Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU6081

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
03598/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU6081
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte met bijstandsuitkering vulde op daarop betrekking hebbende formulieren bij o.m. de vraag “ik bezit een auto” “nee” in. Het hof verwierp het verweer dat de auto’s weliswaar op naam van verdachte stonden, maar dat ze in werkelijkheid het bezit van anderen waren en dat hij het geld van de via zijn rekening betaalde belasting en verzekeringspremies van die anderen terugkreeg. Het hof veroordeelde verdachte wegens valsheid in geschrift. HR: het verweer strekt er mede toe dat geen sprake was van valse opgaven omdat verdachte de motorvoertuigen niet in bezit had. Die aangevoerde omstandigheid strijdt met de bewezenverklaring en wordt niet weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof was dus gehouden op dat verweer een gemotiveerde beslissing te geven. ’s Hofs motivering van de verwerping van het verweer is echter ondeugdelijk. Die houdt immers niet in dat en waarom het hof heeft geoordeeld dat verdachte de motorvoertuigen, waarvan het kentekenbewijs op zijn naam stond, ook in zijn bezit had. De door het hof genoemde omstandigheid dat wanneer een kentekenbewijs op iemands naam staat deze “meestal ook het bezit van die auto heeft in de zin van de Algemene Bijstandswet” doet in het licht van het gevoerde verweer aan een en ander niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 745
RvdW 2006, 44
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03598/04

Mr. Knigge

Zitting: 1 november 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht bevestigd, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan vijftig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte het oogmerk had om de formulieren valselijk op te maken.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 november 1999 tot en met 27 augustus 2002 in de gemeente Brunssum, meermalen, een hem ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Aanvraagformulier bijstand" en "Rechtmatigheidsonderzoek Abw" en "Formulier periodiek heronderzoek" en "Formulier rechtmatigheidsonderzoek Abw", zijnde dit formulier een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande, dat hij, verdachte, in de periode waarop dat formulier betrekking had, valselijk niet op dat formulier - zakelijk weergegeven - alle auto's en motoren die hij in bezit had heeft opgegeven

en dat formulier voor waar heeft ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken".

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen.

"1. de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze, zakelijk weergegeven, inhoudt:

Ik heb een bijstandsuitkering gehad die op 22 september 1999 inging. Ik heb geen melding gemaakt van het feit dat ik diverse auto's en motoren op mijn naam had staan. Ik was me ervan bewust dat die auto's en motoren op mijn naam stonden. Ik wist ook dat er voor de motorvoertuigen verzekeringspremies en motorrijtuigenbelasting betaald moesten worden. De motorrijtuigbelasting en de verzekeringspremies heb ik van mijn eigen rekening betaald.

2. het aanvraagformulier bijstand van gemeente Brunssum, afdeling Sociale Zaken, betreffende verdachte, ondertekend door aanvrager [verdachte] (verdachte) d.d. 1 november 1999, als bijlage 1 gevoegd bij het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt:

- als verklaring van aanvrager (verdachte) onder punt 11.4:

Ik bezit een auto, kenteken [AA-00-AA], bouwjaar 1992, merk VW, type Golf, geschatte waarde fl. 7.000,-.

(Bij die vraag is vermeld: neem kentekenbewijs van auto en/of motor mee.)

- dat onder punt 11.4 niet is ingevuld dat de aanvrager een motor bezit.

3. het formulier periodiek heronderzoek van gemeente Brunssum, afdeling Sociale Zaken, betreffende verdachte, door verdachte ondertekend d.d. 19 februari 2001, als bijlage 2 gevoegd bij het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt:

Bij de vraag (7.4) "Ik bezit een auto/ een motor" is niets ingevuld.

(Bij die vraag is vermeld: neem kentekenbewijs van auto en/of motor mee.)

4. het formulier rechtmatigheidsonderzoek Abw van gemeente Brunssum, afdeling Sociale Zaken, betreffende verdachte, door verdachte ondertekend d.d. 14 augustus 2002, als bijlage 3 gevoegd bij het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt:

Bij de vraag (7.4) "Ik bezit een auto/ een motor" is niets ingevuld.

(Bij die vraag is vermeld: neem kentekenbewijs van auto en/of motor mee.)

5. een 32-tal formulieren met telkens het opschrift rechtmatigheidsonderzoek Abw van gemeente Brunssum, afdeling Sociale Zaken, betreffende verdachte, door verdachte telkens ondertekend in de periode van 1 februari 2000 tot en met 27 augustus 2002, als bijlage 6 gevoegd bij het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, voor zover deze, zakelijk weergegeven, inhouden:

De vraag (15) "Is het vermogen van u sedert de laatste opgave toegenomen?" is telkens beantwoord met "nee".

6. het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt als relaas van de verbalisant J.H.L.M. Bogers:

Op 14 augustus 2002 vond er een periodieke controle plaats van de aan [verdachte] toegekende uitkering. Doel van deze controle is om na te gaan of zich in de omstandigheden van [verdachte] wijzigingen hebben voorgedaan die van invloed zijn op het recht en de hoogte van de hem toegekende uitkering.

Op de door [verdachte] ter inzage verstrekte rekeningafschriften is te lezen dat op 1 augustus 2002 € 61,04 werd afgeschreven ten gunste van [A] B.V.. Volgens [betrokkene 2] (klantbeheerder bij de afdeling sociale zaken van de gemeente Brunssum) vertelde [verdachte] na enig haperen dat dit de premie was van een rechtsbijstandverzekering. Omdat [verdachte] niet meteen antwoord kon geven, vermoedde [betrokkene 2] dat dit de premie was van een autoverzekering. Ik, verbalisant, heb een nader onderzoek ingesteld.

Het aanvraagformulier bijstand, het formulier periodiek heronderzoek, het formulier rechtmatigheidsonderzoek Abw alsmede de maandelijkse formulieren met het opschrift rechtmatigheidsonderzoek Abw zijn formulieren op grond waarvan het recht op en de hoogte van de uitkering wordt bepaald.

7. de kentekeninformatie van de RDW, Centrum voor voertuigtechniek en informatie, als bijlage 7 gevoegd bij het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt:

Ten name van [verdachte], [a-straat 1] te [plaats B], zijn de volgende voertuigen ingeschreven:

- VW Golf GT 66 KW, bouwjaar 1992, [AA-00-AA], van 23-12-1998 tot 11-05-2002

- Honda XR 600 R, bouwjaar 1992, [BB-00-BB], van 26-04-1999 tot 22-04-2000

- Yamaha RN01, bouwjaar 1998, [CC-00-CC], van 30-03-2000 tot 23-08-2000

- Yamaha RN04 YZF-R1, bouwjaar 2000, [DD-00-DD], van 21-12-2000 tot 15-05-2001

- Yamaha RN04 YZF-R1, bouwjaar 2000, [DD-00-DD], van 17-05-2001 tot 21-05-2001

- Audi A3 92 Kw Aut, bouwjaar 1997, [EE-00-EE], vanaf 03-05-2002.

8. de brief van Centraal bureau motorrijtuigenbelasting aan gemeente Brunssum d.d. 30 augustus 2002, als bijlage 8 gevoegd bij het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt:

Naar aanleiding van uw verzoek van 21 augustus 2002 deel ik u mede dat onderstaande gegevens voorkomen in het bestand van het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting te Apeldoorn.

Van onderstaande kentekens gaan de rekeningen naar [verdachte], [a-straat 1] te [plaats B]:

- [AA-00-AA]

- [BB-00-BB]

- [CC-00-CC]

- [DD-00-DD] (voor het tijdvak van 17-05-2001 tot en met 20-05-2001 is geen belasting verschuldigd)

- [EE-00-EE].

9. het proces-verbaal van gemeente Brunssum, sociale recherche, proces-verbaalnummer 2002161270, van 1 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit, zakelijk weergegeven, inhoudt als relaas van de verbalisant J.H.L.M. Bogers:

Ik, verbalisant, heb bij [A] te Hoensbroek geïnformeerd naar de verzekeringnemer van de verzekeringen van de:

- VW Golf GT 66 KW, bouwjaar 1992, [AA-00-AA];

- Honda XR 600 R, bouwjaar 1992, [BB-00-BB];

- Yamaha RN01, bouwjaar 1998, [CC-00-CC];

- Yamaha RN04 YZF-R1, bouwjaar 2000, [DD-00-DD].

De verzekeringnemer van deze motorvoertuigen is telkens [verdachte], [a-straat 1] te [plaats B].

Ik, verbalisant, heb bij [B] B.V. geïnformeerd naar de verzekeringnemer van de verzekering van de:

- Audi A3 92 Kw Aut, bouwjaar 1997, [EE-00-EE]. De betreffende verzekeringnemer is [verdachte], [a-straat 1] te [plaats B]."

6. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman eveneens betoogd dat het oogmerk niet aanwezig was. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft namens verdachte ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat verdachte steeds op het "Aanvraagformulier bijstand" en het formulier "periodiek heronderzoek" en het formulier "Rechtmatigheidsonderzoek Abw" van de gemeente geen opgave van alle auto's en motoren die op zijn naam stonden heeft gedaan, aangezien hij aannam en ook mocht aannemen dat hij geen bezitter was van die auto's en motoren. Verdachte heeft daartoe aangevoerd dat hij weliswaar de autobelasting en de verzekering van de auto's en motoren betaald heeft, maar dat hij deze gelden steeds terug kreeg van [betrokkene 1] en de broer van verdachte, aangezien dezen volgens verdachte als de daadwerkelijke bezitters van de motorvoertuigen zijn aan te merken.

De raadsman is mitsdien van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken op de grond dat verdachte niet het oogmerk tot misleiding heeft gehad.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Op 14 augustus 2002 werd aan verdachte door verbalisanten in het kader van een periodieke controle gevraagd wat het -op het rekeningafschrift van verdachte te lezen- afgeschreven geldbedrag aan [A] inhield. Bij de beantwoording van deze vraag aarzelde de verdachte in eerste instantie om antwoord te geven en verklaarde verdachte in tweede instantie dat de betaling op het bankafschrift van verdachte een rechtsbijstandsverzekering betrof. In tegenstelling tot hetgeen verdachte heeft verklaard, bleek dat verdachte een aantal verzekeringen voor een aantal auto's en motoren die op zijn naam stonden, betaalde. Het hof overweegt dat, blijkens de aarzelende verklaring die verdachte in verband met de betaling bezigde, verdachte wist dat zijn handelwijze in deze niet in de haak was.

Het hof constateert dat onder de open vraag: "Ik bezit een auto" of "Ik bezit een motor" -welke door verdachte steeds ten onrechte met "nee" werd beantwoord- staat te lezen dat bij bezit van auto of motor, de betrokkene het kentekenbewijs van die auto of motor mee diende te nemen. Verdachte moet derhalve hebben geweten, dat wanneer iemand een kentekenbewijs van een auto heeft, dit betekent dat men dan meestal ook het "bezit" van die auto heeft, in de zin van de Algemene Bijstandswet.

Verdachte moet zich door bovengenoemde feiten en omstandigheden van de onjuistheid van zijn antwoorden bewust zijn geweest en hij moet zich voorts bewust zijn geweest van het feit dat hij door deze handelwijze het toetsingsorgaan de mogelijkheid ontnam te toetsen in hoeverre het bezit van de auto's en motoren van belang was voor de bepaling van het recht op en de hoogte van de uitkering.

Op grond van het vorenstaande acht het hof het ten laste gelegde oogmerk bewezen."

7. Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het Hof onder meer het volgende overwogen.

"Bij de straftoemeting heeft het Hof in het voordeel van de verdachte er rekening mee gehouden dat (...) uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat niet alle goederen tot het vermogen van de verdachte behoorden."

8. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte zijn stelling dat de auto's en motoren die op zijn naam stonden, niet tot zijn vermogen behoorden, kracht heeft bijgezet door de overlegging van schriftelijke bescheiden, waaronder een fotokopie van een door [betrokkene 1] geschreven brief en een fotokopie van een koopcontract. Mede gelet op het verhandelde ter zitting in eerste aanleg - alwaar de verdediging op dezelfde bescheiden een beroep deed - mag worden aangenomen dat [betrokkene 1] in de genoemde brief verklaarde dat de verdachte inderdaad een aantal voertuigen van [betrokkene 1] op zijn naam had staan en dat in het overgelegde koopcontract staat vermeld dat de broer van de verdachte eigenaar van de Audi A3 is. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkt voorts dat de raadsman van de verdachte het Hof heeft verzocht om, "indien dit van belang wordt geacht", [betrokkene 1] en eventueel verdachtes broer als getuigen op te roepen. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen omdat het horen van de beide getuigen "voorshands" niet noodzakelijk werd gacht.

9. Ik stel meteen maar voorop dat mij niet recht duidelijk is geworden hoe het Hof heeft geredeneerd. De overwegingen van het Hof kunnen op verschillende manieren gelezen worden, maar welke lezing men ook kiest, een consistente en begrijpelijke motivering die voldoet aan de eisen van de wet, levert die keuze niet op. Ter toelichting het volgende.

