Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU4615

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
C05/044HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU4615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geldlening; geschil over het bestaan van de lening, resp. de terugbetaling, onbegrijpelijke uitleg van stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 763
RvdW 2006, 30
JWB 2005/462
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/044HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 14 okt. 2005

conclusie inzake

[eiser]

tegen

[verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij exploit van 4 mei 2004 heeft thans eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) thans verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) gedagvaard voor de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk (hierna: de kantonrechter) en gevorderd dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Euro 1.100,- met rente en kosten.

2. Ten grondslag aan zijn vordering heeft [eiser] gelegd dat [verweerster] in augustus 2003 van hem een tweetal bedragen heeft geleend, te weten een bedrag van Euro 500,- en een bedrag van Euro 1.000,-, welke bedragen zijn opgenomen van de rekening van de vader van [eiser], waarop [eiser] is gemachtigd. Van de geleende bedragen heeft [verweerster] door overmaking in december 2003 slechts Euro 400,- terugbetaald, zodat nog een bedrag van Euro 1.100,- openstaat, aldus [eiser].

3. [Verweerster] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser]. In zijn eindvonnis van 15 september 2004 heeft de kantonrechter - in r.o. 1.3 - dit verweer als volgt weergegeven:

"[Verweerster] voert aan dat zij inderdaad ooit geld heeft geleend van [eiser]. Dat geld is echter al geruime tijd geleden terugbetaald. Uit de in het geding gebrachte bankafschriften van de rekening van de vader van [eiser], blijkt niet dat de opgenomen bedragen ter geldlening aan [verweerster] zijn verstrekt. Het zijn twee normale opnamen. [Eiser] heeft geen bewijzen van de geldlening overgelegd."

4. Nadat de kantonrechter bij tussenvonnis van 9 juni 2004 een comparitie van partijen had gelast, welke comparitie heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2004, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 15 september 2004 de vordering van [eiser] afgewezen. Daartoe overwoog de kantonrechter (r.o. 2):

"Naar dezerzijds oordeel is niet in voldoende mate komen vast te staan dat de van de rekening van de vader van [eiser] opgenomen bedragen ad Euro 500,00 en Euro 1.000,00 door [eiser] ter geldlening aan [verweerster] zijn verstrekt. De bankafschriften wijzen slechts op een geldopname van de betreffende rekening. Nergens blijkt uit dat die bedragen ter geldlening aan [verweerster] zijn verstrekt. Ter zitting is daarnaast aangevoerd dat er niet meer bewijsstukken zijn. Het bewijsaanbod van de zijde van [eiser] is onvoldoende concreet, zodat thans de vordering moet worden afgewezen."

5. [Eiser] is tegen het eindvonnis van de kantonrechter (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

6. Het middel klaagt erover dat de kantonrechter zijn vonnis onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, waardoor het vonnis niet de gronden inhoudt waarop het berust. Deze algemene klacht wordt in drie deelklachten uitgewerkt.

7. In de eerste plaats klaagt het middel dat de kantonrechter, voor zover deze - in r.o. 1.3 - tot uitdrukking heeft willen brengen dat [verweerster] heeft betwist dat zij geld heeft geleend van [eiser], een onbegrijpelijke uitleg aan het verweer van [verweerster] heeft gegeven. Volgens het middel laten de processtukken zijdens [verweerster] geen andere uitleg toe dan dat [verweerster] niet heeft betwist dat zij geld heeft geleend van [eiser].

8. De klacht is gegrond. [Verweerster] heeft in haar conclusie van antwoord o.m. aangevoerd:

"Inderdaad hebben wij ooit geld geleend van [eiser]. Wat [eiser] niet meld in al deze stukken is het feit dat naast de betaling die hij via de bank heeft mogen ontvangen hij het resterende bedrag via de reguliere post heeft ontvangen (...)";

en voorts:

"Voor wat betreft de afschriften. Het betreft hier twee keer een 'gewone' opnamen. Uit niets blijkt dat dat de bedragen zijn die [eiser] aan ons heeft betaald. Zoals ik eerder al heb vermeld, wij hebben inderdaad ooit geld geleend van [eiser] maar dat is allang en ruimschoots terug betaald."

In het licht van deze stellingen van [verweerster] is zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet begrijpelijk dat de kantonrechter (kennelijk) heeft geoordeeld dat [verweerster] heeft betwist dat zij (in augustus 2003) geld van [eiser] heeft geleend. Voor zover de kantonrechter de stellingen van [verweerster] aldus heeft uitgelegd dat [verweerster] erkent in het verleden geld van [eiser] heeft geleend (welke lening is afgelost), maar dat zij ontkent in augustus 2003 (opnieuw) geld van [eiser] te hebben geleend, valt deze uitleg niet te rijmen met de stelling van [verweerster] dat [eiser] heeft nagelaten te melden "dat naast de betaling die hij via de bank heeft mogen ontvangen hij het resterende bedrag via de reguliere post heeft ontvangen". Deze stelling, die klaarblijkelijk een reactie inhoudt op de stelling van [eiser] dat [verweerster] door overmaking in december 2003 slechts Euro 400,- heeft terugbetaald, kan alleen maar betrekking hebben op de lening van augustus 2003.

9. In de tweede plaats klaagt het middel dat onbegrijpelijk is het (kennelijk) oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat bedragen door [eiser] ter geldlening aan [verweerster] zijn verstrekt.

10. Ook deze klacht treft doel. Nu de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat [verweerster] heeft erkend (in augustus 2003) geld van [eiser] te hebben geleend, is zonder motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat door [eiser] bedragen ter geldlening aan [verweerster] zijn verstrekt. De vervolgklacht dat het oordeel van de kantonrechter ook onbegrijpelijk is voor zover dat oordeel aldus moet worden begrepen dat voor het bestaan van de geldleningsovereenkomst beslissend is of deze al dan niet is ontstaan door de opname van Euro 500,- en Euro 1.000,- van de rekening de vader van [eiser], faalt evenwel. Zij mist feitelijke grondslag. De kantonrechter heeft niet geoordeeld dat voor het bestaan van de geldleningsovereenkomst beslissend is of deze al dan niet is ontstaan door de opname van Euro 500,- en Euro 1.000,- van de rekening de vader van [eiser], doch heeft - uitgaande van zijn oordeel dat het bestaan van de geldlening door [verweerster] is betwist - slechts een oordeel gegeven over de bewijskracht van de door [eiser] overgelegde bankafschriften en geoordeeld dat deze bankafschriften niet als bewijs van de door [eiser] gestelde geldlening kunnen gelden, nu uit die bankafschriften slechts blijkt dat de geldopnamen hebben plaatsgevonden, maar niet dat de opgenomen bedragen ook door [eiser] ter geldlening aan [verweerster] zijn verstrekt.

11. In de derde plaats klaagt het middel dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is het oordeel van de kantonrechter dat het door [eiser] gedane bewijsaanbod onvoldoende concreet is.

12. Ook deze klacht komt mij gegrond voor. [eiser] heeft bewijs aangeboden door middel van het horen van getuigen (inleidende dagvaarding onder 17 en 18). Hij heeft vier getuigen met name genoemd en aangegeven dat deze getuigen kunnen verklaren "over de geldlening". Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure zich bevindt (zie HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 nt. DA). Het onderhavige bewijsaanbod is door [eiser] gedaan bij de inleidende dagvaarding, zodat een vergaande specificatie van het bewijsaanbod niet kan worden gevraagd (vgl. V. van den Brink, NbBW 2004, blz. 131). Waar bovendien in deze niet zeer gecompliceerde zaak partijen slechts verdeeld houdt de vraag of [eiser] [verweerster] geld heeft geleend en, zo ja, of [verweerster] het gehele bedrag aan uitgeleende gelden heeft terugbetaald, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom de kantonrechter het door [eiser] gedane bewijsaanbod als onvoldoende concreet heeft aangemerkt.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden