, mede door de behoefte van de ontvanger bepaald wordt. Dit stemt in resultaat globaal met het huidige recht overeen, met dien verstande dat dit resultaat daar vaak in verband gebracht wordt met in de in artikel 1406 BW vermelde wederzijdse "stand en fortuin", hetgeen meebrengt dat ook met de draagkracht van de aangesproken persoon rekening moet worden gehouden. Deze laatste factor kan in het nieuwe wetboek echter slechts aan de orde komen langs de weg van artikel 6.1.9.12a.

Voor zover de huidige literatuur oordeelt dat in de huidige rechtspraak een eis van "behoeftigheid" wordt gesteld, die niet beperkt is tot de nabestaanden voor wier aanspraak op levensonderhoud die eis krachtens artikel 392 lid 2 van Boek 1 geldt, en die evenmin samenvalt met de behoefte zoals deze bepalend is voor zowel omvang als bestaan van een wettelijke verplichting tot levensonderhoud, is dit oordeel voor bestrijding vatbaar. Daarbij is van belang dat de rechtspraak waarop men zich in dit verband pleegt te beroepen, betrekking heeft op de wetgeving van vóór 1 januari 1970 toen de eis van behoeftigheid in de wettelijke regeling betreffende onderhoud een belangrijker rol speelde dan thans; men zie Asser-Wiarda, 1957, p. 945-946. Wat daarvan ook zij, een afzonderlijke behoeftigheidseis in deze, niet bij het huidige alimentatierecht passende zin is niet in artikel 6.1.9.12 opgenomen en zou met het daarin vervatte stelsel ook niet stroken."

In deze passage wordt heel duidelijk gesteld dat de eis van behoeftigheid (anders dan in de zin van relatieve of subjectieve behoeftigheid) noch onder het oude recht, noch in het nieuwe art. 6.1.9.12 geldt buiten de door art. 1:392 lid 1 jo. 2 BW bestreken gevallen(3). Er wordt met geen woord gerept over een eventuele afwijkende situatie voor "samenwoners" (categorie c). Het draait bij alle categorieën om de vraag of en in hoeverre de verstrekking van levensonderhoud zonder overlijden zou zijn voortgezet. Wat betreft "samenwoners" die niet vallen onder categorie a en ook niet behoren tot de overige onderhoudsgerechtigden als bedoeld in art. 1:392 e.v. BW spelen wettelijke onderhoudsverplichtingen, en dus ook het behoeftigheidscriterium van art. 1:392 lid 2, daarbij geen rol. De behoefte van de nabestaande die bij deze zuiver feitelijke verwachting een rol speelt, is uiteraard de relatieve behoefte van de nabestaande: in hoeverre heeft de nabestaande, gezien zijn situatie, behoefte aan voortzetting van het levensonderhoud zoals hij dat van de overledene ontving? Is er sprake van deze relatieve behoefte van de nabestaande, dan is aannemelijk dat de overledene de verstrekking van levensonderhoud zou hebben voortgezet (mits deze daartoe voldoende draagkracht zou hebben gehad en de samenwoning in gezinsverband zou zijn voortgezet). Daarvoor is derhalve niet nodig dat de nabestaande zonder de verstrekking van levensonderhoud door de overledene "behoeftig in algemene zin" zou zijn geworden. Ook de woorden "redelijkerwijze niet voldoende" in art. 6:108 lid sub c BW wijzen in de richting van relatieve behoeftigheid.

