Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU4097

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
02537/05 B en nr. 02538/05 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU4097
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift ex art. 510 Sv. De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het OM om – in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een redelijke verdenking van een strafbaar feit is gerezen – al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid hetzij die ambtenaar (voorwaardelijk) niet te vervolgen, hetzij hem de gelegenheid te bieden strafvervolging te voorkomen door voldoening aan daartoe ex art. 74 Sr gestelde voorwaarden. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in lid 1 genoemde gevallen het OM dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen in het geval dat naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het OM bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (HR NJ 2005, 144).

Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat het OM dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, steeds bevoegd is een dergelijk verzoek in te dienen, bijvoorbeeld indien het zich nog geen oordeel heeft gevormd over de vraag of een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 588
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02537/05 B en 02538/05 B

Mr. Fokkens

Zitting 4 oktober 2005

Conclusie inzake

[betrokkene 1]

[betrokkene 2]

1. Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie te 's-Gravenhage met het verzoek op de voet van art. 510 Sv de Rechtbank te Arnhem aan te wijzen voor de vervolging en berechting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden thans Advocaat-Generaal te 's-Gravenhage.

2. Het verzoekschrift volgt op een aangifte namens [KB] door mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, en mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, welke erop berust dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich zouden hebben schuldig gemaakt aan de misdrijven omschreven in art. 285a Sr en art. 361 Sr.

3. Alvorens de aangifte weer te geven en tot een beoordeling van het verzoekschrift te komen, merk ik op dat de aangifte betrekking heeft op wat inmiddels de Schiedammer parkmoord wordt genoemd. Het betreft zakelijk samengevat de verkrachting van en de gekwalificeerde doodslag op de 10-jarig [NK] en de poging tot gekwalificeerde doodslag op de 11-jarige [MW]. Aangever [B] is daarvoor aanvankelijk veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf waarbij tevens is bevolen dat hij ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.(1) Bij arrest van 25 januari 2005, NbSr 2005, 45 heeft de Hoge Raad evenwel de aanvrage van [B] tot herziening gegrond verklaard nadat - kort gezegd - een andere man had bekend de feiten te hebben begaan en was gebleken dat de op de plaats delict aangetroffen DNA-sporen overeenkomen met de DNA-kenmerken in het DNA-profiel van deze andere man.

4. De aangifte volgt op onder meer een rapportage van Advocaat-Generaal mr F. Posthumus, in opdracht van het College van Procureurs-Generaal, over de wijze waarop de politie en het Openbaar Ministerie de Schiedammer parkmoord hebben behandeld: Evaluatieonderzoek in de Schiedammer Parkmoord, 13 september 2005 dat is te raadplegen via <www.om.nl>. In het kader van een hierop volgend debat heeft de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer nadere informatie verstrekt.

5. De aangifte houdt voor zover hier van belang is, het volgende in:

'7. Bij brief van 15 september 2005 bood de minister van justitie de voorzitter van de Tweede Kamer vier gespreksverslagen aan. Deze gespreksverslagen betreffen een bespreking tussen leden van het NFI c.q. DNRI met de officier van justitie [betrokkene 1] te Rotterdam respectievelijk [betrokkene 2] advocaat-generaal te 's-Gravenhage. Ik doe u hierbij afschrift van deze gespreksverslagen toekomen (bijlage I).

8. Tevens zend ik u afschrift van mijn brief van 14 september 2005 aan de minister van Justitie met het verzoek de inhoud hiervan als aangehaald en ingelast te beschouwen (bijlage II).

9. Voormelde gespreksverslagen zijn door de officier van justitie noch door de advocaat-generaal aan het procesdossier in de zaak van cliënt toegevoegd. Het eerste gespreksverslag dateert van 19 januari 2001. De behandeling van de terechtzitting in eerste aanleg was op 5 april 2001. Dit gespreksverslag behelst onder meer zakelijk weergegeven het navolgende:

"Mw. .. stelt dat het belangrijk is dat de rapportage zodanig geschreven wordt dat de advocatuur er niet meer (ik lees: mee GS) 'op pad' gaat. Er moet worden uitgesloten dat zoiets gebeurt."

10. De afkorting "Mw" heeft betrekking op [betrokkene 1] toendertijd officier van justitie. Aangezien zij redelijkerwijs kon verwachten dat leden van het NFI naar aanleiding van hun rapportage ter terechtzitting als getuigen-deskundigen zouden worden verhoord, heeft zij met vorenweergegeven verzoek zich schuldig gemaakt aan het misdrijf als bedoeld in artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht.

11. Door het niet toevoegen van deze gespreksverslagen aan het procesdossier en het verzuim de inhoud van deze gespreksverslagen op deugdelijke wijze ter kennis van de rechter en de verdediging te brengen hebben zij [bedoeld zullen zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 1], JWF] zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van artikel 361 van het Wetboek van Strafrecht. Door deze wijze van handelen c.q. nalaten zijn immers opzettelijk zaken die het bewijs en de overtuigen van de rechter raken verduisterd. Deze aangifte ziet voorts op het achter houden van psychologische rapportage ten aanzien van de getuige [M]. Ik verwijs u hiervoor naar het evaluatierapport van mr F. Posthumus.

12. Namens cliënt verzoeken mr. J. Taekema en ik u op grond van het voorgaande [betrokkene 1] en [betrokkene 2] strafrechtelijk te vervolgen wegens de misdrijven genoemd in artikel 285a en 361 Wetboek van Strafrecht. Mr J. Taekema en wij behouden ons het recht voor zonodig een aanvullende aangifte te doen wegens andere misdrijven die ter deze zake nog in aanmerking kunnen komen. Wij verzoeken u voorts de betrokkenen ten spoedigste aan te houden en tot inbeslagneming van hun computer en andere relevante voorwerpen, die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, over te gaan.'

6. Bij de beoordeling van het verzoekschrift moet in het midden blijven of hier sprake is van een redelijk vermoeden van schuld van betrokkenen aan de strafbare feiten waarop de aangifte betrekking heeft. Indien naar het oordeel van het OM een dergelijk vermoeden aanwezig zou zijn, dan moet een verzoekschrift op de voet van art. 510 Sv worden ingediend, zo volgt uit HR 14 februari 2004, NJ 2005, 144 m.nt. C.P.M. Cleiren. In andere gevallen kan het OM een dergelijk verzoekschrift indienen maar is het daartoe niet verplicht. Een en ander heb ik uiteengezet in de conclusies in de zaken met rolnummer 01987/05 B en 01989/05 B die ik heden neem.

7. Ik concludeer dat de Hoge Raad de Rechtbank te Arnhem zal aanwijzen als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank zulks nodig oordeelt, de vervolging en berechting der zaak zullen plaatshebben.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Cassatieberoep werd verworpen bij arrest van HR 15 april 2003, nr. 01689/02 LJN AF5257; deels gepubliceerd in NJ 2003, 364.