Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU4793

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
C05/131HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU4793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil over de rechtmatigheid van de plaatsing van een gedetineerde op een door de minister van Justitie gehanteerde lijst van vlucht- en gemeengevaarlijke gedetineerden bij de beoordeling van de plaats waar voorlopige hechtenis en gevangenisstraf worden geëxecuteerd, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 764
RvdW 2006, 31
JWB 2005/454
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C05/131HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 21 oktober 2005 (bij vervroeging: kort geding)

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie)

Deze zaak heeft betrekking op de rechtmatigheid van de plaatsing van een gedetineerde op een lijst van vlucht- en gemeengevaarlijke gedetineerden.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die in rov. 1.2 - 1.8 van het bestreden arrest zijn vastgesteld:

1.1.1. Eiser tot cassatie is op 31 mei 2001 aangehouden door een arrestatieteam en is sedertdien van zijn vrijheid beroofd. Bij onherroepelijk geworden arrest van 26 mei 2003 is hij door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaar wegens handel in c.q. export van heroïne en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie.

1.1.2. Op 17 september 2001 is door de Duitse autoriteiten om zijn uitlevering gevraagd in verband met verdenking van betrokkenheid bij een schietpartij.

1.1.3. Eiser heeft van juli 2001 tot april 2002 op lijst II van de zogenaamde VGG-lijsten (vlucht- en gemeengevaarlijke gedetineerden) gestaan. Deze lijsten worden door de minister van Justitie gehanteerd bij de beoordeling van de plaats waar voorlopige hechtenis en gevangenisstraf worden geëxecuteerd. Lijst II heeft betrekking op gedetineerden met een hoog risico voor vlucht- en/of gemeengevaarlijkheid.

1.1.4. Eiser is met ingang van april 2002 tot 3 oktober 2003 opgenomen op lijst I, zijnde de lijst voor gedetineerden met een extreem hoog risico voor vlucht- en/of gemeengevaarlijkheid. Hij is met ingang van 3 oktober 2003 wederom op lijst II geplaatst. Op 14 april 2004 is besloten de plaatsing op lijst II met zes maanden te verlengen, mitsdien tot oktober 2004. Sinds 1 november 2004 komt eisers naam niet meer voor op (één van) de VGG-lijsten.

1.1.5. Op 21 mei 2002 is eiser geplaatst in de Extra Beveiligde Inrichting (hierna ook: EBI) te Vught. Het beroep van eiser tegen de beslissing tot zijn plaatsing in de EBI is bij uitspraak van 4 september 2002 van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 73 lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) op een formele grond (de selectiebeslissing dateerde van enkele dagen na de feitelijke plaatsing) gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.

1.1.6. Bij beschikking van 12 september 2002 van de raadkamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage is het verzoek van eiser tot overplaatsing vanuit de EBI naar een ander huis van bewaring toegewezen op grond van persoonlijke omstandigheden. Bij beschikking van 18 september 2002 heeft de raadkamer de vordering van de advocaat-generaal bij het hof om eiser terug te plaatsen in de EBI te Vught afgewezen. Op 19 september 2002 is eiser overgeplaatst naar de Penitentiaire Inrichting te Zoetermeer en op 26 september 2002 naar de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn.

1.1.7. Op 27 september 2002 is jegens eiser een ordemaatregel van uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten genomen, welke maatregel nadien is verlengd. De door eiser hiertegen gerichte klachten heeft de Commissie van Toezicht van de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn bij uitspraak van 2 december 2002 gegrond verklaard, omdat - kort gezegd - er te weinig concrete en actuele informatie was om te oordelen dat eiser in de periode vanaf 26 september 2002 als zeer vluchtgevaarlijk moet worden aangemerkt.