22) De conclusie ten aanzien van de uitleg van "en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien" is dat deze zinsnede verwijst naar de eis van behoefte zoals deze in het algemeen in het alimentatierecht geldt, bij de bepaling van de omvang waarvan rekening wordt gehouden met de levensstandaard en individuele omstandigheden van de alimentatiegerechtigde. Hierbij is niet alleen bepalend datgene waarover de alimentatiegerechtigde feitelijk kan beschikken maar ook datgene wat hij in redelijkheid kan verwerven, zie Asser-De Boer (2002), nr. 1035 en bijvoorbeeld HR 20 mei 1960, NJ 960, 420; HR 13 november 1970, NJ 1971, 56; HR 10 september 2004, RvdW 2004, 104; HR 5 november 2004, NJ 2005, 3(4). De zinsnede heeft derhalve geen zelfstandige of aanvullende betekenis ten opzichte van de reeds in de aanhef van art. 6:108 lid 1 besloten liggende beperking dat het moet gaan om schade door het derven van levensonderhoud en er derhalve sprake moet zijn van behoefte aan levensonderhoud bij de nabestaande. Zie ook Asser-Hartkamp 4-I (2004), nrs. 480 en 481; Losbl. Schadevergoeding, aant. 23 op art. 108 (Bolt); Van Maanen, Kwartaalbericht Nieuw BW 1986, p. 123/124; Van der Nat-Verhage, De Beursbengel 1992, aflevering 3, p. 10. Anders: Bouman en Tilanus-van Wassenaer, Mon. Nieuw BW (B-37), p. 37, die opmerken dat het bij de categorieën a, b en d van art. 108 gaat "om de concrete behoefte aan schadevergoeding zoals die kan blijken uit een zoveel mogelijk objectieve vergelijking van de toestand voor het overlijden met die nadien", terwijl bij categorie c niet alleen aannemelijk moet zijn dat het onderhoud zou zijn voortgezet, maar "zich bij de objectieve vergelijking het subjectieve, in de persoon van de claimant te zoeken element (voegt) dat hij redelijkerwijs niet zelf voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien, dat wil zeggen op andere wijze dan door honorering van zijn schadeaanspraak". Evenzo Storm/Kamp/Schön, a.w. p. 232.

De slotsom met betrekking tot de uitleg van "in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag" is dat de wetsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat het hier zou moeten gaan om een bijdrage aan de gemeenschappelijke kosten van levensonderhoud die groter is dan de bijdrage van de nabestaande zelf. Zie over dit vereiste ook Bouman en Tilanus-van Wassenaer, Mon. Nieuw BW (B-37), p. 39; Storm/Kamp/Schön, a.w. p. 227. Beslissend is m.i., gelet op de hiervoor weergegeven gedeelten uit de wetsgeschiedenis, of de bijdrage van de overledene aan het levensonderhoud van de nabestaande zodanig groot was dat dat de nabestaande substantieel levensonderhoud derft doordat deze bijdrage wegvalt.

23) Het hof gaat in r.o. 4.5.10 en 4.5.11 nog in op de totstandkomingsgeschiedenis van de wetgeving waarbij het geregistreerd partnerschap is ingevoerd. Het hof ontleent aan het feit dat bij die gelegenheid het onderscheid tussen enerzijds gehuwden en geregistreerde partners en anderzijds samenwonenden uitdrukkelijk is gehandhaafd, een extra argument voor zijn oordeel dat ook in art. 6:108 BW onderscheid gemaakt moet worden tussen beide categorieën. Het hof miskent daarbij evenwel dat blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:108 BW het onderscheid tussen gehuwden (categorie a) en samenwonenden (categorie c) reeds (en uitsluitend) tot uitdrukking is gebracht met de voorwaarde bij laatstgenoemden dat de overledene feitelijk in hun levensonderhoud voorzag, welke voorwaarde bij gehuwden niet geldt (zie hiervóór, nr. 18).

24) Met de steller van het middel ben ik van mening dat er ook geen rechtvaardiging bestaat voor een extra onderscheid tussen enerzijds (a) de echtgenoot en minderjarige kinderen van de overledene en (b) andere bloed- of aanverwanten in wier levensonderhoud de overledene geheel of ten dele voorzag en anderzijds de nabestaanden met wie de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag (c). Ten opzichte van groep a komt het onderscheid voldoende tot uitdrukking doordat bij die groep de eis van feitelijk levensonderhoud verschaffen niet geldt. Ten opzichte van groep b is er überhaupt geen grond voor een verschil in omvang van de schadevergoeding, aangezien het ook bij groep b kan gaan om personen jegens wie de overledene krachtens de wet niet tot alimentatie was gehouden, terwijl ook als dit anders is, het recht op schadevergoeding wordt bepaald door het onderhoud dat de overledene feitelijk verschafte, ongeacht of dit meer of minder was dan uit de maatstaven van art. 1:392(5) e.v. zou voortvloeien (zie Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 480, p. 443).

25) In een geval als het onderhavige, waarin een samenwonend stel een huis heeft gekocht waarvan de koopprijs en de tot zekerheid voor de afbetaling daarvan aangegane hypotheek zijn afgestemd op hun beider inkomen, de overleden partner met haar inkomen substantieel bijdroeg aan de woon- en overige vaste lasten en de overblijvende partner full time werkzaam is, dient m.i. bij het vaststellen van de behoefte aan levensonderhoud van de overblijvende partner in het kader van art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c BW in beginsel te worden uitgegaan van de vaste lasten, inclusief de woonlasten, zoals die bestonden ten tijde van de samenwoning. Van de overblijvende partner kan in dit verband in beginsel niet worden gevergd dat hij zijn vaste lasten, met name zijn woonlasten, beperkt door het huis te verkopen en goedkoper te gaan wonen. Hier kan worden aangesloten bij de rechtspraak volgens welke op de behoefte van een alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot de mate van welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben kunnen leven, van invloed kan zijn (HR 12 februari 1988, NJ 1988, 945; HR 19 december 2003, NJ 2004, 140). Zie in deze zin ook Storm/Kamp/Schön, Personenschade, in: Barendrecht en Storm (red.), Berekening van schadevergoeding (1995), p. 228/229.

26) De subonderdelen 2.5.1 tot en met 2.5.4 en 2.7.2 treffen op grond van het voorgaande doel. De overige klachten van onderdeel 2 behoeven geen behandeling meer.

27) Onderdeel 3 betreft de gevorderde "kosten van lijkbezorging" als bedoeld in art. 6:108 lid 2 BW, en meer in het bijzonder de door [eiser] gevorderde kosten van een gedenkteken. Volgens genoemde bepaling is de aansprakelijke verplicht deze kosten te vergoeden aan degene te wiens laste zij zijn gekomen, "voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene". Het onderdeel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de gevorderde kosten voor een gedenkteken niet integraal, tot een bedrag van ƒ 8977, maar slechts tot € 2000 heeft toegewezen. In het onderdeel wordt betoogd dat het hof zich bij de bepaling van dit bedrag ten onrechte heeft gebaseerd op de redelijkheid, terwijl het criterium is of het bedrag in overeenstemming is met de omstandigheden van de overledene.

Tevens bevat het onderdeel twee motiveringsklachten tegen de beperking van de toewijzing tot € 2000. Ten eerste heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat het door Organice overgelegde overzicht van de Consumentenbond wel door [eiser] is weersproken, waar [eiser] heeft aangevoerd dat een grafsteen gemiddeld € 2500 kost (memorie van antwoord nr. 17.9 en prod. 8 daarbij). Het hof zou zijn oordeel voorts onvoldoende hebben gemotiveerd door uitsluitend te verwijzen naar de gemiddelde prijs van een grafsteen en niet in te gaan op de door [eiser] aangevoerde omstandigheden dat het inkomen van [betrokkene 1] bovengemiddeld was, dat de kosten van het geplaatste gedenkteken slechts iets boven het gemiddelde lagen, dat [betrokkene 1] nog maar 45 jaar oud was, midden in het leven stond en zeer onverwacht is overleden.

Dit onderdeel faalt naar mijn mening. Het hof heeft overwogen dat het, nu de gemiddelde prijs van een grafsteen in 2002 € 1942 bedroeg, ook als ervan wordt uitgegaan dat [eiser] een meer dan gemiddeld inkomen geniet, voor een in 1998 opgericht gedenkteken een bedrag van € 2000 redelijk acht. Klaarblijkelijk heeft het hof hiermee bedoeld dat het een hoger bedrag redelijkerwijs niet in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene achtte. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zie voor de totstandkoming van het tweede lid van art. 6:108 BW Parl. Gesch. Boek 6, p. 395 en 399, waaruit blijkt dat de huidige zinsnede "voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene" door de minister is opgenomen naar aanleiding van een verzoek vanuit de Tweede Kamer tot wijziging van de oorspronkelijke frase "voor zover zij in overeenstemming zijn met de stand en het fortuin van de overledene" in "voorzover zij in redelijkheid zijn gemaakt". Zie over de bepaling en de rol van de redelijkheid hierin ook Storm/Kamp/Schön, Personenschade, in: Barenrecht en Storm (red.), Berekening van Schadevergoeding (1995), p. 222; Van Eijk, Vergoeding van de kosten van lijkbezorging, TVP 2001, p. 101 t/m 108; Mon. Nieuw BW B-37 (Bouman en Tilanus-Van Wassenaer), nr. 31.

Het oordeel van het hof is m.i. ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, nu het hof kennelijk rekening heeft gehouden met de van algemene bekendheid zijnde stijging van het algemene prijspeil sinds de invoering van de euro zodat het feit dat de kosten van een grafzerk in 2002 gemiddeld € 1942 bedroegen betekent dat die kosten in 1998 waarschijnlijk een (aanzienlijk?) lager bedrag beliepen. Om dezelfde reden behoefde het hof in de door [eiser] overgelegde prod. 8 bij memorie van antwoord ook geen betwisting van de stelling van Organice te lezen, nu laatstgenoemde productie een op 6-8-03 geprinte internetpagina behelst waarin wordt gesteld: "Voor een grafsteen moet u gemiddeld denken aan zo'n € 2500,-." Voorts behoefde het hof niet expliciet mee te wegen dat [betrokkene 1] nog maar 45 jaar oud was, midden in het leven stond en zeer onverwacht is overleden; het hof geeft er geen blijk van een en ander te hebben miskend.

28) Onderdeel 4 is gericht tegen r.o. 4.11.7 e.v., waarin het hof de grief van [eiser] tegen de vaststelling op € 1.815,12 (ƒ 4000) van de schadevergoeding wegens gederfde huishoudelijke hulp, verwerpt. Het hof overweegt daaromtrent dat art. 6:108 lid 1 sub d in het onderhavige geval geen grondslag biedt voor vergoeding van deze kosten, nu deze bepaling blijkens de parlementaire geschiedenis is geschreven voor het geval dat er in het gezin van de overledene een zodanige taakverdeling bestond, dat de volledige zorg voor de huishouding op de overledene rustte, terwijl bovendien betaalde vervangende hulp noodzakelijk is, zoals in het geval dat de moeder in een gezin met (jonge) kinderen wegvalt. Geen van beide doet zich volgens het hof voor. Het onderdeel bestrijdt de opvatting dat art. 108 uitsluitend van toepassing zou zijn indien de overledene de gehele zorg voor de huishouding voor haar/zijn rekening nam. Daarnaast wordt in het onderdeel

's hofs beslissing aangevochten, dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat door het wegvallen van [betrokkene 1] betaalde huishoudelijke hulp noodzakelijk is geworden.

Het hof heeft zich bij zijn oordeel gebaseerd op de navolgende passage uit de Memorie van Antwoord II bij de Vaststellingswet (Parl. Gesch. Boek 6, p. 398):

"Onder e, tenslotte, is een bepaling opgenomen betreffende het geval dat de overledene de gemeenschappelijke huishouding van zichzelf en één of meer anderen deed en aldus in natura in hun levensonderhoud bijdroeg. Gewoonlijk zal het hier gaan om de echtgenote die de huishouding voor haar man en de kinderen deed. In zulk een geval zal de man na het overlijden vaak vervangende huishoudelijke hulp moeten bekostigen, waarmee aanzienlijke bedragen gemoeid kunnen zijn. Het komt de ondergetekende redelijk voor dat ook hiervan een vergoeding kan worden gevorderd. (...)"

M.i. dwingt deze passage er niet toe art. 6:108 onder d zo uit te leggen dat alleen het "klassieke" geval van een echtgenote die volledig de huishouding en eventueel de kinderen verzorgde, hieronder valt. Niet voor niets wordt gesproken van "gewoonlijk", hetgeen ten tijde van de totstandkoming van de passage waarschijnlijk juist was, maar dat kan heden ten dage niet meer worden gezegd. Het lijkt dan ook beter aan te sluiten bij de huidige maatschappelijke situatie om onder "het doen van de gemeenschappelijke huishouding" in art. 6:108 onder d mede te begrijpen het veelvuldig voorkomende geval van het gedeeltelijk doen van die huishouding. Gelet op het feit dat de omvang van de schadevergoeding wordt bepaald door de mate waarin na het overlijden op andere wijze in de gang van de gemeenschappelijke huishouding moet worden voorzien, zodat de mate waarin de overledene het huishouden deed daarin wordt verdisconteerd, zie ik ook geen goede reden voor de door het hof gevolgde restrictieve uitleg.