10. In de toelichting op het middel wordt erover geklaagd dat het Hof - kort samengevat - voorbij is gegaan aan de door de verdachte aannemelijk gemaakte stelling dat de desbetreffende auto's en motoren nimmer zijn feitelijk bezit zijn geweest en dat het Hof in plaats daarvan het tenlastegelegde oogmerk heeft afgeleid uit de aarzelende verklaring die verdachte tegenover de politie aflegde. Uit deze toelichting maak ik op dat de klacht zich niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, richt op het bewijs van het oogmerk. De klacht richt zich primair op het bewijs van het valselijk - dat wil zeggen: opzettelijk in strijd met de waarheid - opmaken van de formulieren. Het accent ligt daarbij op het objectieve bestanddeel: het verweer was dat de de formulieren niet in strijd met de waarheid zijn ingevuld omdat de verdachte niet de bezitter van de auto's en motoren was. Het ontbreken van opzet en oogmerk is in deze voorstelling van zaken het bijna logische gevolg van de objectieve stand van zaken. Omdat - zoals de verdachte meende en nog steeds meent - de formulieren niet in strijd met de waarheid zijn ingevuld, kan van opzettelijk onjuist invullen geen sprake zijn geweest.

11. Ik merk in dit verband op dat het niet goed mogelijk is om van opzet op bepaalde objectieve omstandigheden te spreken als die omstandigheden zich in feite niet voordoen. Het subjectieve bestanddeel opzet heeft zogezien een objectieve component. Een aardige illustratie daarvan levert het betrekkelijk recent gewezen HR 6 september 2005, LJN: AT 2760. De verdachte schoot op en door een ruit van de woonkamer van een appartement waarin zich - naar hij wist - zowel zijn ex-vrouw als haar zus bevonden. De zus was echter op het moment waarop het schot werd gelost, net de kamer uitgelopen.(1) Daarom oordeelde de Hoge Raad dat voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van de ex-vrouw wél, ten aanzien van de zus echter niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. Niet gezegd kon worden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de zus door de kogel zou worden getroffen, nu die aanmerkelijke kans in feite - objectief gezien - niet aanwezig was. Een wat ouder en tegelijk buitenissig voorbeeld is te vinden in HR 14 januari 1947, NJ 1947, 140. De verdachte stond terecht wegens opzettelijk handelen in strijd met de Tabaksdistributiebeschikking. Hij had verklaard dat hij "wist dat dit alles verboden was". Het bewijs van het destijds vereiste boos opzet leek daarmee geleverd. Door een vergissing van de wetgever echter was de Tabaksdistributiebeschikking op het moment van handelen niet van kracht, een fout die later met terugwerkende kracht was hersteld. Volgens de Hoge Raad moest uitgegaan worden van de fictie dat de Tabaksdistributiebeschikking van kracht was geweest op het moment waarop het tenlastegelegde feit werd gepleegd. Het feit was dus strafbaar. De fictie kon volgens de Hoge Raad echter niet tengevolge hebben dat de verdachte "op 7 Maart 1946 wist wat de wetgever op 5 April 1946 zou bepalen". Met andere woorden: de verdachte kan wel gedacht hebben dat wat hij deed verboden was, maar hij kan niet geweten hebben dat zijn handelen verboden was omdat dit in feite niet het geval was.

12. Terug naar de onderhavige zaak. Met het voorgaande wil betoogd zijn dat het Hof, hoewel het verweer werd gepresenteerd als een bestrijding van het oogmerk, zich had moeten concentreren, niet op wat de verdachte dacht of moet hebben begrepen, maar op de feitelijke juistheid van de bewering dat de auto's en motoren geen deel uitmaakten van het vermogen van de verdachte. In zoverre heeft de steller van het middel het gelijk dus aan zijn zijde. Ik merk daarbij op dat, als het Hof uit de aarzelende verklaring die de verdachte aflegde, zou hebben afgeleid dat de verdachte de bezitter was van de auto's en de motoren, de steller van het middel daartegen terecht opkomt. Als weerlegging van het verweer is de motivering dan onbegrijpelijk, reeds omdat de aarzelende - en mogelijk zelfs leugenachtige -beantwoording van de vraag heel goed te verenigen is met de bewering dat de auto's en motoren die op verdachtes naam stonden, aan anderen toebehoorden. Want ook als die bewering juist is, is de kans groot dat er iets "niet in de haak" was. De neiging van de verdachte om de waarheid te bemantelen, kan - anders gezegd - heel wel een andere reden hebben gehad dan het Hof daarachter zoekt.

13. Volgens de steller van het middel heeft het Hof de verwerping van het verweer dubbel gemotiveerd. De tweede grond waarop die verwerping rust, zou besloten liggen in de overweging dat de verdachte, nu het formulier vermeldt dat bij bezit van auto of motor het kentekenbewijs meegenomen dient te worden, geweten moet hebben dat iemand die een kentekenbewijs van een auto heeft, meestal ook het "bezit" van die auto heeft. Met betrekking tot deze verwerpingsgrond kunnen gelijksoortige opmerkingen worden gemaakt als hiervoor ten aanzien van de eerste verwerpingsgrond zijn gemaakt. Ook hier geldt dat het niet primair gaat om wat de verdachte moet hebben geweten, maar om wat feitelijk de situatie was. Als het juist is dat het Hof uit de tekst van het formulier afleidt dat verdachte de bezitter van de auto's en motoren was, is dat ten enenmale onbegrijpelijk. Niet valt in te zien hoe uit de tekst van een voor algemeen gebruik bestemd formulier ooit kan worden afgeleid dat de individuele gebruiker van dat formulier bepaalde voertuigen in zijn bezit heeft. Ook valt niet goed in te zien hoe het feit dat degene die het kentekenbewijs heeft, meestal - dus niet altijd - de bezitter van de auto is, de weerlegging kan vormen van het verweer dat het in dit bijzondere geval anders is.

14. Ik heb in het voorgaande met opzet een slag om de arm gehouden. Ik ben er niet zeker van of de steller van het middel uitgaat van een juiste lezing van het arrest. De overwegingen van het Hof komen mogelijk in een ander licht te staan als het oordeel dat verdachte de bezitter van de voertuigen is, door het Hof 'kennelijk' op andere gronden is gebaseerd. Dat zou met name het geval zijn als uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte wel degelijk de bezitter van de auto's en motoren was en het gevoerde verweer dus in die bewijsmiddelen zijn weerlegging vindt. Ik zal daarop in het navolgende ingaan. Ik wijs er nu al vast op dat de veronderstelling daarbij nog steeds is, dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte de bezitter van de auto's en motoren was. Of die veronderstelling juist is, is nog maar de vraag. Dat oordeel wordt door het Hof in elk geval niet expliciet uitgesproken. Ook op dit punt moet het arrest van het Hof dus misschien anders gelezen worden. Zie daarover hierna, de punten 17 en verder.

15. In de toelichting op het middel wordt erover geklaagd dat het Hof de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft miskend. Volgens die jurisprudentie rechtvaardigt het feit dat het kenteken van een auto op naam van de betrokkene staat, slechts het vermoeden dat de betrokkene de bezitter van die auto is.(2) Dat vermoeden moet wijken voor de blijk van het tegendeel. Ik geloof niet dat het Hof dit heeft miskend, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. Het Hof overweegt immers met zoveel woorden dat degene die het kentenbewijs heeft, meestal bezitter is. Het Hof gaat er kennelijk vanuit dat dit niet steeds het geval is. Ik merk daarbij nog op dat de door de Centrale Raad van Beroep gehanteerde bewijsregel dat het aan de houder van het kenteken is "om in genoegzame mate aan te tonen" dat hij niet de bezitter is, niet naar het strafprocesrecht mag worden doorgetrokken. Ik ga ervan uit dat het Hof de jurisprudentie van de Centrale Raad op dit punt juist wél heeft "miskend" en dat de verwerping van het verweer dus niet berust op zijn impliciete oordeel dat de verdachte de juistheid van zijn beweringen niet op genoegzame wijze heeft aangetoond.

16. Dit gezegd hebbende, meen ik dat het verweer van de verdachte zijn weerlegging niet vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen houden alleen in dat de auto's en motoren op naam van de verdachte stonden en dat de verdachte daarvoor de verzekeringspremies betaalde. Dat laat de door de verdachte aangevoerde mogelijkheid open dat die motorvoertuigen in feite aan anderen toebehoorden. Dat betekent dat het aangevoerde als een zogenaamd Meer en Vaart-verweer moet worden aangemerkt. Het verweer strijdt met de bewezenverklaring - want als het aangevoerde juist is, is van een valse opgave geen sprake - maar niet met de bewijsmiddelen. Een dergelijk verweer dient expliciet en gemotiveerd te worden weerlegd.(3) Aan de eisen die op dit punt gesteld worden, voldoet het arrest niet. Zelfs een expliciet oordeel dat de beweringen van de verdachte niet aannemelijk zijn geworden, ontbreekt. Ik merk daarbij op dat de verdachte een concreet - en door de overlegging van bewijsstukken - controleerbaar verweer heeft gevoerd. Gelet daarop had een nader onderzoek in de rede gelegen, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan het horen van de getuigen waarom de verdediging had verzocht. In elk geval had het Hof gemotiveerd moeten aangeven waarom het de overgelegde bewijsstukken van onwaarde oordeelde.

17. Als gezegd is de veronderstelling tot nu toe geweest dat het Hof de stelling van de verdachte dat de auto's en motoren niet tot zijn vermogen behoorden, feitelijk onjuist heeft geoordeeld. De vraag is of die veronderstelling klopt. Voedsel voor twijfel geeft hier in het bijzonder de onder 7 weergegeven overweging met betrekking tot de strafoplegging. Het Hof houdt er zoals wij zagen rekening mee "dat uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat niet alle goederen tot het vermogen van verdachte behoorden". Moet daaruit afgeleid worden dat het Hof van de (geheel of gedeeltelijke) juistheid van de beweringen van de verdachte is uitgegaan, maar heeft geoordeeld dat desondanks tot een bewezenverklaring kan worden gekomen omdat ook dan blijft staan dat de verdachte één of meer voertuigen bezat die hij heeft verzwegen? Gedacht kan hier in het bijzonder worden aan de VW Golf met het kenteken [AA-00-AA], die de verdachte in het aanvraagformulier bijstand als zijn bezit opgaf. Op deze auto had het gevoerde verweer geen betrekking. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg erkent de verdachte dat de Golf zijn eigendom was. Zijn raadsman voerde aldaar aan dat de verdachte de Golf bij het heronderzoek niet opnieuw heeft opgegeven "omdat hij ervan uitgaat dat ze dat toch wel weten". In hoger beroep is over de Golf niet meer gesproken. Moet aangenomen worden dat het bewezenverklaarde valselijk opmaken alleen op deze auto betrekking heeft?

18. De bewezenverklaarde valsheid kan ten aanzien van de VW Golf uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Uit de kentekeninformatie (bewijsmiddel 7) blijkt dat de VW Golf van 23 december 1998 tot 11 mei 2002 op naam van verdachte stond ingeschreven. Op het formulier periodiek heronderzoek (bewijsmiddel 3), dat door de verdachte op 19 februari 2001 is ondertekend, komt de VW Golf niet voor. Toch lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat het het arrest zo gelezen moet worden dat het bewezenverklaarde alleen op de VW Golf betrekking heeft. Dit alleen al omdat bewezenverklaard is dat de verdachte meermalen een formulier valselijk heeft opgemaakt. Uit de bewijsmiddelen kan alleen worden afgeleid dat de verdachte de VW Golf éénmaal ten onrechte niet heeft opgegeven. Dat ook de andere formulieren die in de bewezenverklaring worden genoemd, in dit opzicht valselijk zijn opgemaakt, kan uit die bewijsmiddelen niet worden afgeleid. Integendeel, op het "Aanvraagformulier bijstand" prijkt de VW Golf keurig als opgegeven bezit van de verdachte (bewijsmiddel 2), terwijl het "Formulier rechtmatigheidsonderzoek Abw" (bewijsmiddel 4) eerst op 14 augustus 2002 (dus ná 11 mei 2002) door de verdachte is ondertekend. En wat de 32 formulieren "Rechtmatigheidsonderzoek Abw" betreft (bewijsmiddel 5), niet valt in te zien waarom het gecontinueerde bezit van de VW Golf zou maken dat de beantwoording met "nee" van de vraag "Is het vermogen van u sedert de laatste opgave toegenomen?", onjuist is.

