Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU3943

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
02223/05 UA
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU3943
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse uitleveringszaak. Het NAUB kent niet een bepaling als art. 10.2 UW inhoudende dat de uitlevering niet wordt toegestaan indien de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn i.v.m. diens slechte gezondheidstoestand. De rijkswetgever heeft zoveel mogelijk willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en m.n. ook bij de jurisprudentie van de HR (HR LJN AS8860). Art. 7 NL-VS Uitleveringsverdrag heeft dezelfde strekking als art. 10.2 UW. De HR heeft geoordeeld dat art. 10.2 UW zich niet richt tot de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist, maar tot de MvJ (HR NJ 1980, 450 en NJ 1986, 298). De beslissing over de vraag of de uitlevering behoort te worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon psychisch uitleveringsongeschikt zou zijn, komt niet toe aan het hof, maar is voorbehouden aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 646
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02223/05 UA

Mr Machielse

Zitting 4 oktober 2005 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 26 april 2005 geadviseerd om tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan.

2. Mr G.A.S. Maduro, advocaat op de Nederlandse Antillen, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de stukken ongenoegzaam zijn.

Het Hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

"5. Genoegzaamheid van stukken

De raadsman heeft aangevoerd dat de stukken die door de Verenigde Staten zijn overgelegd om het verzoek te onderbouwen, niet genoegzaam zijn. De raadsman stelt, met verwijzing naar onder andere het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1994, NJ 1994, 266, dat niet gezegd kan worden dat de beschuldigingen naar de eisen van het Uitleveringsverdrag ex artikel 9, derde lid, onder b door voldoende bewijsmateriaal worden ondersteund.

Het Hof is echter van oordeel dat de verdenking jegens de opgeëiste persoon in voldoende mate is onderbouwd in de overgelegde documentatie en de stukken derhalve genoegzaam zijn. De in dat verband te beantwoorden vraag is of op basis van het voorliggende materiaal hoogst onaannemelijk is dat een rechter op de Nederlandse Antillen, later oordelend, tot een bewezenverklaring zou komen. Deze vraag beantwoordt het Hof ontkennend."

De steller van het middel vindt de verwerping van het verweer onvoldoende gemotiveerd en wijst op uitspraken van het EHRM die de fairness van een procedure koppelen aan de gegeven motiveringen. Een enkele negatieve beantwoording van de vraag of de stukken genoegzaam zijn zou onvoldoende zijn.

3.2. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast.(1) De procedure die leidt tot een advies over een uitleveringsverzoek staat niet gelijk aan de behandeling van een criminal charge. Daarom zijn op de uitleveringsprocedure het bepaalde in het eerste en derde lid van artikel 6 EVRM niet zomaar van toepassing.(2) De uitspraken van het EHRM die in de toelichting op het middel zijn vermeld betreffen de mogelijkheid een vrij beroep uit te oefenen (Kraska), de mogelijkheid voor een veehouder zijn veestapel uit te breiden en een hoger melkquotum te verkrijgen (Van de Hurk), een huurgeschil (Torija), een arbeidsgeschil (Helle), en een militaire strafzaak (Hadjianastassiou). Niet betwist werd dat deze geschillen onder het bereik van het eerste lid van artikel 6 EVRM vielen.

De Hoge Raad heeft er zelf blijk van gegeven genoegen te nemen met de vaststelling dat, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlands-Antilliaanse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten.(3)

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof niet voldoende feitelijk de feiten heeft vermeld waarvoor geadviseerd is de uitlevering van de opgeëiste persoon toe te staan.

4.2. Het komt mij evenwel voor dat de omschrijving van de feiten onder rubriek 7 van het Advies van het Hof in combinatie met de onder rubriek 3 onder A genoemde 'indictment' in onderlinge samenhang bezien een voldoende duidelijke omschrijving inhoudt van de feiten waarvoor naar het oordeel van het Hof uitgeleverd kan worden en toereikend is onder meer om het beginsel van specialiteit te waarborgen. Aan de eis van art. 28, derde lid, Uw betreffende de vermelding van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, is immers voldaan indien in de uitspraak met voldoende duidelijkheid wordt verwezen naar enig stuk hetwelk al dan niet aan de uitspraak is gehecht.(4) Tijd en plaats zijn omschreven, de verboden stoffen waarom het gaat, en de handelingen waarvoor vervolgd gaat worden. Dat lijkt mij voldoende.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de opgeëiste persoon psychisch uitleveringsongeschikt is.

Het advies houdt dienaangaande het volgende in:

"12. Bijzondere omstandigheden

De raadsman heeft de uitleveringsongeschiktheid van zijn cliënte bepleit en hij heeft in dat kader gewezen op artikel 7 lid 2 van het Uitleveringsverdrag. Hierin wordt bepaald dat de uitlevering kan worden geweigerd indien deze vanwege bijzondere omstandigheden onverenigbaar zou zijn met humanitaire overwegingen. De raadsman heeft gewezen op de rapportage d.d. 7 maart 2005 van de psychiater dr. Vuurmans en op een brief van het US Department of Justice d.d. 23 maart 2005. Uit het rapport blijkt, volgens de raadsman, dat de opgeëiste persoon psychisch uitleveringsongeschikt is en uit gemelde brief blijkt dat zij in Amerika pas voor (intensieve) psychiatrische behandeling in aanmerking komt indien zij veroordeeld is.

Het Hof is echter van oordeel dat onvoldoende bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden of zijn gebleken die aan de uitlevering in de weg staan, nu, anders dan de raadsman aanvoert, uit het rapport van het U.S. Department of Justice van 23 maart 2005 blijkt dat afdoende psychiatrische hulp in (voorlopige) detentie in de Verenigde Staten wordt geboden. Het Hof acht verdachte niet uitleveringsongeschikt en acht de uitlevering niet onverenigbaar met humanitaire overwegingen."

5.2. Artikel 18 van het Nederlands-Antilliaans Uitleveringbesluit bepaalt dat de Gouverneur na advies van het Hof de gevraagde uitlevering toestaat of weigert. De Memorie van toelichting bij het voorstel dat is uitgemond in de Rijkswet van 8 mei 2003 (Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba, Stb. 2003,204), trekt een vergelijking tussen de Nederlandse procedure en de Antilliaanse. In de memorie is het volgende te lezen:

"Evenals in de Nederlandse Uitleveringswet zijn deze "einduitspraken" naar strekking adviezen omtrent het aan het rechtshulpverzoek te geven gevolg: de verwijderende autoriteit is immers, wanneer de einduitspraak strekt tot toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek, niet verplicht diensvolgens ook tot de verwijderingshandeling over te gaan. Op grond van een beleidspolitieke afweging kan hij alsnog beslissen niet tot de verwijdering over te gaan.

Alleen de beslissing tot ontoelaatbaarheid bindt; het geldt hier een zogenaamd bindend advies omtrent de verdragspositie van het Koninkrijk in relatie tot de opeisende partij. Sinds 1 januari 1996 bepaalt artikel 8, tweede lid, van het Nederlands-Antilliaanse Uitleveringsbesluit dit expliciet: indien het advies van het Gemeenschappelijk Hof strekt tot afwijzing van het verzoek tot uitlevering, weigert de Gouverneur de uitlevering."(5)

5.3. De verdeling der bevoegdheden in een uitleveringszaak tussen Minister en uitleveringsrechter is aldus, dat het aan de minister is om een uitlevering niet toe te staan indien uitlevering op humanitaire gronden niet gepast voorkomt. Te denken is dan aan de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon na uitlevering in strijd met artikel 3 EVRM zal worden behandeld.(6) Het komt mij voor dat de Antilliaanse uitleveringsprocedure op deze bevoegdhedenverdeling geen uitzondering maakt. Dat betekent dat de beoordeling van het aangevoerde niet aan de uitleveringsrechter is, maar aan de Gouverneur. Het verweer is dus terecht verworpen, wat er zij van de motivering ervan.

Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de uitspraak behoort te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 1994, 266.

2 HR NJ 1999, 775; meer vindplaatsen in Handboek Strafzaken, 94.4.1. Zie echter A. Smeulers, In staat van uitlevering, p. 61 e.v., die een ruimhartiger standpunt bepleit.

3 HR 20 september 2005, nr. 00850/05/UA. Zie voorts HR NJ 2003, 315.

4 HR NJ 2000, 491.

5 Kamerstukken II 2000-01, 27 797 (R1686), nr. 3, p. 5.

6 Bijv. HR NJ 1997, 534; HR NJ 2000, 540; HR 19 september 2000, LJN AA7138; HR 4 februari 2003, nr. 02266/02/U; HR NJ 2004, 41.