[eiser] heeft ten aanzien van het aandeel van [betrokkene 1] in de gemeenschappelijk huishouding onder meer opgesomd (memorie van antwoord/incidentele memorie van grieven, grief 13, nrs. 20.1 tot en met 20.16) welke huishoudelijke taken [betrokkene 1] placht te verrichten en welke [eiser], dat [betrokkene 1] anders dan [eiser] arbeidsduurverkorting genoot en dat [eiser] aanzienlijk meer reistijd had dan [betrokkene 1] omdat hij in heel Nederland werkzaam was, dat de verhouding tussen beider bijdrage aan de gemeenschappelijke huishouding neerkwam op 2:1, te weten [betrokkene 1] 24 uur en [eiser] 12 uur per week, en dat ten gevolge van het overlijden van [betrokkene 1] kan worden uitgegaan van een vermindering van de totale huishoudelijke werkzaamheden van 10 uur zodat sprake is van een uitval van 14 uur per week. Vervolgens heeft [eiser] de kosten van vergoeding daarvan berekend.

Organice heeft bij memorie van antwoord in het incidentele appel (nrs. 37 t/m 40) betwist dat [betrokkene 1] 24 uur per week aan de huishouding zou hebben besteed. Organice betoogde in dit verband dat uit de door [eiser] overgelegde gegevens van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat vrouwen zonder kinderen die een betaalde baan hebben van 12 uur per week, 24 uur per week aan de huishouding besteden. Nu [betrokkene 1] 36 uur per week buiten de deur werkte, is eerder aannemelijk dat zij slechts 8 uur per week aan het huishouden besteedde, aldus Organice. Voorts bestreed Organice de omvang van de opgevoerde kosten van betaalde huishoudelijke hulp.

In het licht van deze stellingen en gezien het feit dat het hof ervan is uitgegaan dat [betrokkene 1] en [eiser] voorafgaand aan het ongeval geen betaalde huishoudelijke hulp hadden (r.o. 4.11.2), acht ik het oordeel van het hof dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat dit in zijn geval door het wegvallen van [betrokkene 1] noodzakelijk is geworden, zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet begrijpelijk. Daarbij neem ik als algemene ervaringsregel in aanmerking dat het door een stel zonder kinderen voeren van een gemeenschappelijke huishouding in de regel een lagere huishoudelijke belasting per persoon zal opleveren dan een eenpersoonshuishouden, indien de huishoudelijke taken worden verdeeld. Huishoudelijke taken zoals boodschappen doen, ramen zemen, koken, schoonmaken en stofzuigen kosten (vrijwel) evenveel tijd in een één- en in een tweepersoonshuishouden. Het is dus m.i. op voorhand aannemelijk dat [eiser], evenals op het financiële vlak, op het huishoudelijke vlak dit "synergievoordeel" kwijt is.

Onderdeel 4 slaagt dus naar mijn mening.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch van 15 juni 2004 en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie het bestreden arrest van het gerechtshof 's Hertogenbosch van 15 juni 2004.

2 Weliswaar voegde hij daaraan toe dat dit niet in alle opzichten zo was, maar het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat hij daarmee doelde op een verschil tussen absolute en relatieve behoeftigheid als door het hof aangenomen, nu voor een dergelijk verschil geen enkel aanknopingspunt te vinden is in de wetsgeschiedenis.

3 De minister gaat er in de hier besproken passage kennelijk vanuit dat de behoeftigheid van art. 1:392 lid 2 BW een behoeftigheid in algemene zin is, dat wil zeggen dat de bloed- of aanverwant - anders dan minderjarige kinderen en echtgenoten - alleen aanspraak kan maken op levensonderhoud als het hem aan het allernoodzakelijkste ontbreekt. Zoals in het voorgaande nummer opgemerkt is die opvatting (in elk geval thans) niet de heersende leer en gaat het ook bij de behoeftigheid van art. 1:392 BW om relatieve behoeftigheid.

4 Overigens kan de invulling van wat de nabestaande zich redelijkerwijs kan verwerven wel een andere zijn dan in het alimentatierecht; de beantwoording van de vraag of en in hoeverre van de nabestaande redelijkerwijs kan worden gevergd dat deze (meer) gaat werken, zal m.i. mede kunnen afhangen van het gegeven dat de behoefte aan levensonderhoud is ontstaan als gevolg van een overlijden en niet als gevolg van bijvoorbeeld een echtscheiding. Zie ook Storm/Kamp/Schön, a.w. p. 232 en Losbl. Schadevergoeding, aant. 24 op art. 6:108 (Bolt).

5 Zij het dat bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de overledene zou zijn voortgegaan met het verstrekken van levensonderhoud, bij personen jegens wie de overledene een wettelijke onderhoudsverplichting had, wel een rol kan spelen of en in hoeverre die wettelijke onderhoudsverplichting zou zijn blijven bestaan zie in de hoofdtekst onder nr. 20