Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU3469

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
03373/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU3469
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toetsing in cassatie. Na een behandeling bij verstek in appèl doet het middel een beroep op de vrijstellingsgrond van art. 5.b Leerplichtwet 1967. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte niet heeft gezorgd dat haar kinderen waren ingeschreven aan een school en overwogen dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. In aanmerking genomen dat de zaak in appèl bij verstek is behandeld, zodat ter terechtzitting door of namens verdachte geen beroep is gedaan op een vrijstellingsgrond, en dat uit de aan de HR gezonden stukken niet het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat verdachte zich met vrucht op de in het middel bedoelde vrijstellingsgrond kon beroepen, was het hof niet gehouden zijn oordeel, dat onjuist noch onbegrijpelijk is, nader te motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 645
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03373/04

Mr. Knigge

Zitting: 27 september 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "overtreding van artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969, driemaal gepleegd" veroordeeld tot driemaal een geldboete €333,33 subsidiair telkens zes dagen hechtenis, waarvan €250,= subsidiair vijf dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof geen omstandigheid aannemelijk heeft geacht die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit en ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen vrijstellingsgronden aanwezig waren.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij die te Leiderdorp in de periode van 19 augustus 2002 tot en met 18 november 2002, als moeder het gezag uitoefende over, althans zich met de feitelijke verzorging had belast en daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht van de op [geboortedatum] 1989 geboren jongere [betrokkene 1] en op [geboortedatum] 1992 geboren jongere [betrokkene 2] en op [geboortedatum] 1993 geboren jongere [betrokkene 3], welke jongeren nog niet op grond van artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 buiten de leerverplichting vielen, niet heeft gezorgd, dat die jongeren overeenkomstig de bepalingen van genoemde Wet waren ingeschreen aan een school in de zin van artikel 1 van meergenoemde Wet".

5. Het Hof heeft ten behoeve van de bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 mei 2003 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Mijn zoon van 9 en mijn dochters van 11 en 14 jaar zijn gewoon thuis. Onderwijs geef ik ze zelf. Mijn oudste dochter doet de MAVO via de LOI. Zij wilde thuis onderwijs volgen.

2. Het proces-verbaal van aangifte van de Politie Hollands Midden, District Rijn- en Veenstreek/Team Leiderdorp, Mutatienr. PL1630/02-179743, d.d. 18 november 2002, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar A. van Schie, brigadier van politie Hollands Midden, Rijn- en Veenstreek. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 18 november 2002 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van S.C.M. de Jong:

Ik ben als leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente Leiderdorp. Ik ben door burgemeester en wethouders van Leiderdorp gemachtigd tot het doen van aangifte.

Ik wil aangifte doen van het absoluut schoolverzuim van 3 kinderen uit het gezin [...], wonende [a-straat 1] te [woonplaats] vanaf 19 september 2002. De kinderen zijn vanaf 19 augustus 2002 tot op heden niet naar school geweest en staan ook niet op een school ingeschreven.

Het gaat om [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1989, [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] en [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]. De moeder is genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]. Moeder is gescheiden van de vader van de kinderen. Zij heeft het ouderlijk gezag. In juli 2002 heeft moeder vrijstelling van de leerplicht gevraagd op grond van haar levensbeschouwing. Naar aanleiding van dit verzoek zijn diverse contacten met moeder geweest.

Moeder blijft weigeren haar kinderen naar school te sturen. Voor de genoemde leerplichtige minderjarigen zijn geen vrijstellingsgronden aanwezig als bedoeld in de artikelen 3, 5, 11 of 15 van de Leerplichtwet 1969."

6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat door de verdachte tijdig een beroep is gedaan op de vrijstellingsbepaling van artikel 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet 1969. De constatering in het door het Hof als bewijsmiddel 2 gebezigde proces-verbaal dat de verdachte in juli 2002 om vrijstelling heeft verzocht en de constatering dat geen vrijstellingsgronden als bedoeld in de artikelen 3, 5, 11 of 15 van de Leerplichtwet 1969 aanwezig is, zouden onjuist zijn.

7. Voorafgaande aan de eigenlijke bespreking van het middel maak ik voor een goed begrip enkele opmerkingen van algemene aard. Deze hebben betrekking op de wijze waarop de vrijstelling waarop het middel betrekking heeft, in de Leerplichtwet 1969 is geconstrueerd en op de inbedding van deze exceptie in het strafprocessuele beslissingsmodel van art. 350 Sv.