1.1.8. Eiser heeft sedertdien nog in diverse Penitentiaire Inrichtingen verbleven. Ten tijde van het vonnis van de rechtbank was hij geselecteerd voor het beperkte regime van de (normaal beveiligde) Penitentiaire Inrichting Overmaze te Maastricht alwaar hij toen verbleef. Het bezwaar en beroep van eiser tegen deze selectie zijn ongegrond verklaard. Ten tijde van het bestreden arrest verbleef hij in de Penitentiaire Inrichting te Leeuwarden.

1.2. Bij inleidende dagvaarding in kort geding van 26 september 2003 heeft eiser de Staat gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage. Eiser heeft - na eiswijziging - gevorderd dat bij vonnis wordt bepaald (primair) dat de Staat hem van de VGG-lijsten I en II haalt en (subsidiair) dat de Staat hem in elk geval van lijst I haalt. Daarnaast heeft eiser gevorderd, dat zal worden bepaald dat de Staat aan hem kenbaar moet maken welke bronnen en/of personen te kennen hebben gegeven dat eiser voornemens zou zijn te vluchten.

1.3. Nadat de Staat verweer had gevoerd, heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 22 oktober 2003 de vorderingen afgewezen, met veroordeling van eiser in de kosten. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat eiser sinds 3 oktober 2003 niet meer op lijst I staat, zodat over de vordering tot het weghalen van eiser van die lijst geen beslissing meer behoeft te worden genomen (rov. 3.1 Rb.). Voor wat betreft de vraag of de Staat onrechtmatig of onzorgvuldig jegens eiser handelt door hem op lijst II te laten staan, was de voorzieningenrechter van oordeel dat binnen het (in rov. 3.2 beschreven) juridisch kader van de regeling de beslissing tot voortzetting van de plaatsing op de lijst slechts marginaal door de rechter kan worden getoetst. Op grond van de informatie die in 2001-2002 ter beschikking stond voor het bepalen van het risicoprofiel van eiser, kon de Staat in redelijkheid tot het besluit komen dat eiser op de VGG-lijsten geplaatst moest worden (rov. 3.3 Rb.). Voor wat betreft de nevenvordering tot het bekendmaken van de informanten, overwoog de voorzieningenrechter dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van die bronnen prevaleert boven het belang van eiser bij het bekendmaken daarvan (rov. 3.4 Rb.).

1.4. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 17 februari 2005 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

1.5. Eiser heeft - tijdig(1) - cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna eiser heeft gerepliceerd.

2. Inleidende opmerkingen

2.1. In dit geding staan de VGG-lijsten centraal(2). Met de inwerkingtreding per 1 januari 1999 van de Penitentiaire beginselenwet(3) is een nieuw systeem ingevoerd van bestemmingsbepaling van penitentiaire inrichtingen (zie hoofdstuk III, artt. 8-14) en selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (zie hoofdstuk IV, artt. 15-18).

2.2. Ingevolge het bepaalde in art. 13 Pbw worden penitentiaire inrichtingen of afdelingen daarvan onderscheiden naar de mate van beveiliging, uiteenlopend van `zeer beperkt beveiligd' tot `extra beveiligd'. De minister stelt criteria vast waaraan gedetineerden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor plaatsing in een inrichting of afdeling. Verder bepaalt art. 15 Pbw in lid 3 dat door de minister als zodanig aangewezen selectiefunctionarissen zijn belast met de plaatsing van gedetineerden en in lid 6 dat de minister nadere regels stelt omtrent de procedure.

2.3. Nadere regels zijn neergelegd in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden(4) (RSPOG). Blijkens deze regeling speelt bij de selectie van gedetineerden voor een bepaalde inrichting en een bepaald regime, een combinatie van factoren een rol. Het beveiligingscriterium geldt hierbij als zeer belangrijk. Aan de toelichting op de regeling is het volgende ontleend: "De mate van beveiliging die past bij het (risico)profiel van een gedetineerde is bepalend voor de verdere indicatie in welk regime en in welke inrichting of op welke afdeling de gedetineerde geplaatst wordt"(5). Zo is de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bestemd voor gedetineerden die vallen binnen de hoogste categorie van vluchtrisico en/of maatschappelijk risico(6). Op grond van art. 6 RSPOG komen voor plaatsing in een EBI in aanmerking gedetineerden die:

a) een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, of

b) bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is(7).

