Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU5654

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
C04/201HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU5654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ongeval tijdens paardrijles, aansprakelijkheid van de bezitter van het steigerend paard, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 753
RvdW 2006, 25
JWB 2005/457
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C04/201HR

Mr. Hartkamp

zitting 14 oktober 2005

Conclusie inzake

[eiser], h.o.d.n. Stal [M]

tegen

[verweerster]

Feiten en procesverloop

1) Voor de feiten die in cassatie van belang zijn, verwijs ik naar de conclusie (onder 1) voor het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2004 in de zaak met rolnummer C03/277HR, LJN AR3164 (vergelijk r.o. 1.1-1.9 van het vonnis van de rechtbank van 25 april 2002; ook het hof is blijkens r.o. 3 van zijn arrest van 16 maart 2004 van deze feiten uitgegaan). Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 juni 2003 met toepassing van art. 81 RO verworpen. In die procedure vorderde Zwolsche Algemeene Schadeverzekering NV, de ziektekostenverzekeraar van thans verweerster in cassatie, [verweerster], te verklaren voor recht dat Ruitercentrum Stal [M] v.o.f. en thans eiser tot cassatie, [eiser] (h.o.d.n. Stal [M]; hierna: [eiser]), aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval dat [verweerster] op 3 juni 1996 is overkomen, en voor alle ziektekosten die zij, op grond van de verzekeringsovereenkomst met [verweerster], heeft vergoed en nog zal dienen te vergoeden.

2) Bij exploot van 17 mei 2001 heeft [verweerster] [eiser] gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Arnhem. Zij heeft gevorderd, voorzover in cassatie van belang, [eiser] te veroordelen tot betaling aan haar het bedrag van alle door haar geleden schade en nog te lijden schade.

[Verweerster] heeft daartoe aangevoerd, kort weergegeven, primair dat [eiser] aansprakelijk is op grond van art. 6:179 jo. 6:162 BW. Subsidiair heeft zij een beroep gedaan op art. 6:179, 6:181 en 6:162 BW. Tertiair acht [verweerster] [eiser] aansprakelijk ingevolge art. 6:170 en 6:162 BW.

[Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3) Bij vonnis van 25 april 2002 heeft de rechtbank de vordering van [verweerster] toegewezen, in dier voege dat zij [eiser] heeft veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van de helft van alle in verband met het ongeval van 3 juni 1996 geleden en nog te lijden schade.

De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat noch aan [eiser] noch aan [verweerster] enig verwijt kan worden gemaakt van het ongeval, dat het ongeval van 3 juni 1996 is veroorzaakt door de onberekenbaarheid van het paard Jonker tengevolge van zijn eigen energie, dat zowel [eiser] als [verweerster] zich bewust waren van het risico dat in de eigen energie van het paard besloten ligt (r.o. 3.3), dat [eiser] op de voet van art. 6:179 BW als bezitter van Jonker in beginsel aansprakelijk is voor de door dit paard veroorzaakte schade, dat het ongeval zich zowel binnen de risicosfeer van [eiser] als binnen de risicosfeer van [verweerster] heeft voorgedaan, dat daarom [verweerster] ingevolge art. 6:101 BW de helft van de schade moet dragen en [eiser] aansprakelijk is voor de andere helft (r.o. 3.4) en dat er geen aanleiding bestaat om op grond van de billijkheid tot een andere verdeling te komen (r.o. 3.5).

4) [Eiser] is onder aanvoering van zeven grieven tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem.

[Verweerster] heeft incidenteel appel ingesteld onder formulering van drie grieven.

5) Bij arrest van 16 maart 2004 heeft het hof het vonnis bekrachtigd, zij het op andere gronden (vgl. r.o. 4.15). Voorzover in cassatie van belang, heeft het daaraan de volgende redenering ten grondslag gelegd:

"4.7 [Eiser] betoogt met zijn grief II dat hij niet ("risico-")aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 6:179 BW: volgens hem kan het steigeren van Jonker hem niet worden toegerekend, omdat [verweerster] dit potentieel gevaarlijke gedrag van een paard had moeten verwachten. Hierover oordeelt het hof als volgt.

[Eiser] bestrijdt niet dat hij het steigeren van Jonker, indien hij deze gedraging in zijn macht zou hebben gehad, niet zou hebben mogen toegelaten [lees: toelaten, ASH]. Vaststaat dat dit steigeren de oorzaak was van het ongeval en daarmee ook van de schade, waarvan [verweerster] in de onderhavige procedure vergoeding vordert. Op grond daarvan is [eiser], als "bezitter" van Jonker, in beginsel verplicht tot vergoeding van die schade. Het enkele feit dat [verweerster] wist dat paarden kunnen steigeren en dat ruiters daardoor letsel kunnen oplopen ontheft [eiser] niet van deze in beginsel bestaande vergoedingsplicht (zie HR 25 oktober 2002, RvdW 2002/172 "[...]/Amstelland").

Grief II is dus ongegrond.

