Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU5285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
09-12-2005
Zaaknummer
R05/091HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU5285
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Echtscheiding; verweer op grond van godsdienstige overtuiging dat het huwelijk onontbindbaar is (art. 10 Grw., art. 8 EVRM en art. 17 IVBPR); 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 717
JWB 2005/429
JPF 2006/7
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R05/091HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 25 okt. 2005

conclusie inzake

[de vrouw]

tegen

[de man]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure, hierna: de vrouw en de man, zijn op 6 augustus 1964 in de gemeente Amsterdam met elkaar gehuwd.

2. Tussen partijen is eerder een echtscheidingsprocedure gevoerd die is geëindigd met een beschikking van de Hoge Raad van 27 juni 2003 (R02/078HR, JOL 2003, 351). Bij deze beschikking verwierp de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO het door de vrouw ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 15 augustus 2002, waarbij het hof de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 15 augustus 2000, waarbij op verzoek van de man - onder meer - tussen partijen de echtscheiding was uitgesproken, bekrachtigde. Bij brief van 4 juni 2004 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam de man bericht dat het Register Amsterdam op 2 juni 2004 zijn verzoek tot inschrijving van de echtscheiding heeft ontvangen en dat dit verzoek wegens overschrijding van de inschrijvingstermijn niet is gehonoreerd.

3. Daarop heeft de man zich op 10 juni 2004 andermaal tot de rechtbank Alkmaar gewend met een verzoekschrift strekkende tot - onder meer - het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen.

4. Bij beschikking van 7 oktober 2004 heeft de rechtbank - onder meer - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

5. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij beschikking van 21 april 2005 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

6. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

7. Het middel keert zich met een rechtsklacht tegen de verwerping door het hof van het door de vrouw tegen de verzochte echtscheiding gevoerde verweer op grond van haar godsdienstige overtuiging, welke meebrengt dat het huwelijk onontbindbaar is. De vrouw voerde in dit verband aan dat het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen inbreuk maakt op de door art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR en art. 10 Grondwet gegarandeerde bescherming van het privé- en gezinsleven van de vrouw, alsmede op de door art. 9 EVRM en art. 18 IVBPR gegarandeerde vrijheid van godsdienst van de vrouw.

8. Het hof heeft met betrekking tot genoemd verweer van de vrouw onder meer overwogen (r.o. 4.5):

"Het beroep dat de vrouw in dit verband doet op artikel 8 EVRM faalt. Het artikel sluit een echtscheiding immers niet uit. Artikel 17 IVBPR en artikel 10 GW bieden geen verdergaande bescherming dan artikel 8 EVRM. (...).

Het beroep op artikel 9 EVRM en artikel 18 IVBPR faalt. Voorzover een wettelijke mogelijkheid tot ontbinding van het burgerrechtelijk huwelijk door echtscheiding al gezien kan worden als een inbreuk op de vrijheid van godsdienst van de echtgenoot die zich op grond van godsdienstige opvattingen met echtscheiding niet kan verenigen, wordt deze beperking toegestaan door het tweede lid van artikel 9 EVRM en het derde lid van artikel 18 IVBPR. Het gaat immers om een wettelijke beperking die gerechtvaardigd is door de bescherming van rechten en vrijheden van anderen."

9. Het middel acht onjuist het oordeel van het hof dat de beperking op de vrijheid van godsdienst van de echtgenoot die zich op grond van godsdienstige overtuiging met echtscheiding niet kan verenigen wordt toegestaan door het tweede lid van art. 9 EVRM en het derde lid van art. 18 IVBPR omdat het hier een wettelijke beperking zou betreffen die gerechtvaardigd wordt door de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Volgens het middel brengt het hof, door eenzijdig de rechten en vrijheden van een ander te wegen, beide partijen in een positie die onverenigbaar is met de leerstellingen van het kerkgenootschap waarvan zij deel uitmaken. Voorts heeft het hof, door lichtvaardig de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, miskend dat aldus inbreuk geschiedt op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw waarvan eerbiediging wordt gegarandeerd in art. 10 Grondwet en artikel 8 lid 1 EVRM, zo betoogt het middel.

10. Het middel faalt. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Bij deze stand van zaken is juist het oordeel van het hof dat de geloofsovertuiging van de vrouw niet in weg staat aan het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen. Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541. Zie ook HR 21 januari 2005, JOL 2005, 26 (art. 81 RO) en HR 25 maart 2005, JOL 2005, 178 (art. 81 RO). Evenzeer juist is het oordeel van het hof dat de vrouw in haar door art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR en art. 10 Gw gegarandeerde recht op bescherming van het privé- en gezinsleven, noch in haar door art. 9 EVRM en art. 18 IVPBR beschermde vrijheid van godsdienst door het uitspreken van de echtscheiding wordt tekort gedaan. Vgl. de reeds genoemde, in de eerder door partijen gevoerde echtscheidingsprocedure door de Hoge Raad gegeven beschikking van 27 juni 2003, JOL 2003, 351 (art. 81 RO) en de conclusie voor deze beschikking onder 12 t/m 14.

11. Het door de vrouw in de onderhavige zaak voorgestelde cassatiemiddel heeft naar de kern genomen dezelfde strekking als het door de vrouw aangevoerde cassatiemiddel in de eerder door partijen gevoerde echtscheidingsprocedure. Het moet de vrouw uit de beslissing van de Hoge Raad op het toen ingestelde cassatieberoep duidelijk zijn geworden dat het thans voorgestelde cassatiemiddel geen kans van slagen heeft. Het onderhavige cassatieberoep moet derhalve geacht worden tegen beter weten in door de vrouw te zijn ingesteld. Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging om met gebruikmaking van de door art. 429 lid 3 Rv geboden vrijheid de vrouw in de kosten van het geding in cassatie te veroordelen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden