Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU5790

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
13-12-2005
Zaaknummer
03583/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU5790
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in cassatie; geldigheid appèldagvaarding. De appèldagvaarding houdt in dat deze in persoon aan verdachte is uitgereikt. De handtekening op het in cassatie overgelegde identiteitsbewijs van verdachte komt overeen met de handtekeningen van verdachte op de akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding, de akte rechtsmiddel, de cassatieakte en de akte van uitreiking van de aanzegging in cassatie, maar niet met de handtekening van verdachte op de akte van uitreiking bij de appèldagvaarding. De HR acht aannemelijk dat de appèldagvaarding niet in persoon aan verdachte is uitgereikt. Verdachte wordt ontvangen in zijn cassatieberoep en het middel dat klaagt over de appèldagvaarding slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 728
RvdW 2006, 13
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03583/04

Mr. Knigge

Zitting: 1 november 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 21 augustus 2001 bij verstek wegens 1. "opzettelijk een handeling door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, belemmeren", 2. "wederspannigheid" en 3. "schuldheling" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de appèldagvaarding geldig is, aangezien deze niet aan de verdachte is betekend.

4. Ambtshalve en naar aanleiding van het middel vraag ik eerst aandacht voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

5. Aan het zich bij de stukken van het geding bevindende dubbel van de dagvaarding in hoger beroep - inhoudende de oproeping van de verdachte om op 7 augustus 2001 te verschijnen ter terechtzitting van het Hof - is gehecht de bijbehorende akte van uitreiking. Deze akte houdt in dat de appèldagvaarding op 21 juni 2001 op het (toenmalige) GBA-adres van de verdachte is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon. Voorts is deze akte onder "Handtekening voor ontvangst" voorzien van een handtekening.

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2001 is de verdachte aldaar niet verschenen (noch een raadsman) en is tegen hem verstek verleend. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is het cassatieberoep ingesteld op 23 november 2004.

7. Namens de verdachte is in cassatie gesteld dat de dagvaarding in hoger beroep niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat hij niet degene is geweest die de akte van uitreiking heeft ondertekend. Daartoe is een kopie van een ten name van de verdachte gesteld identiteitsbewijs met nummer [001] overgelegd. De op dit identiteitsbewijs geplaatste handtekening komt overeen met de handtekening die de verdachte op de aan het dubbel van de inleidende dagvaarding gehechte akte van uitreiking, op de appèlakte en op de cassatieakte heeft gezet, maar niet met de handtekening die voorkomt op de akte van uitreiking van de appèldagvaarding.(1)

8. Op grond van het voorgaande acht ik het aannemelijk dat de appèldagvaarding niet in persoon is uitgereikt aan de verdachte. Dit brengt mee dat deze dagvaarding niet geldig betekend is. Nu de verdachte niet op de terechtzitting van het Hof is verschenen, terwijl niet is gebleken dat zich een omstandigheid als bedoeld in art. 432, eerste lid aanhef en onder c, Sv heeft voorgedaan en evenmin blijkt dat de verdachte niet binnen veertien dagen nadat hij met de bestreden uitspraak bekend was geworden cassatieberoep heeft ingesteld, dient de verdachte te worden ontvangen in het cassatieberoep.

9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het Hof de appèldagvaarding ten onrechte geldig heeft geoordeeld.

10. Het middel is terecht voorgesteld.

11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens het proces-verbaal van politie heeft de verdachte - anders dan in de zaak die leidde tot HR 12 oktober 2004, NJ 2004, 644 - daaronder geen handtekening gezet.