4.8 Thans komt het hof toe aan de vraag in hoeverre de vergoedingsplicht van [eiser] wordt verminderd of opgeheven op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. Het gaat daarbij om de volgende omstandigheden:

i) [Eiser] stelt dat [verweerster] een fout heeft gemaakt door tijdens het steigeren, in strijd met de haar tijdens eerdere lessen gegeven instructies, de teugels niet los te laten, maar (zelfs) daaraan te trekken, waardoor zij het paard als het ware heeft omgetrokken;

ii) [Eiser] beroept zich op een tussen partijen overeengekomen uitsluiting van zijn aansprakelijkheid;

iii) [Eiser] stelt dat [verweerster] zich vrijwillig in een gevaarlijke situatie heeft begeven door te gaan paardrijden;

iv) Beide partijen stellen dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en/of andere omstandigheden van het geval eist dat de vergoedingsplicht van [eiser] geheel in stand blijft ([verweerster]) respectievelijk geheel vervalt ([eiser]).

4.9 (ad i) [Verweerster] weerspreekt dat zij tijdens het steigeren de teugels heeft vastgehouden. Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 1] en de verklaring die [betrokkene 2] tegen over de politie heeft afgelegd (productie 2 bij conclusie van antwoord) blijkt echter dat zij die teugels wel heeft vastgehouden. [Betrokkene 2] verklaart immers dit te hebben gezien. Ook [verweerster] zelf heeft tegenover de politie verklaard "nog heel even" de teugels te hebben vastgehouden. Dat zij als getuige anders heeft verklaard neemt niet weg dat het hof ervan uitgaat dat zij de teugels in elk geval nog even heeft vastgehouden. Dit kan haar naar het oordeel van het hof echter niet worden verweten. Volgens [deskundige 1 en 2] - zie het eerder reeds vermelde rapport, productie 2 bij conclusie van eis in eerste aanleg, onder "Het ongeval" en "Conclusie" - is het hangen aan de teugels een natuurlijke, intuïtieve reactie op het steigeren van het paard. Daarbij hebben zij blijkbaar, gelet op de vermelding daarin van de hiervoor reeds geschetste - en in zoverre onbestreden - paardrijervaring van [verweerster], rekening gehouden met die ervaring. Ook de getuige [betrokkene 1] - één van de andere deelnemers aan de les waarin het ongeval gebeurde - vraagt zich in zijn verklaring af of hij de hem gegeven instructie om in zo'n geval de teugels los te laten wel zou hebben opgevolgd. Uit een en ander maakt het hof op dat het geven van een dergelijke instructie niet altijd kan verhinderen dat een qua paardrijervaring met [verweerster] vergelijkbare ruiter onvoldoende weerstand kan bieden aan zijn/haar reflex om evenwicht te bewaren door aan de teugels te trekken of te hangen. Van een aan [verweerster] te maken verwijt is daarom geen sprake. Voor zover [eiser] in zijn grief III van een ander standpunt uitgaat, baseert hij dat op een verkeerde lezing van het deskundigenrapport - hierin wordt [verweerster] immers geen onvoorzichtigheid verweten - en stuit de grief af op het hier gegeven oordeel van het hof, evenals grief l voor zover hij daarmee beoogt om een andere mening ingang te doen vinden. Voorts is onjuist dat de rechtbank als vaststaand had moeten aanmerken dat [verweerster] tijdens het steigeren aan de teugels hing: [verweerster] heeft dit ook in eerste aanleg gemotiveerd bestreden. Grief 1 is dus ook in dit opzicht ongegrond.

4.10 (ad ii) [Verweerster] heeft een inschrijfformulier (productie 4 bij conclusie van antwoord) ondertekend, en daarmee ook een tekst waarmee [eiser] zich heeft willen vrijtekenen van aansprakelijkheid ter zake van schade, onder meer voor zover deze ontstaat "als gevolg van het volgen van lessen, buitenritten of andere activiteiten". [Verweerster] beroept zich in hoger beroep onder meer op de vernietigbaarheid van dit beding op grond dat het onredelijk bezwarend is.

Partijen zijn het er over eens dat het hier gaat om een beding als bedoeld in artikel 6:237 onder f BW (zie voor wat betreft [eiser] § 6.4.1 van de memorie van grieven). Volgens dat wetsartikel bestaat er dan ook een vermoeden dat het beding onredelijk bezwarend is. [Eiser] beoogt dit vermoeden te weerleggen, waartoe hij zich beroept op het feit dat gedragingen van paarden onvoorspelbaar zijn en dat de leerlingen ermee bekend zijn dat paardrijden niet ongevaarlijk is (mvg § 6.4.2).

Het hof acht [eiser] niet geslaagd in die weerlegging. Het enkele, ook bij de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden bekende bestaan van een kans op schade levert namelijk onvoldoende grond op om te billijken dat de wettelijke aansprakelijkheid van die gebruiker in het algemeen wordt uitgesloten of verminderd. Hier komt nog bij dat [eiser] tegen de onderhavige aansprakelijkheid is verzekerd. Dit betekent dat het hof de schade niet als een gevolg van [een, ASH] aan [verweerster] toe te rekenen omstandigheid zal beschouwen op grond van het - door [verweerster] vernietigde - beding. Dit maakt grief VI ongegrond.

4.11 (ad iii) Ook al kan het trekken aan de teugels tijdens het steigeren niet aan [verweerster] worden verweten, dit staat er niet aan in de weg dat op grond van de inhoud van het deskundigenrapport aangenomen moet worden dat dit een belangrijke oorzaak van het ongeval is. Nu het hof, zoals hiervoor overwogen, aangetoond acht dat [verweerster] tijdens het steigeren in elk geval "even" aan de teugels heeft getrokken moet dat in het licht van de inhoud van het deskundigenrapport worden aangemerkt als oorzaak van het feit dat Jonker niet op zijn voorbenen terecht is gekomen, maar achterover is gevallen. Het hof rekent deze oorzaak aan [verweerster] toe als een voor haar rekening komend risico. Grief IV is dus terecht voorgesteld. Hierbij komt de ook al door de rechtbank in aanmerking genomen schadeoorzaak, dat [verweerster] heeft deelgenomen aan paardrijlessen, terwijl zij wist - dit is immers algemeen bekend - dat aan het berijden van paarden gevaren zijn verbonden, in elk geval het gevaar dat de ruiter letsel oploopt door een val van het paard. Die twee aan [verweerster] toe te rekenen oorzaken afwegende tegen het onberekenbare gedrag van Jonker, waarvoor [eiser] aansprakelijk is, acht het hof, anders dan de rechtbank - die geen rekening hield met het trekken aan de teugels als één van de ongevalsoorzaken - [eiser]'s vergoedingsplicht op grond van de primaire verdelingsmaatstaf van artikel 6:101 lid 1 BW verminderd tot een kwart van de schade.

4.12 (ad iv) [Verweerster] wijst in het verband van haar beroep op de billijkheidscorrectie - dit betreft haar grief 2 - op de aard en de ernst en omvang van het haar als gevolg van het haar niet verwijtbare ongeval overkomen letsel en de daaruit verder voortvloeiende schade. Uit de als productie 1 bij eis in eerste aanleg overgelegde stukken blijkt aangaande dat letsel dat [verweerster] op 3 juni 1996 een dwarslaesie heeft opgelopen, sedertdien eerst in een ziekenhuis en daarna in de Sint Maartenskliniek verbleef, dat zij vervolgens van 3 december 1996 tot 28 augustus 1997 in een revalidatiecentrum verbleef en dat zij bij ontslag uit dat centrum voor de voortbeweging was aangewezen op het gebruik van een rolstoel. Daarnaast blijkt daaruit dat zij in januari 1997 gedeeltelijk aan het werk is gegaan, maar nog niet haar beroep (Caesar-oefentherapeute) kon uitoefenen omdat de daarvoor benodigde aangepaste werkplek er nog niet was. Het hof betrekt dit letsel in zijn oordeel en gaat ervan uit dat bij [verweerster] bij ontslag uit het revalidatiecentrum sprake was van een toestand die naar verwachting niet wezenlijk zou verbeteren, nu [eiser] niet heeft gesteld dat er destijds nog geen sprake was van een eindtoestand. Verder gaat het hof ervan uit dat zij pas enige tijd na augustus 1997 in staat was om haar beroep weer uit te oefenen. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel over het beroep op de billijkheidscorrectie dat [eiser], in tegenstelling tot [verweerster], een beroep kan doen op een verzekering en dat hij Jonker gebruikte in zijn bedrijfsvoering, waarin hij professioneel manegehouder was, die zijn inkomen verwierf uit onder meer het geven van paardrijlessen. Op grond van al deze omstandigheden en hetgeen overigens is gebleken ten aanzien van de ongevalstoedracht, zoals hiervoor overwogen, eist de billijkheid naar het oordeel van het hof dat [eiser]s vergoedingsplicht in stand blijft voor 50% van de schade, maar niet voor meer.

(...)

4.14 In het kader van grief V beroept ook [eiser] zich op de zogenaamde billijkheidscorrectie. Het hof verwerpt dit beroep echter, omdat het uitsluitend is gegrond op de hiervoor reeds verworpen stelling dat [verweerster] te verwijten valt dat zij tijdens het steigeren van Jonker aan diens teugels heeft getrokken."

6) [Eiser] is (tijdig) van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft hij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit drie onderdelen. [Verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Haar middel van cassatie bevat vier onderdelen. Beide partijen hebben geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben zij hun stellingen schriftelijk toegelicht.(1)

Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep

7) Onderdeel I keert zich blijkens het inleidende subonderdeel 1 tegen r.o. 4.7. Subonderdeel 2.1 komt met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen 's hofs overweging dat [eiser] niet bestrijdt dat hij het steigeren van Jonker, indien hij deze gedraging in zijn macht zou hebben gehad, niet zou hebben mogen toelaten. Het voert aan dat [eiser] dit niet behoefde te bestrijden nu hij het verweer heeft gevoerd dat het steigeren van Jonker, althans het niet hebben kunnen voorkomen daarvan, niet onrechtmatig is, aangezien een relatief ervaren amazone als [verweerster] met de aan haar paardrijhobby inherente mogelijkheid van steigeren van het paard en de daaruit voortvloeiende schade heeft rekening te houden. Daarnaast wijst het subonderdeel erop dat [eiser] heeft gesteld dat de schade van [verweerster] niet is veroorzaakt door het steigeren van Jonker, maar door het feit dat [verweerster] tijdens het steigeren, in strijd met de haar gegeven instructies, aan de teugels heeft getrokken in plaats van deze los te laten (de 'teugelfout').

8) Subonderdeel 2.1 strekt kennelijk ten betoge dat [eiser] niet hoefde te betwisten dat hij het steigeren van Jonker niet zou hebben mogen toelaten indien hij die gedraging van het paard in zijn macht zou hebben gehad, omdat het door hem gevoerde verweer - dat kort gezegd een beroep op risico-aanvaarding door [verweerster] inhoudt - reeds meebrengt dat aansprakelijkheid zijnerzijds op grond van afdeling 6.3.1 BW zou hebben ontbroken in de zin van de tenzij-formule van art. 6:179 BW. Daarbij gaat het subonderdeel ervan uit dat dit verweer door het hof is aanvaard. Dat is echter niet het geval, zoals blijkt uit de voorlaatste zin van r.o. 4.7 waarin het hof, onder verwijzing naar HR 25 oktober 2002, RvdW 2002, 172 (thans NJ 2004, 556 m.nt. JH) inzake [...]/Nieuw Amstelland, heeft geoordeeld dat het enkele feit dat [verweerster] wist dat paarden kunnen steigeren en dat ruiters daardoor letsel kunnen oplopen, [eiser] nog niet ontheft van zijn (als bezitter van Jonker) uit art. 6:179 BW voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding. Uit 's hofs oordeel in de vierde zin van r.o. 4.7 volgt dat het hof evenmin [eiser]s stelling heeft aanvaard dat de schade van [verweerster] niet is veroorzaakt door het steigeren van Jonker, maar door het feit dat [verweerster] aan de teugels heeft getrokken. Deze oordelen geven naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoeven ook geen nadere motivering (zie tevens hierna onder 10). Subonderdeel 2.1 faalt derhalve.

9) Volgens subonderdeel 2.2 heeft het hof verzuimd om voldoende kenbaar en gemotiveerd te responderen op het door

[eiser] gevoerde betoog/verweer dat de schade van [verweerster] niet is veroorzaakt door het uit diens eigen energie voortvloeiende, onberekenbare schrikken en steigeren van Jonker, maar juist door de teugelfout van [verweerster]. Daarnaast behelst het subonderdeel de klacht dat 's hofs oordeel onjuist is of onvoldoende is gemotiveerd. Het stelt daartoe dat [verweerster] weliswaar door het steigeren van Jonker ten val is gekomen, maar dat deze val als zodanig haar geen dwarslaesie-schade heeft berokkend. Die schade is pas ontstaan toen Jonker, als gevolg van [verweerster]' teugelfout, achterover is geslagen en op haar terecht is gekomen.

10) De eerste klacht van het subonderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers geoordeeld dat vaststaat dat het steigeren van Jonker de oorzaak was van het ongeval en daarmee ook van de schade, waarvan [verweerster] vergoeding vordert (r.o. 4.7). Vervolgens heeft het hof (in het kader van art. 6:101 BW) geoordeeld dat op grond van het deskundigenrapport moet worden aangenomen dat het trekken aan de teugels door [verweerster] een belangrijke oorzaak van het ongeval is, dat dat trekken in het licht van de inhoud van het deskundigenrapport moet worden aangemerkt als oorzaak van het feit dat Jonker niet op zijn voorbenen terecht is gekomen, maar achterover is gevallen, en dat het het trekken aan de teugels als één van de ongevalsoorzaken beschouwt (r.o. 4.11). Uit dit (overwegend feitelijke) oordeel volgt naar mijn mening dat het hof [eiser]s betoog/verweer dat [verweerster]' schade alleen een gevolg is van haar teugelfout, onder ogen heeft gezien en voldoende kenbaar en gemotiveerd heeft verworpen.

In dit oordeel ligt m.i. tevens besloten dat naar 's hofs opvatting in het onderhavige geval geen strikt onderscheid valt te maken tussen de oorzaak van het ongeval enerzijds en de oorzaak van de schade anderzijds, noch tussen het steigeren enerzijds en het trekken aan de teugels anderzijds als oorzaak van het ongeval c.q. de schade. Dit oordeel, dat feitelijk van aard is, is niet onjuist of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij moet worden bedacht dat zonder het steigeren van Jonker de schade niet zou zijn ontstaan, en dat volgens het deskundigenrapport, door het hof aangehaald in r.o. 4.9 van zijn arrest, het hangen aan de teugels (door [verweerster]) een natuurlijke, intuïtieve reactie (een reflex) op het steigeren van het paard is. Ook de tweede klacht van subonderdeel 2.2 mist derhalve doel.

11) Subonderdeel 2.3 bouwt voort op subonderdeel 2.2 (tweede klacht) en moet aldus het lot daarvan delen.

12) Subonderdeel 2.4 keert zich tegen 's hofs oordeel dat het enkele feit dat [verweerster] wist dat paarden kunnen steigeren en dat ruiters daardoor letsel kunnen oplopen, [eiser] (als bezitter van Jonker) niet van de uit art. 6:179 BW voortvloeiende schadevergoedingsverplichting ontheft (onder verwijzing naar HR 25 oktober 2002, RvdW 2002, 172, thans NJ 2004, 556 m.nt. JH ([...]/Nieuw Amstelland)). In de eerste plaats betrekt het subonderdeel het standpunt dat deze overweging onjuist of niet voldoende gemotiveerd is, waar 1) reeds uit de aard van de overeenkomst en/of de verkeersopvattingen kan voortvloeien dat de dier-bezitter niet aansprakelijk is jegens zijn door het dier gelaedeerde contractuele wederpartij (onder verwijzing naar HR 27 april 2001, NJ 2002, 54 ([...]/[...]) en Parl. Gesch. Boek 6, p. 765), en 2) [eiser] heeft betoogd dat in de aard van de lesovereenkomst met [verweerster] besloten ligt dat [verweerster] het risico van het paardrijgevaar jegens [eiser] heeft aanvaard. In de tweede plaats zou de overweging onjuist of onvoldoende zijn gemotiveerd aangezien [eiser] zich niet alleen heeft beroepen op risico-aanvaarding door [verweerster] maar ook op de in het kader van de regel uit het arrest van 25 oktober 2002 relevante 1) aard en inhoud van de overeenkomst resp. 2) de aan [verweerster] toe te rekenen 'teugelfout'.

13) De eerste klacht van subonderdeel 2.4 faalt, enerzijds reeds omdat de uit het arrest van 27 april 2001 afgeleide regel niet zonder meer van overeenkomstige toepassing kan worden geacht in de onderhavige zaak (vgl. de noot van Hijma onder het arrest van 25 oktober 2002 (onder 8)) en [eiser] ook niet heeft betoogd dat dit in casu zou moeten worden aangenomen, anderzijds omdat - voorzover al in [eiser]s stellingen een beroep op de aard van de paardrijlesovereenkomst kan worden gelezen - de aard van een paardrijlesovereenkomst blijkens het arrest van 25 oktober 2002 behoort te worden (mee)gewogen bij de toepassing van art. 6:101 BW. Op dit laatste stuit ook de tweede klacht van subonderdeel 2.4 af.

14) Onderdeel II komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen r.o. 4.9 van 's hofs arrest. Met het oog op de toepassing van art. 6:101 BW heeft het hof in r.o. 4.9 gereageerd op [eiser]s stelling dat [verweerster] een fout heeft gemaakt door tijdens het steigeren, in strijd met de haar tijdens eerdere lessen gegeven instructies, de teugels niet los te laten, maar daaraan te trekken, waardoor zij het paard als het ware heeft omgetrokken (zie r.o. 4.8). Het hof heeft in r.o. 4.9 geoordeeld dat [verweerster] (tijdens het steigeren van Jonker) de teugels in elk geval nog even heeft vastgehouden, maar dat dit haar niet kan worden verweten. Het hof heeft vervolgens gewezen op het eerdergenoemde deskundigenrapport waarin het hangen aan de teugels een natuurlijke, intuïtieve reactie op het steigeren van het paard wordt genoemd, waarbij volgens het hof blijkbaar rekening is gehouden met [verweerster]' paardrijervaring, alsmede op de verklaring van getuige [betrokkene 1] waarin die zich afvraagt of hij de ook hem gegeven instructie wel zou hebben opgevolgd. Uit dit alles heeft het hof tenslotte opgemaakt dat het geven van de bedoelde instructie niet altijd kan verhinderen dat een qua paardrijervaring met [verweerster] vergelijkbare ruiter onvoldoende weerstand kan bieden aan zijn/haar reflex om evenwicht te bewaren door aan de teugels te trekken of te hangen, en dat daarom van een aan [verweerster] te maken verwijt geen sprake is.

15) Anders dan subonderdeel 2.1 - subonderdeel 1 bevat alleen een inleiding - betoogt, ben ik van mening dat dit (onder 14 weergegeven) oordeel niet een onjuiste of ontoereikende gemotiveerde respons vormt op de door [eiser] betrokken 'instructie-stelling'. Daarbij moet worden bedacht dat 's hofs oordeel nauw samenhangt met waarderingen van feitelijke aard en als zodanig in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst, en dat het hof niet is gehouden op elke stelling (uitdrukkelijk) in te gaan. De in subonderdeel 2.2 genoemde omstandigheden maken dat niet anders. Beide subonderdelen missen derhalve doel.