2.4. Een belangrijk hulpmiddel bij de plaatsing is het zogenaamde `risicoprofiel', dat de selectiefunctionaris op grond van art. 22 lid 1 RSPOG ten behoeve van de eerste selectie van een gedetineerde vaststelt. Het profiel behelst een aanduiding van het vluchtrisico én van het maatschappelijk risico. De gedetineerde wordt zoveel mogelijk geplaatst in een inrichting of afdeling die bij zijn risicoprofiel past(8). Bij het opstellen van het risicoprofiel wordt ingevolge art. 22 lid 2 RSPOG gelet op de kenmerken en achtergronden van het delict waarvan de gedetineerde wordt verdacht of waarvoor hij is veroordeeld, op de gegevens over een eventuele eerdere detentie in binnen- of buitenland en op overige beschikbare informatie, waaronder de bevindingen van het meldpunt GRIP(9).

2.5. Bij het bepalen van het vluchtrisico zijn belangrijke indicatoren: eerdere ontvluchtingen en ontvluchtingspogingen met gebruik van geweld of de dreiging daartoe; het perspectief van uitlevering in combinatie met door de gedetineerde getoonde weerstand daartegen en de opgelegde of te verwachten gevangenisstraf in het land waaraan zal worden uitgeleverd; de lengte van het strafrestant in binnen- en/of buitenland; informatie of tips van externe instanties inzake een te verwachten ontvluchtings- of bevrijdingspoging, die door het meldpunt GRIP is/zijn geverifieerd op betrouwbaarheid en actualiteit. Bij de bepaling van het maatschappelijk risico vormt het delict de doorslaggevende factor. Hier zijn indicatoren: de ernst, aard en politieke of maatschappelijke gevoeligheid van het delict, vooral met het oog op slachtoffers van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en misdrijven op grond van de Opiumwet in binnen- en/of buitenland; de achtergrond van de verdenking of de veroordeling; de mogelijkheid van wraakacties door de gedetineerde c.q. het ingeschatte risico van recidive(10).

2.6. Bij de selectie wordt ook gebruik gemaakt van de lijsten van vlucht- en gemeengevaarlijke gedetineerden. Over deze VGG-lijsten kan het volgende worden opgemerkt(11). Voor plaatsing op deze lijsten komen in aanmerking gedetineerden met een verhoogd tot extreem vluchtrisico en een onaanvaardbaar risico in termen van recidivegevaar voor ernstige delicten alsmede gedetineerden met een onaanvaardbaar maatschappelijk risico waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is. Gedetineerden op deze lijsten kunnen in detentieverzwarende omstandigheden terechtkomen, bijv. plaatsing in een EBI, beperkende maatregelen en het ontbreken van mogelijkheden tot verlof en strafonderbreking. De beslissing tot plaatsing op een van de lijsten wordt, na adviezen van de afdeling Individuele Zaken en van het meldpunt GRIP, genomen door het Hoofd van de afdeling Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Periodiek wordt beoordeeld of er nog gronden zijn om de desbetreffende gedetineerde op de lijst geplaatst te houden. Gedetineerden op lijst I worden in beginsel na een jaar doorgeplaatst naar lijst II, waarop zij in beginsel nog een half jaar blijven staan. Gedetineerden die uitsluitend op lijst II zijn geplaatst worden in beginsel na een jaar van die lijst verwijderd.

2.7. Gegevens die leiden tot plaatsing op de VGG-lijsten dienen volgens dit procedurevoorschrift te voldoen aan de zgn. ABC-formule (actueel, betrouwbaar, concreet). Zij kunnen `harde' informatie als achtergrond hebben (bijv. feitelijke gegevens over recidive, eerdere ontvluchtingen, gevonden voorwerpen op cel, gedragingen tijdens huidige en eerdere detentie) of `zachte' informatie (bijv. inlichtingen vanuit het criminele circuit die via de politie worden doorgegeven of inlichtingen afkomstig uit de penitentiaire inrichting)(12). De precieze inhoud van `zachte' informatie zal doorgaans geheim moeten blijven in het belang van de bescherming van de bron. `Zachte' informatie wordt altijd getoetst door het meldpunt GRIP en, indien zij niet openbaar gemaakt mag worden, tevens door een officier van justitie van het Landelijk Parket. Hoewel de minister van Justitie erkent dat `zachte' informatie voor de gedetineerde niet goed te controleren is, biedt de procedure volgens de minister voldoende waarborgen(13).

2.8. Tegen beslissingen aangaande (over-)plaatsing van een gedetineerde kan op grond van art. 17 Pbw bij de selectiefunctionaris bezwaar worden gemaakt en vervolgens op grond van art. 72 e.v. Pbw bij een beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming beroep worden ingesteld. Indien het gaat om plaatsing in de EBI kan de bezwaarprocedure worden overgeslagen, nu de betrokkene bij die beslissing al door de selectiefunctionaris is gehoord en zijn bezwaren kenbaar heeft kunnen maken(14). De Algemene wet bestuursrecht is op deze procedures niet van toepassing (art. 1:6 Awb).

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1. Middel I keert zich met twee klachten tegen rov. 3.2, waarin het hof tot de slotsom komt dat de plaatsing van eiser op lijst I van de VGG-lijsten reeds werd gerechtvaardigd door `harde' informatie, waaruit viel op te maken dat eiser in geval van ontvluchting een zeer hoog onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormde. Daarbij komt, dat eiser over vluchten heeft gesproken.

3.2. Bij wijze van prealabel verweer heeft de Staat aangevoerd dat eiser geen belang heeft bij de middelen I en II, omdat eiser nu niet meer voorkomt op (een van) de VGG-lijsten; een eventuele procedure na verwijzing zou niet tot een voor eiser gunstiger resultaat kunnen leiden(15). Dit voorafgaande verweer gaat niet op. Het belang van eiser bij dit cassatieberoep is reeds gelegen in het bestrijden van zijn veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. In dat kader is van belang, of het hof het vonnis van de voorzieningenrechter op juiste gronden heeft bekrachtigd(16).

3.3. Een tweede voorafgaand verweer van de Staat houdt in dat het door eiser gestelde belang bij zijn vordering tot zijn verwijdering van de lijsten (kort gezegd: het belang dat plaatsing in de EBI en andere beperkende maatregelen achterwege zullen blijven) de toewijzing van deze vordering niet kan dragen, omdat voor eiser een bezwaar- en/of beroepsmogelijkheid openstaat telkens wanneer een besluit genomen is tot zijn plaatsing in de EBI of tot een andere, hem betreffende beperkende maatregel. Dit verweer, in eerste en tweede aanleg niet gevoerd, behoeft geen bespreking wanneer de cassatiemiddelen falen, zoals hierna door mij zal worden betoogd.

3.4. Het middel klaagt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd uit het oog heeft verloren: nu de Staat en eiser beiden in de procedure hebben aangegeven dat zowel `zachte' als `harde' informatie heeft geleid tot de plaatsing van eiser op lijst I, zou het hof onvoldoende lijdelijk zijn geweest door een zelfstandige interpretatie te geven van de wijze waarop de informatie moet worden gekwalificeerd (`hard' of `zacht'). Ter toelichting wordt aangevoerd dat de Staat in eerste aanleg had gesteld dat de plaatsing het gevolg was van een "combinatie van factoren, te weten ingekomen ambtsberichten en bijzondere voorvallen tijdens de detentie" en in hoger beroep heeft doen opmerken dat zowel de zachte als de harde informatie de plaatsing op lijst I kon dragen.

3.5. Deze klacht treft geen doel. De Staat heeft bij pleidooi in eerste aanleg de volgende redenen genoemd voor de plaatsing van eiser op de VGG-lijsten:

"3.5. (...) Eiser is op 31 mei 2001 aangehouden door een arrestatieteam, waarbij werd vastgesteld dat hij op dat moment een doorgeladen vuurwapen bij zich droeg. Hetzelfde gold voor twee andere personen met wie hij in de auto werd aangetroffen: zijn vriendin had een doorgeladen pistool bij zich en een derde persoon had twee vuurwapens voorhanden, waarvan één met een geluiddemper. Jegens eiser bestond de verdenking dat hij veel internationale contacten in de verdovende middelenhandel had. Hij werd vermoed een belangrijke schakel in diverse organisaties te zijn, die in staat was om het transport van grote partijen heroïne te organiseren. Bij zijn aanhouding was eiser in het bezit van valse papieren. Op grond van deze feiten en omstandigheden is eiser bij aanvang van diens detentie op lijst II geplaatst.

3.6. Eiser is in april 2002 op lijst I geplaatst. Die plaatsing was het gevolg van een combinatie van factoren, te weten ingekomen ambtsberichten en bijzondere voorvallen tijdens de detentie van eiser. Van het meldpunt GRIP werd op 10 april 2002 nadere informatie ontvangen over de persoon van eiser en over het ten aanzien van hem aan te nemen vluchtgevaar (...). Zo was bekend geworden dat hij door de Belgische en Duitse autoriteiten werd gezocht, door de eerste in verband met de invoer van verdovende middelen en voor betrokkenheid bij een schietpartij waarbij een man in de buik werd geschoten, door de tweede in verband met een schietpartij in 1999, waarbij eveneens een man (meermalen) in de buik was geschoten. In het rapport werd bovendien aannemelijk gevonden (zulks met een verwijzing naar zijn belangrijke positie in de organisatie van drugstransporten) dat er pogingen zouden worden gedaan om eiser te bevrijden.

Daarnaast had eiser bij zijn intake op of omstreeks 12 april 2002 in de PI Torentijd te Middelburg aangegeven dat het niet moeilijk zou zijn om uit die inrichting te ontsnappen en dat hij het geld en de mogelijkheden had om binnen een maand weg te zijn.

(...)

Tijdens een bezoek van zijn vriendin in die inrichting in dezelfde maand werd opgevangen dat eiser fluisterde over een ontvluchting naar Italië zodra zich een gelegenheid zou voordoen.

Kort voordien was eiser vanuit PI Haaglanden, locatie Zoetermeer, overgeplaatst naar de Landelijke Afzonderings Afdeling te Vught, omdat in zijn cel een gsm-telefoon was aangetroffen (productie 4). Bij een medegedetineerde was de voor die telefoon geschikte oplader/adapter aangetroffen.

Ten slotte heeft te gelden dat eiser in april 2002 in diens strafzaak in eerste aanleg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaren heeft horen eisen en dat aan hem toen mededeling is gedaan van het Duitse uitleveringsverzoek. Dat zijn omstandigheden die geacht worden een aangenomen vlucht- en gemeengevaar te kunnen verhogen."

Verder heeft de Staat gewezen op GRIP-informatie, waarvan de strekking was dat eiser in de EBI in hongerstaking was gegaan met het doel te worden overgeplaatst naar een ziekenhuis en dat tijdens het transport naar het ziekenhuis, of gedurende het verblijf aldaar, een poging zou worden ondernomen hem te bevrijden(17). De Staat heeft voorts gewezen op incidenten in de Penitentiaire Inrichting te Zoetermeer, op spanningen in de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn en op een melding die aanwijzingen bevatte over een voorgenomen ontsnapping waarbij eiser betrokken was(18).

3.6. In hoger beroep heeft de Staat deze stellingen herhaald en voorts gesteld dat "onjuist is het oordeel van [eiser] dat zijn plaatsing op de VGG-lijsten (in overwegende mate) gebaseerd is geweest op zachte informatie die niet voldeed aan de zogenaamde ABC-formule"(19).

3.7. Hieruit volgt onmiskenbaar dat de Staat een samenstel van gegevens heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de plaatsing van eiser op lijst I, zonder dat de Staat deze specifiek heeft onderscheiden in `zachte' of `harde' informatie. De Staat heeft uitdrukkelijk gesteld dat "zowel de zachte als de harde informatie (...) de plaatsing op lijst I [kon] dragen". Het hof is niet buiten de rechtsstrijd getreden door zijn oordeel, dat de plaatsing op lijst I reeds werd gerechtvaardigd door `harde' informatie, wat er zij van de vraag of ook de`zachte' informatie toereikend zou zijn geweest. De plaatsing op lijst II, die volgde op de plaatsing op lijst I, is volgens de Staat de consequentie van vast beleid om gedetineerden die op lijst I hebben gestaan trapsgewijs naar een lager beveiligingsniveau te brengen en daartoe op lijst II te plaatsen, voordat zij uit de VGG-lijsten worden geschrapt. De klacht faalt.

3.8. De tweede klacht van middel I houdt in, dat eiser in hoger beroep in grief 1 heeft aangegeven welke informatie hij als `zacht' beschouwde. Ofschoon de Staat die kwalificatie van eiser niet had tegengesproken, heeft het hof alle door de Staat aangevoerde punten onder de noemer van `harde informatie' gebracht. In het bijzonder wordt geklaagd dat het hof hiermee voorbij is gegaan aan het feit dat eiser ten tijde van de plaatsing op lijst I niet werd vervolgd voor het lidmaatschap van een criminele organisatie, noch voor het leiding geven aan zodanige organisatie; het middel verwijt het hof de initiële verdenking te hebben overgenomen als ware het `harde' informatie.

3.9. Anders dan het middel beweert, heeft het hof niet alle door de Staat genoemde informatie (zie alinea 3.5) aangemerkt als `harde' informatie; dit geldt ook de inlichtingen uit gesprekken, waarop eiser in de memorie van grieven (blz. 3-4) doelde. Het is niet in strijd met enige rechtsregel noch onbegrijpelijk dat het hof mede betekenis heeft toegekend aan het feit dat eiser ervan werd verdacht een belangrijke schakel te zijn in internationale organisaties voor de handel in verdovende middelen. Daaraan doet niet af dat eiser voor die feiten niet is vervolgd(20).

3.10. Middel II klaagt dat het hof miskent dat de Staat de plaatsing van eiser op lijst I uitsluitend heeft gerechtvaardigd met het vluchtgevaar. In het middel is kennelijk bedoeld dat de Staat de plaatsing op de VGG-lijsten niet heeft gebaseerd op het criterium van "gedetineerden die bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is" (art. 6 onder b RSPOG), doch slechts op het criterium van "gedetineerden die een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten" (art. 6 onder a RSPOG). Volgens het middel is het hof onvoldoende lijdelijk geweest door te oordelen dat (het voortduren van) de plaatsing op lijst I gerechtvaardigd was, hoewel er geen sprake meer was van vluchtgevaar.

3.11. Het middel mist m.i. feitelijke grondslag. Anders dan het middel veronderstelt, heeft de Staat zich niet beperkt tot het vluchtrisico. De Staat heeft in de feitelijke instanties aangevoerd dat het maatschappelijk risico, in de zin van maatschappelijke onrust bij ontvluchting van eiser, zelfstandig reden is geweest voor de plaatsing van eiser op de VGG-lijsten(21).

3.12. Voorts herhaalt middel II de stelling dat alle aspecten die tot de vorming van het risicoprofiel van eiser hebben geleid, al aan de orde zijn geweest in de procedures bij de raadkamer van het gerechtshof en bij de Commissie van Toezicht van de P.I. te Alphen aan de Rijn (zie hiervoor alinea 1.1.6 en 1.1.7). Nu al tweemaal een toetsing heeft plaatsgevonden van (tenminste een belangrijk onderdeel van) het totale risicoprofiel, heeft het hof niet voldoende gemotiveerd waarom het hof toch van oordeel is dat het risicoprofiel onverkort in stand kon blijven.

3.13. Het hof heeft in rov. 3.3 uitdrukkelijk de beslissingen van de raadkamer van het hof en van de Commissie van Toezicht in zijn beschouwing betrokken. Het hof heeft gemotiveerd waarom het tot een eigen, gedeeltelijk afwijkende afweging is gekomen. Zo heeft het hof ter verklaring van zijn beslissing opgemerkt dat in de procedure bij de raadkamer weliswaar het vluchtgevaar is besproken, maar de criteria om op lijst I te worden geplaatst niet aan de orde zijn geweest. In het bijzonder is toen niets gezegd over het onaanvaardbare maatschappelijke risico dat een ontvluchting van eiser zou vormen. Ook in de beslissing van de Commissie van Toezicht kwam volgens het hof de plaatsing op de VGG-lijst niet aan de orde, noch het bovenbedoelde onaanvaardbare maatschappelijke risico. Op deze wijze is de bestreden beslissing naar behoren met redenen omkleed.

3.14. Middel III heeft betrekking op het voortduren van de plaatsing op de lijsten. In rov. 5 heeft het hof grief 3 verworpen. Die grief had betrekking op de afwijzing van de nevenvordering, strekkende tot het bekend maken van de informatiebronnen. Het middel signaleert de overweging dat de Staat eiser "op grond van harde informatie op de VGG-lijst I en op VGG-lijst II heeft geplaatst en geplaatst gehouden". De klacht houdt nu in dat, wat er zij van de initiële beslissing tot plaatsing op lijst I, in elk geval het voortduren van de plaatsing op de VGG-lijsten (het "geplaatst gehouden" in rov. 5) slechts berustte op `zachte' informatie, namelijk op de meldingen vanuit de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn. Volgens het middel is het hof ook in dit opzicht onvoldoende lijdelijk geweest, althans is de beslissing op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

3.15. De klacht treft geen doel. De Staat heeft in de feitelijke instanties aangevoerd dat het zijn vast beleid is, dat een gedetineerde die op lijst I is geplaatst gedurende een jaar op die lijst blijft staan; daarna wordt hij niet meteen van de VGG-lijsten geschrapt maar vindt een trapsgewijze afbouw plaats, in die zin dat de betrokkene voor een periode van zes maanden op lijst II wordt gezet. De Staat heeft dit beleid verklaard met het argument dat in de schaarse gevallen waarin een gedetineerde als extreem vlucht- en/of gemeengevaarlijk is beoordeeld, in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat die kwalificatie reeds na het verloop van enkele maanden zijn grond verloren heeft. Dit wordt niet anders wanneer geen nieuwe, voor de betrokkene belastende, informatie is ontvangen of indien zich geen nieuwe voorvallen in de inrichting hebben voorgedaan die deze status bevestigen: het regime binnen een EBI laat immers geen gelegenheid voor vlucht- of gemeengevaarlijk gedrag(22). De gedingstukken bieden geen steun voor de veronderstelling waarop middel III berust, namelijk dat de voortgezette plaatsing van eiser op de VGG-lijsten uitsluitend is gebaseerd op `zachte' informatie. Ook de overgelegde producties (de inlichtingen afkomstig uit de P.I. te Alphen aan den Rijn) bieden geen steun voor deze veronderstelling. Om dezelfde reden faalt de subsidiaire motiveringsklacht.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De cassatietermijn in kort geding bedraagt op grond van art. 339 lid 2 jo. 402 lid 2 Rv acht weken.

2 Zie de s.t. van de Staat, blz. 3-4. Zie ook: G. de Jonge e.a. (red.), Bajesboek, 1999, par. 1.2. Penitentiaire inrichtingen: hun bestemmingen en regimes, blz. 39-90; G. de Jonge, Plaatsing en overplaatsing van preventief gehechten. Rechterlijk bevel of bestuurlijke beslissing?, Sancties 2000, blz. 169-175; M. Boone, Differentiatie en selectie onder de Penitentiaire Beginselenwet, in: M. Boone en G. de Jonge (red.), De Penitentiaire Beginselenwet in werking, 2001, blz. 1-33; M. Boone, Twee jaar (commissie) plaatsing en overplaatsing onder de PBW, Sancties 2002, blz. 7-20; C. Kelk, Nederlands detentierecht, 2003, blz. 73-85 en 319-323 en Handboek Strafzaken, nrs. 60.1 - 60.3 (M.F.M. de Groot).

3 Wet van 18 juni 1998, Stb. 1998, 430.

4 Regeling van 15 augustus 2000, nr. 5042803/00/DJI, Stcrt. 176, blz. 9; gewijzigd bij Regeling van 20 september 2001, Stcrt. 186, blz. 15 en van 6 september 2004, Stcrt. 175, blz. 15.

5 RSPOG, toelichting onder 1.1.

6 RSPOG, toelichting op artikel 6.

7 In art. 1 onder c RSPOG is het maatschappelijk risico omschreven als het risico in termen van maatschappelijke onrust. De beslissing tot plaatsing in een EBI is met extra waarborgen omgeven: zie de artt. 23-26 RSPOG.

8 Art. 22 lid 4 RSPOG.

9 De afkorting staat voor: Gedetineerden Recherche Informatie Punt van de dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten (zie art. 1 onder h RSPOG).

10 RSPOG, toelichting op artikel 22.

11 De hierna volgende informatie is ontleend aan de procedure Plaatsing op lijsten Vlucht- en Gemeengevaarlijke Gedetineerden (VGG), versie 15-1-2002, in eerste aanleg overgelegd als prod. 1 van de Staat.

12 Zie over deze `harde' en `zachte' informatie ook: Circulaire 5172795/02/DJI, blz. 4 en het Reglement Politieregister GRIP, Stcrt. 2002, 117, blz. 9, toelichting, onder 3.

13 Zie de brief van de minister van Justitie van 29 december 1999, TK 1999/2000, 26 800 VI, nr. 51, blz. 7.

14 Art. 17 lid 5 Pbw in verbinding met art. 26 onder b RSPOG.

15 S.t. namens de Staat onder 2.6 - 2.8. Vgl: pleitnotities namens de Staat in appel, blz. 1.

16 Vgl.: HR 16 december 1988, NJ 1989, 363 m.nt. WHH; HR 10 september 2004, NJ 2005, 51 m.nt. JBMV (rov. 3.4) en HR 15 april 2005, JOL 2005, 228 (rov. 3.3).

17 Zie de pleitnota van 10 oktober 2003, onder 3.8.

18 Zie de pleitnota van 10 oktober 2003, onder 3.9.

19 Zie de pleitnota van 10 januari 2005, onder 4.

20 Zie ook blz. 3-4 MvA: de achtergrond van de verdenking is, blijkens de toelichting op art. 22 RSPOG, een belangrijk gezichtspunt. Zie ook de overgelegde Procedure Plaatsing op VGG-lijsten, blz. 2.

21 Pleitnota zijdens de Staat d.d. 10 oktober 2003, onder 3.7 en 4.2. Vgl. de MvA, blz. 4 en 6.

22 Zie de pleitnota zijdens de Staat in eerste aanleg onder 4.4 en 4.5, herhaald in de pleitnota in hoger beroep onder 5.