Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU3495

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
03604/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU3495
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belaging ex art. 285b Sr. 1. Voor de toepassing van art. 285b Sr is niet vereist dat de inbreuk op eens anders persoonlijke levenssfeer aanmerkelijk is. 2. De opvatting dat, willen gedragingen als belaging kunnen worden gekwalificeerd, sprake moet zijn van ‘ernstige emotionele gevolgen, enorme verstoring van het dagelijkse leven althans van zeer ingrijpende/diepgaande invloed op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer’ en dat die omstandigheden uit de bewijsvoering moeten blijken, vindt geen steun in het recht. Het effect van de gedragingen op het slachtoffer wordt aan objectieve maatstaven getoetst, wil er sprake zijn van belaging. 3. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers heeft het hof tot de bewezenverklaring kunnen komen (verdachte schreef slachtoffer 2 in een periode van een jaar meerdere brieven). Het hof heeft de feiten terecht gekwalificeerd als belaging ex art. 285b Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03604/04

Mr. Knigge

Zitting 27 september 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 26 mei 2004 wegens 1. en 2. " belaging, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met bijzondere voorwaarde als in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. In beide middelen wordt geklaagd dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud der bewijsmiddelen kan volgen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. Ten laste van de verdachte is door het Hof als eerste feit bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 12 juli 2000 tot en met 19 mei 2001 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en/of te dulden, immers heeft/is verdachte

- [slachtoffer 1] aangesproken en

- [slachtoffer 1] een brief geschreven en

- ongenodigd de woning van [slachtoffer 1] betreden en

- meermalen het portier van die auto waarin [slachtoffer 1] gezeten was opengetrokken en

- op straat getracht [slachtoffer 1] te omhelzen en

- [slachtoffer 1] meermalen op straat opgewacht en/of hinderlijk gevolgd dan wel hinderlijk voor haar uitgelopen en beetgepakt en

- in een bus hinderlijk naast [slachtoffer 1] gaan staan"

En als tweede feit dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 12 juli 2000 tot en met 21 juni 2001 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], met het oogmerk [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen en/of te dulden, immers heeft verdachte

- [slachtoffer 2] meerdere brieven geschreven inhoudende onder meer

- "Ik ben erg benieuwd naar je liefdesleven. Ik heb een halfjaar samengewoond met [slachtoffer 1] en we hebben januari 2001 de relatie beëindigd, aan de sex heeft het niet gelegen hoor, maar [slachtoffer 1] had een ander, en dus ben ik weer single" en

- "Het zal wel even schrikken wezen dat een man je een liefdesbrief stuurt maar ja alles went" en

- "Eigenlijk wil ik hiermee zeggen dat ik dolgraag met je wil uit eten en of andere leuke dingen wil doen, maar ik wil dan niet dat je met nog een stel zogeheten kerels een liefdesrelatie er op na houd" en

- "Ergens bij mij van binnen hoop ik dat het contact tussen ons zich verbeterd en zich verder ontwikkeld misschien eerst op vriendschappelijke basis en wie weet maar dan moet je vrij van andere kerels zijn" en

- "Verliefdheid moet nu alleen liefde worden, en het moet ook nog wederzijds zijn en daar moeten we beide aan werken" en

- "Ik zou graag op korte termijn een afspraak met je willen maken om met zijn tweeën te gaan dineren, ik heb al een leuk restaurantje uitgekozen en wat mij een geschikte avond lijkt is zaterdag 21 april. Ik hoop dat je het ook een geschikte avond vind en dan kan ik je op komen halen. Als we volgende week even contact met elkaar zochten dan kunnen we een tijd afspreken, zelf denk ik aan 17.00 uur bij jouw thuis, dan haal ik je op" en

- "Mijn zus heeft met je politievriendje gesproken en ze heeft tegen hem gezegt dat je al enkele jaren overspannen bent en dat is de rede geweest dat je naar de politie bent gestapt, en die agent had dat schijnbaar ook door" en

- "Oh ja, je mag moederdag niet vergeten, is zondag 13 mei, koop iets leuks voor haar en geef haar dan 4 zoenen 3 van jouw en 1 van mij, ja ik heb je moeder een keer gezien toen zat jij in Israel en toen bracht ik dat plantje" en

- "We hebben allemaal gevoelens alleen die gevoelens mag ik niet bij jou uiten, volgens mij ben je het ook met gewend, dat een man zijn gevoelens bij je uit" en

- "[slachtoffer 2] politie dat heeft geen enkele zin problemen lossen wij onderling met elkaar op en elk probleem is oplosbaar maar dat moeten we wel alle bij willen. De politie moet voor onze veiligheid zorgen en als ze teveel relatieproblemen voor hun kiezen krijgen, dan kunnen ze niet meer voor onze veiligheid zorgen" en

- [slachtoffer 2] meermalen heeft opgebeld."

5. Art. 285b lid 1 Sr luidt:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."

6. In de middelen wordt aangevoerd dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, althans dat het Hof de bewezenverklaarde feiten ten onrechte heeft gekwalificeerd als belaging in de zin van art. 285b Sr.

7. Uit de bewijsmiddelen kan met betrekking tot het eerste bewezenverklaarde feit onder meer worden afgeleid dat (bewijsmiddelen 1 en 3):

(a) het slachtoffer de verdachte heeft gezegd dat zij geen hinder (meer) van hem wilde ondervinden;

(b) de verdachte op 14 juni 2000 een gesprek met de politie heeft gehad over zijn handelen jegens het slachtoffer, maar dat dit hem niet heeft weerhouden van zijn gedrag ten opzichte van het slachtoffer;

(c) de verdachte het slachtoffer heeft aangesproken en heeft gezegd:

"Dat van de politie, dat had niet gehoeven, ik wil alleen maar een leuk contact met je."

(d) de verdachte begin november 2000 (ongenodigd) in de woning van het slachtoffer is geweest en haar daar heeft aangesproken;

(e) de verdachte rond dezelfde tijd tweemaal het portier van de auto waarin het slachtoffer achter het stuur zat opentrok;

(f) de verdachte rond 31 december 2000 in de richting van het slachtoffer rende met de bedoeling om haar te omhelzen;

(g) de verdachte in januari 2001 een brief aan het slachtoffer stuurde, onder meer inhoudende:

"Ik probeerde met jou een relatie te beginnen. Ik ben misschien wat opdringerig op je over gekomen. Ik heb het erg jammer gevonden dat ik je niet beter heb mogen leren kennen. Eigenlijk had ik je op 31 december een dikke zoen willen geven en je willen feliciteren, maar dat doen we als het aan mij ligt binnenkort over. Op 31 december hebben veel mensen een wens gedaan en mijn wens is dat het contact tussen ons beter wordt en dat er wederzijds begrip ontstaat en vertrouwen en dat we elkaar leren begrijpen. Lieve [slachtoffer 1] ik moet afsluiten. Als we elkaar binnenkort zien dan hoop ik dat je even tijd voor mij vrij wil maken en dan praten we er nog even over. (...)"

(h) de verdachte in januari 2001 in de bus dicht tegen het slachtoffer aan ging staan, terwijl er nog zitplaatsen vrij waren;

(i) de verdachte op 1 maart 2001 het slachtoffer de doorgang belette, haar aansprak en haar vasthield en daarna met zijn auto naast het slachtoffer ging rijden en door het (auto)raam tegen haar sprak;

(j) eind maart 2001 de vriend van het slachtoffer aansprak en mededeelde dat hij een rechtszaak tegen het slachtoffer zou beginnen;

(k) op 4 mei 2001 in de richting van het slachtoffer rende, en (daar aangekomen) achteruitlopend en met de armen gespreid voor het slachtoffer ging lopen, soms op zo'n korte afstand dat zijn gezicht het gezicht van het slachtoffer bijna raakte en het slachtoffer daarna vastpakte;

(l) op 18 mei 2001 een e-mailbericht stuurde aan de vriend van het slachtoffer, inhoudende dat de verdachte een juridische procedure tegen het slachtoffer zou starten;

(m) het slachtoffer de hiervoor beschreven handelingen van de verdachte als (zeer) hinderlijk heeft ervaren en daarvan overstuur is geweest.

8. Met betrekking tot het tweede bewezenverklaarde feit houden de bewijsmiddelen onder meer in dat:

(i) de verdachte brieven aan het slachtoffer heeft geschreven waarvan de inhoud (deels) is opgenomen in de onder 4 weergegeven bewezenverklaring van feit 2;

(ii) het slachtoffer na ontvangst van een aantal brieven de verdachte heeft gezegd dat zij niet van zijn gedrag gediend was;

(iii) de verdachte een half jaar nadien wederom brieven aan het slachtoffer begon te schrijven;

(iv) de verdachte het slachtoffer belde, soms meermalen per dag;

(vi) het slachtoffer de verdachte meermalen heeft verteld niet van contact gediend te zijn.

9. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, nam de Hoge Raad in een arrest uit 2004 in aanmerking hetgeen de bewijsmiddelen inhielden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hadden plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid.(1)

10. In de middelen wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat er - kort gezegd - sprake is van ernstige emotionele gevolgen voor de slachtoffers, een enorme verstoring van hun dagelijkse leven of concrete dingen als een gedwongen verhuizingen. Daarom heeft het Hof, aldus de steller van de middelen, de bewezenverklaarde feiten ten onrechte aangemerkt als stelselmatige inbreuk op de levenssfeer van de slachtoffers.

11. De steller van het middel haakt aan bij de annotatie onder HR NJ 2004, 426, voorzover de annotator daarin betoogt dat een enigszins tastbare begrenzing van het bereik van de delictsomschrijving van art. 285b Sr mogelijk zou kunnen zijn door het stellen van de eis dat het gedrag van de stalker een diepe impact op het slachtoffer heeft gehad. Het bestanddeel "inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" zou dan moeten worden uitgelegd als een zeer ingrijpende schending van de privacy.

12. Voorop gesteld zij dat de annotator uitdrukkelijk spreekt van een mogelijkheid om tot een enigszins tastbare begrenzing van de delictsomschrijving te komen. Uiteindelijk kiest hij niet voor een dergelijke "strikte benadering" omdat zij ten koste zou kunnen gaan van de ratio van de strafbaarstelling "en het daaraan verbonden aspect van interventie en rechtstreekse bescherming van (potentiële) slachtoffers". Het strafrecht zou dan mogelijk pas kunnen worden ingezet "als het al te laat is". De annotator komt daarom uit op een "minder rigide, iets flexibeler" (maar nog steeds restrictieve) interpretatie. In die interpretatie zijn de gevolgen voor het slachtoffer nog steeds "van groot belang", maar is het - als ik het goed begrijp - niet langer een noodzakelijke voorwaarde dat het gedrag van de dader een diepe impact op het leven van het slachtoffer heeft gehad. Anders dan de steller van het middel lijkt te menen is het dus ook in de opvatting van de annotator niet per se nodig dat uit de bewijsmiddelen blijkt van ernstige emotionele gevolgen, van een enorme verstoring van het dagelijks leven of van concrete dingen als een gedwongen verhuizing.

13. Met de annotator ben ik van mening dat een dergelijke daadwerkelijke impact op het slachtoffer niet als een noodzakelijke voorwaarde kan worden gesteld. De annotator kan voorts worden toegegeven dat de gevolgen voor het slachtoffer van belang kunnen zijn bij de beoordeling van het gedrag van de verdachte. Over het gewicht dat aan die factor moet worden toegekend, verschil ik echter met de annotator van mening. Mijns inziens dient aan die factor juist geen groot gewicht toe te komen.

14. Daarvoor pleit in de eerste plaats de al genoemde ratio van de strafbaarstelling. Het gaat om bescherming tegen uiterst hinderlijk gedrag en dat brengt mee dat tijdig moet kunnen worden ingegrepen. Door dit ingrijpen kan dan wellicht (en hopelijk) worden voorkomen dat de inbreuk door de stalker op de privacy van het slachtoffer ingrijpende gevolgen heeft. Het gaat mijns inziens niet aan dat het slachtoffer van de politie te horen krijgt dat hij of zij eerst maar moet verhuizen of eerst maar een zenuwinzinking moet krijgen omdat anders het bewijs niet rond te krijgen is. Ook in ander opzicht lijkt mij een grote nadruk op de emotionele gevolgen voor het slachtoffer mij niet gezond. Van het slachtoffer wordt dan immers in feite gevraagd dat hij "bewijst" dat het gedrag van de dader grote psychische schade teweeg brengt. Daarmee dreigt het strafrecht een extra ziekmakende factor te worden. Het slachtoffer kan dan immers nog moeilijk trots zijn op het feit dat hij ondanks alles op de been blijft en toch nog in staat is om normaal te functioneren. Die persoonlijke geestkracht wordt hem als een soort tekortkoming voor de voeten geworpen: "omdat je het zo goed volhoudt, kunnen we niets doen".

15. Bij dit argument sluit een ander agument aan. Het lijkt mij zeer de vraag of het uitvergroten van de emotionele gevolgen werkelijk tot een meer "tastbare" begrenzing van de delictsomschrijving leidt. Mijns inziens wordt daardoor juist een nogal ongrijpbare factor in de beoordeling ingebracht. De emotionele beleving van andersmans gedrag is alles behalve een tastbaar gegeven. Die beleving is per definitie subjectief en ook nog eens te manipuleren. Het gevaar lijkt me niet denkbeeldig dat het slachtoffer, om het bewijs rond te krijgen, wordt uitgenodigd de emotionele gevolgen wat aan te dikken. Daar komt dan nog bij dat de ene mens de andere niet is. De één kan veel hebben, de ander is direct van slag. Moet de strafbaarheid van de dader daarvan afhangen?

16. Voor een van de concrete psychische gevolgen abstraherende benadering is ook steun te putten uit de wetsgeschiedenis. De bovenbedoelde annotator wijst er zelf op dat uit de MvT blijkt dat de subjectieve beleving van het slachtoffer "niet altijd doorslaggevend" is. Hij doelt daarbij denk ik op de volgende passage.(2)

"Bij belaging is van belang of een andere persoon, redelijkerwijs te vergelijken of gelijk te stellen met het slachtoffer in kwestie, eveneens de handelingen en activiteiten van de belager zou ervaren als inbreuken op zijn of haar privacy. Men moet hier dus wel objectiveren. Als de persoon die meent belaagd te worden, een zeer nerveus en onzeker iemand is, die zich onredelijk snel gekrenkt voelt in zijn grondrecht op privacy, terwijl anderen in vergelijkbare omstandigheden dat zeker niet zo zouden waarderen, en is de inbreuk niet aanwezig."

Deze objectiverende benadering levert mijns inziens wél een enigszins tastbare afgrenzing op. Het gaat erom hoe anderen dan het slachtoffer zelf het gedrag van de verdachte zouden hebben ervaren. Strafbaar is dat gedrag dan pas als het in het algemeen als zo hinderlijk, als zo opdringerig wordt ervaren, dat van een inbreuk op de privacy kan worden gesproken.

17. De objectiverende benadering die in de MvT wordt voorgestaan, brengt mee dat men zich moet concentreren, niet op de (subjectieve) emoties van het slachtoffer, maar op het (objectieve) gedrag van de dader. Dat is in overeenstemming met de grondbeginselen van ons strafrecht, waarin de strafbaarheid primair bepaald wordt door het gedrag (van de "dader"). Dat gedrag moet zodanig zijn dat het - objectief gezien - als een inbreuk op de privacy kan worden aangemerkt. Van de concrete gevolgen voor het slachtoffer kan zo in betrekkelijk vergaande mate worden geabstraheerd. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het slachtoffer het gedrag als ongewenst en als hinderlijk heeft ervaren. Die eis moet worden gesteld omdat gewenst en als plezierig ervaren gedrag bezwaarlijk als een inbreuk op de privacy kan worden aangemerkt.(3) Verdergaande "gevolgen" van het gedrag behoeven niet te worden aangetoond.

18. In het verlengde van het voorgaande ligt, dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de (grootte van de) inbreuk op de privacy en de (ernst van de) gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Van een zeer ingrijpende inbreuk op de privacy behoeft mijns inziens geen sprake te zijn. De tekst van de wet biedt voor die interpretatie geen steun, en ook de wetsgeschiedenis dwingt daartoe niet. (4)

19. Uit de onder 7 en 8 weergegeven omstandigheden heeft het Hof zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Steun voor deze opvatting vind ik in andere gevallen die zich in de jurisprudentie hebben voorgedaan. Bij wijze van voorbeeld wijs ik op een arrest uit 2005 waarin het ging om een combinatie van door de verdachte herhaaldelijk wachten voor de school van de zoon van het slachtoffer, en het volgen en ernstig hinderen van het slachtoffer in het verkeer, onder meer toen zij haar zoon van school haalde. De klacht over de bewezenverklaarde belaging werd door de Hoge Raad afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging.(5) Ik zou de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers in de onderhavige zaak niet minder ingrijpend willen noemen.

20. De middelen falen. Nu in de toelichting op de middelen uitdrukkelijk de vraag aan de orde wordt gesteld of en in hoeverre de gevolgen voor het slachtoffer een rol spelen bij de interpretatie van het begrip "stelselmatige inbreuk", meen ik dat er onvoldoende termen zijn om de middelen af te doen met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 29 juni 2004, NJ 2004, 426 m.nt. D.H. de Jong, rov. 3.6.2 en 3.7.

2 Kamerstukken II 1997-98, 25 768, nr. 5, p. 8

3 Vgl. Kamerstukken II 1997-98, 25 768, nr. 5, p. 16.

4 Vgl. de conclusie van de plv. P-G Fokkens onder HR 2 november 2004, LJN: AQ4258, onder 11.

5 HR 15 februari 2005, LJN: AR7516.