16) Aan het slot van r.o. 4.9 heeft het hof geoordeeld dat onjuist is dat, zoals [eiser] met grief I heeft betoogd, de rechtbank als vaststaand had moeten aanmerken dat [verweerster] tijdens het steigeren aan de teugels hing, nu [verweerster] dit (ook) in eerste aanleg gemotiveerd heeft bestreden. In het licht van 's hofs aanname dat [verweerster] de teugels nog even heeft vastgehouden, voert subonderdeel 2.3 tegen dit oordeel aan dat het een onderscheid impliceert tussen enerzijds het nog even vasthouden en anderzijds het hangen aan de teugels. Daarmee zou het hof hebben miskend dat dit onderscheid, gelet op het deskundigenrapport, irrelevant is. Doorslaggevend zou alleen zijn dat [verweerster] de teugels niet conform de haar gegeven instructie heeft losgelaten.

Wat er ook zij van 's hofs oordeel, het subonderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Immers, ook als juist is dat het hof het bedoelde onderscheid op het oog heeft gehad, en dat alleen het niet loslaten relevant is, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof het even vasthouden van de teugels als een (weliswaar niet verwijtbare, maar niettemin) belangrijke oorzaak van het ongeval heeft aangemerkt, die het aan [verweerster] heeft toegerekend als een voor haar komend risico, hetgeen het hof ertoe heeft gebracht [eiser]s vergoedingsplicht op grond van de primaire verdelingsmaatstaf van art. 6:101 lid 1 BW tot een kwart van de schade te verminderen (r.o. 4.11).

17) Onderdeel III is blijkens het inleidende subonderdeel 2.1 gericht tegen r.o. 4.10 waarin het hof heeft overwogen dat [eiser] het vermoeden als bedoeld in art. 6:237 aanhef en onder f BW, dat het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van de lesovereenkomst met [verweerster] onredelijk bezwarend is, heeft beoogd te weerleggen, waartoe hij zich heeft beroepen op het feit dat gedragingen van paarden onvoorspelbaar zijn en dat de leerlingen ermee bekend zijn dat paardrijden niet ongevaarlijk is. Het hof heeft [eiser] niet geslaagd geacht in die weerlegging, omdat het enkele, ook bij de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden bekende bestaan van een kans op schade onvoldoende grond oplevert om te billijken dat de wettelijke aansprakelijkheid van die gebruiker in het algemeen wordt uitgesloten of verminderd. Subonderdeel 2.1 betoogt dat dit oordeel impliceert dat een manegehouder zich in de regel jegens een benadeelde leerling/klant, nadat die een beroep heeft gedaan op art. 6:237 aanhef en onder f BW, niet meer zou kunnen beroepen op een uitdrukkelijk bedongen exoneratie in de met die relatief ervaren klant gesloten lesovereenkomst. Dit oordeel zou rechtens onjuist zijn in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002 ([...]/Nieuw Amstelland).

18) De gevolgtrekking die het subonderdeel aan het oordeel van het hof verbindt, is naar mijn mening niet gerechtvaardigd. Het hof heeft immers niet meer geoordeeld dan dat [eiser], op wie ingevolge art. 6:237 aanhef en onder f BW de stelplicht en bewijslast rust dat het exoneratiebeding niet onredelijk bezwarend is, door alleen een beroep te doen op de bekendheid bij [verweerster] met de (aan paardrijden verbonden) kans op schade, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om het wettelijk vermoeden van art. 6:237 aanhef en onder f BW weg te nemen. Het subonderdeel kan derhalve bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

19) Subonderdeel 2.2 stelt m.i. terecht voorop dat uit 's hofs oordeel volgt dat het tevens heeft geoordeeld dat het exoneratiebeding door [verweerster] is vernietigd en dus onredelijk bezwarend is. Volgens het subonderdeel is dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. Het stelt daartoe dat [eiser] in dit kader heeft aangevoerd dat blijkens de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie reeds in de aard van een lesovereenkomst als met [verweerster] besloten kan liggen dat - en volgens hem in casu ook besloten ligt - dat de leerling het risico van het paardrij-gevaar aanvaardt. Uit het arrest van 25 oktober 2002 zou blijken dat deze stelling in zoverre juist is, dat zij een gedeeltelijke beperking van de aansprakelijkheid rechtvaardigt, hetgeen een duidelijke aanwijzing vormt dat een uitdrukkelijke, verdergaande aansprakelijkheidsbeperking niet als onredelijk bezwarend is aan te merken.

20) Voorzover het subonderdeel beoogt te betogen dat aan de zijde van [verweerster] sprake is van risico-aanvaarding, gaat het eraan voorbij dat naar Nederlands vermogensrecht risico-aanvaarding als zodanig geen erkende rechtsfiguur is (zie bijv. HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 m.nt. CJHB (Dekker/Van der Heide) en voorts, met verdere verwijzingen, Asser-Hartkamp 4-I (2004), nrs. 454 e.v.).

