Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU3470

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
17-11-2005
Zaaknummer
03399/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU3470
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbeurdverklaring auto na snelheidsovertreding onvoldoende gemotiveerd (motivering houdt in dat de auto vatbaar is voor verbeurdverklaring en dat het bewezenverklaarde daarmee is begaan). Het behoeft nadere verklaring waarom het hof, gelet op de omstandigheid dat overtreding van art. 20 RVV 1990 strafbaar is gesteld met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie, en op hetgeen is aangevoerd omtrent de waarde van de auto (€ 10.000,-), de inbeslaggenomen auto heeft verbeurdverklaard zonder toepassing van art. 33c.2 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2006, 93
Jwr 2005/105
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03399/04

Mr. Knigge

Zitting: 27 september 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "overtreding van artikel 20 aanhef en onder a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een geldboete van €200,= subsidiair vier dagen, met ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden en verbeurdverklaring van de auto van verdachte. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging voor de duur van vier maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J.H. Vecken, advocaat te Heerlen, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de auto verbeurd diende te worden verklaard, ondanks het verweer op dit punt.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 oktober 2004 houdt - voorzover voor de bespreking van het middel van belang - het volgende in:

"De verdachte die tijdig hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de zaak in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte geeft op dat zijn bezwaar zich voornamelijk richt tegen de verbeurdverklaring.

(...)

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

A. (...)

B. Ik heb bezwaar tegen de verbeurdverklaring van mijn auto. Ik ben werkloos. Omdat ik gescheiden ben en ergens anders woon heb ik de auto nodig voor bezoeken aan familie en kind. Er is een bezoekregeling voor de weekenden. Nu moet ik alles met openbaar vervoer doen.

De advocaat-generaal rekwireert en voert daarbij het volgende aan:

Verdachte heeft het bont gemaakt. Uit het voorgehouden uittreksel uit het justitieel documentatieregister blijkt dat verdachte veel transacties opgelegd heeft gekregen voor snelheidsovertredingen. Het houdt een keer op. De richtlijnen zijn hier van toepassing. Verdachte is een gevaarlijke rijder. Het moet eens afgelopen zijn. Ik verzoek uw hof daarom het beroepen vonnis te bevestigen.

De raadsman voert het woord tot verdediging en voert - zakelijk weergegeven - aan:

Ik ben het hier niet mee eens. Het gaat hier alleen om een strafmaat verweer. Ik zie de ernst, gelet op het strafblad, wel in. De verbeurdverklaring is echter buiten proportioneel. Cliënt kende de weg erg goed. Daar rij je gemakkelijk boven de 50 km. Hij wordt enorm in zijn financiële belangen geraakt. De zaak heeft grote impact gehad op zijn ex partner en zijn 3-jarig kind. Zijn kind krijgt bijzonder onderwijs en is nu afhankelijk van busvervoer. Met de ontzegging is verdachte het eens, maar verbeurdverklaring is veel te zwaar. De waarde van de auto is zo'n €10.000,--.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte verklaart hierbij:

Ik heb de straf echt verdiend, maar verbeurdverklaring van de auto is een te grote straf."

5. Het Hof heeft de opgelegde straffen en maatregel als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In het bijzonder neemt het hof in aanmerking dat verdachte, blijkens zijn strafblad, in 2001 en 2003 voor soortgelijke delicten transacties opgelegd heeft gekregen en op 17 november 2003 door de Kantonrechter is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf in de proeftijd waarvan het bewezen verklaarde feit is begaan.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof en voor de duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft met betrekking tot hetwelk het onder 4 bewezen verklaarde is begaan."

6. Art. 177 aanhef en onder d Wegenverkeerswet 1994 jo 92 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) stelt overtreding van art. 20 RVV 1990 strafbaar met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie, zijnde tweeduizend en tweehonderdvijftig euro. In eerste aanleg had de Kantonrechter een geldboete van €470,= opgelegd en de auto van verdachte verbeurd verklaard. In hoger beroep heeft het Hof de geldboete gematigd tot een bedrag van €200,=, vermoedelijk op grond van de financiële draagkracht van de verdachte. Namens de verdachte is aangevoerd dat de waarde van de auto €10.000,= bedraagt. Nu het hof zich hierover niet nadrukkelijk heeft uitgelaten, dient in cassatie van de juistheid van het aangevoerde te worden uitgegaan.(1)

7. Bij de vraag of de verbeurdverklaring van voorwerpen die een grote economische waarde vertegenwoordigen, nadere motivering behoeft, pleegt de Hoge Raad groot gewicht toe te kennen aan de op het feit gestelde maximumstraf, en meer in het bijzonder op de maximaal op te leggen geldboete. Verbeurdverklaring van voorwerpen waarvan de waarde de maximale boete ver overtreft, is al gauw disproportioneel. Zie in het bijzonder HR 15 november 1988, NJ 1989, 352 en HR 13 juni 1989, NJ 1990, 138, die beide betrekking hebben op verkeersovertredingen.(2) Gelet hierop alsmede op de in deze zaak opgelegde straffen en het namens de verdachte aangevoerde is de - niet nader gemotiveerde - verbeurdverklaring ondanks de hardnekkige recidive niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

8. Ik merk nog op dat ook de "richtlijnen" waarnaar de advocaat-generaal in zijn requisitoir verwijst, de verbeurdverklaring niet direct begrijpelijk maken.(3) Nog daargelaten de vraag of de rechter aan deze richtlijnen in enig opzicht is gebonden, houden deze richtlijnen, voorzover ter zake dienend, niet meer in dan dat inbeslagneming van de auto bij snelheidsovertredingen mogelijk is als de maximumsnelheid met meer dan 100 % is overschreden en er bovendien sprake is van een "geconcretiseerde gevaarzetting". Van dat laatste blijkt niet. Ik teken voorts nog aan dat inbeslagneming ook kan geschieden met het oog op de waarheidsvinding. Uit de richtlijnen volgt dus niet dat van elke inbeslaggenomen auto de verbeurdverklaring moet worden gevorderd.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 87.

2 Dat in Opiumwetzaken minder hoge eisen aan de verbeurdverklaring van kostbare voorwerpen worden gesteld, past in dit beeld. De maximumstraffen zijn daar aanmerkelijk hoger, terwijl het bovendien niet zelden gaat om voorwerpen waarvan mag worden aangenomen dat zij met de winsten uit de drugshandel zijn betaald. Vgl HR 23 juni 1992, NJ 1993, 7 en HR 20 oktober 1992, NJ 1993, 156.

3 Ik neem aan dat werd gedoeld op de Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitsomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de wet adminisratieve handhaving verkeersvoorschriften (Stcrt 2003, 223), in combinatie met de Aanwijzing inbeslagneming bij verkeersdelicten (Stcrt 2003, 235).