8. Art. 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet 1969 stelt ouders en verzorgers vrij van de verplichting om hun kind als leerling van een school in te schrijven als zij "tegen de richting van het onderwijs op alle (in aanmerking komende) scholen (...) overwegende bedenkingen hebben". Het gaat hier om wat men een vrijstelling van rechtswege zou kunnen noemen: het enkele bestaan van de bedoelde bedenkingen leidt tot vrijstelling. Daarbij geldt echter nog wel een formeel vereiste. Op de vrijstelling kunnen, zo bepaalt art. 6 van de wet, ouders en verzorgers zich alleen beroepen indien zij aan burgemeester en wethouders "hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken". Die kennisgeving moet daarbij tijdig worden gedaan, dat wil zeggen (in gevallen waarop de onderhavige zaak betrekking heeft) voor de aanvang van het komende schooljaar en wel vóór 1 juli. Het gaat bij deze kennisgeving dus niet om een verzoek om vrijstelling, dat door het college van B.& W. al dan niet kan worden ingewilligd. De (leerplichtambtenaar van de) gemeente kan de kennisgeving wel toetsen en - als die toetsing negatief uitvalt - de nodige stappen ondernemen die mede kunnen bestaan uit het doen van aangifte. Ingeval van een strafvervolging is het dan de rechter die moet beoordelen of terecht aanspraak wordt gemaakt op de vrijstellingsgrond. Die beoordeling betreft dan - naast de vraag of de kennisgeving tijdig is gedaan(1) - de vraag of de geuite bedenkingen inderdaad "de richting van het onderwijs" betreffen.(2)

9. De vraag is nu wanneer kan worden gezegd dat een beroep op de vrijstellingsgrond vervat in art. 5 sub b van de wet is gedaan. Is dat eerst het geval als de verdachte zich daarop ter terechtzitting beroept? Een bevestigend antwoord op deze vraag impliceert dat als de zaak bij verstek wordt afgedaan, geoordeeld moet worden dat de verdachte het beroep dat hij - gelet op de tijdige kennisgeving die hij deed - had kunnen doen, niet heeft gedaan. Dat is weinig bevredigend. Ik zou menen dat de Leerplichtwet 1969 zo gelezen moet worden dat het doen van de kennisgeving gelijk staat met het doen van een beroep op de vrijstellingsgrond. Steun voor die opvatting kan gevonden worden in HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190 m.nt. ThWvV. Daarin werd overwogen "dat het in een strafzaak tegen degene die (...) heeft kennis gegeven dat hij overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs koestert, tot de taak van de rechter behoort om te onderzoeken of het hier inderdaad een bezwaar betreft tegen de richting van het onderwijs (...)". Een uitzondering voor verstekzaken wordt hier niet gemaakt.

10. Een andere vraag is of en in hoeverre de rechter er in zijn vonnis of arrest blijk van moet geven dat hij deze kwestie heeft onderzocht als op dit punt ter terechtzitting geen verweer is gevoerd. Ik kom daarop nog terug.

11. Eerst de vraag of het beroep op de bedoelde vrijstellingsgrond zich richt tegen de bewezenverklaring van het strafbaar gestelde feit (en dus bij gegrondbevinding tot vrijspraak moet leiden), dan wel een exceptie is die de strafbaarheid van het feit wegneemt (en dus tot ontslag van alle rechtsvervolging leidt). Ik meen dat dat laatste het geval is. Art. 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969 bepaalt, voor zover hier van belang, dat ouders en verzorgers "verplicht (zijn) overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven". Het door mij gecursiveerde gedeelte heeft mijns inziens uitsluitend betrekking op de nadere eisen die de wet aan de inschrijving stelt. Als bijvoorbeeld het van overheidswege verstrekte document (waarvan de tweede volzin van het artikellid spreekt) niet (netjes ingevuld) wordt overgelegd, is niet overeenkomstig de bepalingen van de wet gezorgd dat de jongere is ingeschreven. Op het bestaan van eventuele vrijstellingsgronden hebben de gecursiveerde woorden zogelezen dus geen betrekking. Dat betekent dat slechts ten laste gelegd en bewezen moet worden dat (kort gezegd) niet voor inschrijving op de bij de wet voorziene wijze is gezorgd.(3) Of de verdachte van de inschrijvingsplicht was vrijgesteld, komt aan de orde bij de vraag of het bewezenverklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd.

12. Uitgangspunt is dat de rechter zijn oordeel dat het feit strafbaar is omdat kwalificatie-uitsluitingsgronden en strafuitsluitingsgronden zich niet voordoen, niet nader behoeft te motiveren. Dat is in de regel alleen anders als ter terechtzitting een uitdrukkelijk beroep op een dergelijke exceptie is gedaan (art. 358 lid 3 Sv). Wel toont de Hoge Raad zich een enkele keer bereid het impliciete oordeel van de rechter dat een bepaalde exceptie zich niet voordoet, op zijn begrijpelijkheid te toetsen.(4) Daaruit kan worden afgeleid dat nadere motivering - bij gebreke van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer - alleen vereist is als het impliciete oordeel van de rechter in het licht van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zonder die nadere motivering niet begrijpelijk is. Bij die toetsing kan ook een eventuele appèlmemorie worden betrokken. Een zelfstandige motiveringsplicht schept het indienen van een appèlmemorie echter niet.(5)

13. Dan nu de voorliggende strafzaak. In hoger beroep is de verdachte niet verschenen. Haar raadsman wel, maar die verklaarde niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Er is dus door de verdachte noch door haar raadsman ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet 1969. Dit heeft, zoals zojuist is uiteengezet, consequenties voor de op het Hof rustende motiveringsplicht. De vraag lijkt dus slechts te kunnen zijn of het impliciete oordeel van het Hof dat de verdachte zich niet met succes op de bedoelde vrijstellingsgrond kan beroepen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is.