19. De lezing dat het oordeel van het Hof alleen betrekking heeft op de VW Golf, strookt dus niet met de bewezenverklaring. Bovendien zou die lezing maken dat de gebezigde bewijsmiddelen goeddeels redengevende betekenis missen. Die bewijsmiddelen slaan, gelet alleen al op de opsommingen in de bewijsmiddelen 7 en 8, klaarblijkelijk ook op andere voertuigen. Bij dit alles komt nog dat de bijzondere bewijsoverwegingen die het Hof zoals wij zagen aan het verweer van de verdachte heeft gewijd, volkomen in de lucht zouden komen te hangen als aangenomen wordt dat de bewezenverklaring geen betrekking heeft op de andere voertuigen, de voertuigen dus waarop het verweer zich juist richtte.

20. De meest plausibele lezing van het arrest lijkt mij al met al te zijn, dat het Hof het voor de bewezenverklaring eenvoudig niet van belang heeft geacht of al de voertuigen waarvan de verdachte de kentekenbewijzen bezat, nu wel of niet tot zijn vermogen behoorden, en wel omdat de handelwijze van de verdachte met betrekking tot die voertuigen hoe dan ook niet "in de haak" was. De bijzondere bewijsoverwegingen kunnen in dit licht begrepen worden. Omdat degene op wiens naam de auto staat, meestal de bezitter van die auto is, moet de verdachte zich ervan bewust zijn geweest dat hij, door van die op zijn naam staande auto's geen melding te maken, "het toetsingsorgaan de mogelijkheid ontnam te toetsen in hoeverre het bezit van de auto's en motoren van belang was voor de bepaling van het recht op en de hoogte van de uitkering".

21. In het midden kan blijven of dit oordeel juist is. Want als de bewezenverklaring inderdaad op dit oordeel berust, moet de conclusie zijn dat het Hof niet heeft beslist op grondslag van de tenlastelegging. Tenlastegelegd (en bewezenverklaard) is immers dat de verdachte op de formulieren valselijk niet alle auto's en motoren die hij in bezit had, heeft opgegeven. Het verwijt dat het Hof de verdachte maakt, is dus niet het verwijt dat hem in de tenlastelegging wordt gemaakt. Ik merk in dit verband nog het volgende op.

22. Kennisneming van de formulieren zoals die zich bij de stukken bevinden, leert het volgende. Op het aanvraagformulier bijstand staat het volgende te lezen.

"Als u dit formulier komt inleveren moet u alle bewijsstukken meenemen. Bij iedere vraag is aangeven wat als bewijsstuk kan dienen."

Ook op het Formulier periodiek heronderzoek van 5 februari 2001 en het Formulier rechtmatigheidsonderzoek Abw van 7 augustus 2002 komt deze toelichting voor. In het licht daarvan kan de zin waarop het Hof zich in de bijzondere bewijsoverwegingen beroept (en die telkens onder de bewijsmiddelen is weergegeven) - namelijk: "Neem kentekenbewijs van auto en/of motor mee." - bezwaarlijk zo uitgelegd worden dat bij de beantwooding van de desbetreffende vraag ook de voertuigen moeten worden "meegenomen" die men niet in zijn bezit heeft. Die zin kan niet anders dan letterlijk gelezen worden, als een verplichting om bewijsstukken mee te nemen en te overleggen. Daarbij komt dat in de hiervoor genoemde formulieren bij de mededeling dat het kentekenbewijs moeten worden meegenomen tevens staat vermeld dat het aankoopbewijs van de auto en/of motor moet worden meegenomen.

23. In de al geciteerde toelichting op het formulier valt ook nog het volgende te lezen:

"Met nadruk wijzen we u op het volgende: Op grond van artikel 65 Abw dient u mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan u redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan u wordt betaald."

Het kan zijn dat de verdachte, door geen melding te maken van de op zijn naam staande voertuigen, in strijd heeft gehandeld met art. 65 Abw. Op dat mogelijke plichtsverzuim heeft echter niet het primair, maar het subsidiair tenlastegelegde - dat is toegesneden op de artt. 142 Abw (oud) en art. 227b Sr - betrekking.

24. De slotsom moet zijn dat onduidelijk is hoe het arrest van het Hof moet worden gelezen. Hoe men het arrest ook wendt of keert, een resultaat dat "begrijpelijk" genoemd kan worden, levert dat niet op. Het middel slaagt.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dat is net iets teveel gezegd: in cassatie kon alleen worden geoordeeld dat de reële mogelijkheid bestond dat de zus zich niet meer in de kamer bevond.

2 Zie de door het middel genoemde uitspraak van de CRvB van 20 mei 1997, JABW 1997, 118.

3 Corstens, 5e, p. 688.