In het arrest van 25 oktober 2002 heeft de Hoge Raad overwogen dat indien een paard door de eigenaar (met het oog op het huidige recht: de bezitter) aan een berijder ter beschikking is gesteld in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles en waar ervan moet worden uitgegaan dat noch aan de benadeelde noch aan de eigenaar enige onzorgvuldigheid te verwijten is, uit aard en strekking van de overeenkomst in de regel zal voortvloeien dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet blijven; het is echter afhankelijk van de inhoud en de verdere omstandigheden van het geval in hoeverre de vergoedingsplicht van de eigenaar dan moet worden verminderd door de schade over beide partijen te verdelen (r.o. 3.5). Dat deze overweging een (duidelijke) aanwijzing oplevert dat een exoneratiebeding als het onderhavige niet als onredelijk bezwarend is aan te merken, kan ik niet inzien.

Het subonderdeel, dat overigens bovendien nog lijkt voort te borduren op het hierboven reeds verworpen onderdeel I, mist dus doel.

21) Subonderdeel 2.3 bouwt voort op de subonderdelen 2.1 en 2.2 en moet derhalve het lot daarvan delen.

22) Voor subonderdeel 2.4 geldt hetzelfde.

23) Subonderdeel 2.5 ziet eraan voorbij dat 's hofs overweging dat [eiser] tegen de onderhavige aansprakelijkheid is verzekerd, niet de enige (en ook niet de zelfstandig dragende) redengeving is voor het hof om [eiser] zijn beroep op het exoneratiebeding te ontzeggen. Het faalt derhalve bij gebrek aan belang.

24) Onderdeel IV keert zich tegen de wijze waarop het hof in r.o. 4.11, 4.12 en 4.14 toepassing heeft gegeven aan art. 6:101 lid 1 BW, zoals blijkt uit het inleidende subonderdeel 1 (en de inleidende alinea onder 2).

Bij de bespreking van dit onderdeel dient voorop te worden gesteld dat aan rechterlijke beslissingen die betrekking hebben op de causaliteitsafweging of de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW - zoals dus de genoemde rechtsoverwegingen van het hof - slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld aangezien deze beslissingen immers grotendeels op intuïtief inzicht van de (feiten)rechter berusten. Zie HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214 m.nt. CJHB, r.o. 3.7.4 ([...]/[...]) en HR 24 september 2004, RvdW 2004, 110, r.o. 3.6 ([...]/[...]), alsmede de jurisprudentie aangehaald in de conclusie (onder 17) voor dit arrest. Echter, of een bepaalde omstandigheid voor toerekening in aanmerking komt en volgens welke maatstaven deze toerekening geschiedt, is in beginsel een rechtsvraag. In elk geval zal uit de uitspraak van de rechter moeten blijken dat hij de door art. 6:101 BW geëiste causaliteitsafweging heeft onderscheiden van de toepassing van de billijkheidscorrectie, en dat hij bij de causaliteitsafweging geen omstandigheden relevant heeft geacht die daarin niet thuishoren. Zie Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 452a.

25) Het hof heeft in r.o. 4.12 overwogen dat [eiser] het paard Jonker gebruikte in zijn bedrijfsvoering, waarin hij professioneel manegehouder was, die zijn inkomen verwierf uit onder meer het geven van paardrijlessen. Subonderdeel 2.1 noemt het als billijkheidsfactor ten nadele van [eiser] aanmerken van diens broodwinning bezwaarlijk, omdat het houden van een manege volstrekt honorabel is en [verweerster] dit als zodanig heeft aanvaard toen zij de lesovereenkomst sloot.

Het subonderdeel kan reeds niet tot cassatie leiden omdat het feitelijke grondslag ontbeert. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat [eiser]s broodwinning niet honorabel is, maar het heeft willen aangeven dat in casu sprake is van een commerciële verhouding en niet van een vriendendienst, welk onderscheid het (terecht) van belang heeft geacht bij de toepassing van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW.

26) Subonderdeel 2.2 stuit af op het hierboven onder 10 overwogene.

27) Voorzover subonderdeel 2.3 voortbouwt op (de klachten van) onderdeel II, moet het daarom het lot daarvan delen. Voorzover het erover klaagt dat het hof heeft verzuimd in de billijkheidscorrectie te betrekken dat (ook) aan de zijde van [eiser] van generlei verwijtbare handelwijze is gebleken, faalt het omdat het eraan voorbijziet dat het hof in r.o. 4.6 heeft geoordeeld dat [verweerster]' stellingen, dat het ongeval aan [eiser] valt te verwijten, niet vaststaan, en omdat het hof in r.o. 4.12 heeft overwogen dat op grond van al deze (d.w.z. in r.o. 4.12 genoemde) omstandigheden en hetgeen overigens is gebleken ten aanzien van de ongevalstoedracht (zoals in r.o. 4.6) de billijkheid eist dat [eiser]s vergoedingsplicht in stand blijft voor 50% van de schade.

28) Subonderdeel 2.4 faalt op dezelfde grond als subonderdeel 2.5 van onderdeel III (zie hierboven onder 23).

Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep

29) Blijkens onderdeel 1, dat alleen een inleiding bevat, komen de onderdelen 2-4 van het incidentele cassatieberoep met rechts- en motiveringsklachten op tegen de wijze waarop het hof in r.o. 4.11 art. 6:101 BW heeft toegepast.

Hetgeen hierboven onder 24 is vooropgesteld, is mutatis mutandis ook op de beoordeling van deze onderdelen van toepassing.

30) Volgens onderdeel 2 is 's hofs oordeel onjuist voorzover het het causaliteitscriterium en het toerekeningscriterium met elkaar heeft vereenzelvigd, althans die criteria onvoldoende heeft onderscheiden, omdat de vraag of de gedraging aan de benadeelde kan worden toegerekend niet een causaliteitsvraag is. Voorzover het hof dit niet heeft miskend, zou zijn oordeel niet begrijpelijk of voldoende gemotiveerd zijn, nu niet terstond valt in te zien waarom het trekken aan de teugels zonder meer aan [verweerster] moet worden toegerekend.

Ingevolge art. 6:101 lid 1 BW wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Uit deze zogenoemde primaire verdelingsmaatstaf (de hoofdregel), die het hof in r.o. 4.11 uitdrukkelijk op het oog heeft gehad, volgt niet dat afzonderlijk (door een rechter) dient te worden vastgesteld enerzijds de causaliteit en anderzijds de toerekening. Inzoverre vindt het onderdeel geen steun in het recht en faalt het. 's Hofs oordeel dat het het trekken aan de teugels door [verweerster] tijdens het steigeren aan haar heeft toegerekend als een voor haar rekening komend risico, is naar mijn mening niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

31) Onderdeel 3 stelt dat voor de vraag of een omstandigheid in het kader van de toepassing van art. 6:101 lid 1 BW aan de benadeelde kan worden toegerekend, bepalend is of de benadeelde zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. In de schriftelijke toelichting (onder 41) wordt hiervoor verwezen naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 351. Het hof zou dit hebben miskend en zou dus een verkeerd toerekeningscriterium hebben gehanteerd. Voorzover het hof dit niet heeft miskend, zou zijn oordeel onbegrijpelijk zijn, omdat dat niet is te rijmen met zijn vaststelling in r.o. 4.9 dat het trekken aan de teugels door [verweerster] een natuurlijke, intuïtieve reactie was op het steigeren van het paard, met andere woorden dat [verweerster] zich niet anders heeft gedragen dan een redelijk ruiter in dezelfde omstandigheden.

Het onderdeel doet het ten onrechte voorkomen alsof alleen dan sprake is van eigen schuld indien de benadeelde zich anders heeft gedragen dan een redelijke persoon in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan. Ook wanneer de schade een gevolg is van een omstandigheid die voor risico van de benadeelde komt, kan die hem worden toegerekend. Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 351; HR 27 april 2001, NJ 2002, 54 m.nt. CJHB ([...]/[...]); Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 450. Aldus heeft het hof geoordeeld in r.o. 4.11 met betrekking tot de gedraging van [verweerster]. Dit oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel mist dus doel.

32) Onderdeel 4 betoogt dat 's hofs oordeel dat het trekken aan de teugels als een voor haar rekening komend risico aan [verweerster] moet worden toegerekend, in die zin onjuist is dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat art. 6:179 BW een risico-aansprakelijkheid in het leven roept. Hieruit zou voortvloeien dat voor een matiging op grond van eigen schuld slechts in uitzonderlijke gevallen plaats kan zijn, zoals bij evidente onvoorzichtigheid of bewuste roekeloosheid, althans dat matiging slechts met terughoudendheid kan plaatsvinden. In de schriftelijke toelichting (onder 43) wordt voor deze opvatting verwezen naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 765. Het toerekenen van een omstandigheid aan een benadeelde als een voor zijn rekening komend risico, zou niet stroken met dit door de wetgever gekozen stelsel van risico-aansprakelijkheid. Het hof zou daarom ofwel een verkeerd toerekeningscriterium hebben gehanteerd, ofwel een ontoereikend gemotiveerd oordeel hebben gegeven.

Wat betreft het toerekeningscriterium faalt dit onderdeel omdat het geen steun vindt in het recht. Uit Parl. Gesch. Boek 6, p. 765, valt (eerder) af te leiden dat het bepaalde in art. 6:101 BW op het terrein van de aansprakelijkheid voor dieren 'gewoon' van toepassing is; vervolgens wordt t.a.p. een aantal voorbeelden gegeven, waaronder het geval dat de door het dier aangerichte schade mede is te wijten aan onvoorzichtigheid of roekeloosheid van de benadeelde (maar meer dan een voorbeeld is dit niet). 's Hofs oordeel is naar mijn mening ook niet onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In zijn s.t. (onder 5 en 7) stelt [eiser] dat het cassatiemiddel in de onderhavige zaak nagenoeg identiek is aan dat in de zaak met rolnummer C03/277HR en dat is volstaan met het aanhechten als bijlage van de s.t. in die zaak aan de s.t. in de onderhavige zaak.