14. Nu is van een impliciet oordeel eigenlijk geen sprake. Het Hof heeft namelijk - zoals hiervoor, onder 5 is weergegeven - voor het bewijs gebruik gemaakt van de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de leerplichtambtenaar De Jong. In deze verklaring komt de volgende passage voor: "In juli 2002 heeft moeder vrijstelling van de leerplicht gevraagd op grond van haar levensbeschouwing. Naar aanleiding van dit verzoek zijn diverse contacten met moeder geweest. Moeder blijft weigeren haar kinderen naar school te sturen. Voor de genoemde leerplichtige minderjarigen zijn geen vrijstellingsgronden aanwezig als bedoeld in de artikelen 3, 5, 11 of 15 van de Leerplichtwet 1969." Tegen deze passage en het daaruit blijkende oordeel van het Hof richt zich het middel.

15. Het opnemen van bovenbedoelde passage onder de bewijsmiddelen is weinig gelukkig. Zoals hiervoor is uiteengezet heeft de vraag of zich een vrijstellingsgrond voordoet, niet met het bewijs van het tenlastegelegde van doen. Dat betekent echter tegelijkertijd dat eventuele onvolkomenheden in deze passage aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg staan. Die bewezenverklaring rust daarop immers niet. Om die reden zal ik niet uitvoerig stil staan bij de vraag of wel sprake is van een wettig bewijsmiddel. Het lijkt mij zeer de vraag of een leerplichtambtenaar in dit geval uit eigen waarneming of ondervinding kan verklaren dat zich geen vrijstellingsgronden voordoen.(6) Aan de opneming van deze verklaring komt - nu de bewezenverklaring daarop niet steunt - slechts een beperkte betekenis toe. Die betekenis is dat daaruit blijkt dat het Hof het oordeel van de leerplichtambtenaar tot het zijne heeft gemaakt. Het is bij deze lezing van het arrest dus niet zo dat het Hof op grond van de verklaring van de ambtenaar "bewezen" heeft dat een vrijstellingsgrond ontbrak. Het Hof maakt door de opneming van die verklaring slechts zijn eigen oordeel kenbaar, dat onverminderd op begrijpelijkheid dient te worden getoetst.

16. In het middel wordt erover geklaagd dat de verklaring van de leerplichtambtenaar dat (eerst) in juli om vrijstelling is verzocht, feitelijk onjuist is. Uit het dossier kan het volgende worden afgeleid. Bij brief van 27 juni 2002 heeft de verdachte verzocht om ontheffing van de leerplicht. Volgens het ambtelijk verslag is deze brief op 2 juli 2002 ontvangen op het gemeentehuis. De vraag is dus of met betrekking tot het tijdig doen van de kennisgeving als bedoeld in art. 6 Leerplichtwet 1969 de verzendtheorie dan wel de ontvangsttheorie moet worden gehanteerd. Ik meen dat deze vraag kan blijven rusten, omdat het middel aan de opneming van dit onderdeel van de verklaring van de leerplichtambtenaar een te grote betekenis toekent. Het gaat om een terloops gedane weergave van de feitelijke gang van zaken, waarmee de leerplichtambtenaar niet meer heeft bedoeld te zeggen dan dat de kennisgeving in juli bij de gemeente is binnengekomen. Enige relatie met zijn oordeel dat geen vrijstellingsgronden aanwezig zijn, wordt in de verklaring niet gelegd. Kennisneming van de gehele verklaring die de leerplichtambtenaar aflegde, bevestigt deze interpretatie. De ambtenaar baseerde zijn oordeel op een onderzoek, waarbij hij verwijst naar het daarvan opgemaakte ambtelijke verslag. In dat verslag wordt ervan uitgegaan dat de kennisgeving als bedoeld in art. 6 lid 2 sub b Leerplichtwet 1969 tijdig is gedaan. Gelet hierop kan uit de opneming van het gewraakte onderdeel van de verklaring van de leerplichtambtenaar niet worden afgeleid dat het Hof heeft geoordeeld dat de kennisgeving niet tijdig is gedaan, laat staan dat het heeft geoordeeld dat het beroep op de uitsluitingsgrond van art. 5 sub b van de wet (uitsluitend) daarom niet opgaat. In zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag.

17. Resteert de vraag of, ervan uitgaande dat de kennisgeving tijdig is gedaan, het oordeel van het Hof dat de verdachte geen beroep toekwam op de vrijstellingsgrond, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Ik meen dat dat niet het geval is op grond van het navolgende.

18. Bij de stukken bevindt zich een uitspraak van de Rechbank 's-Gravenhage van 22 december 1999. Deze uitspraak is het gevolg van een eerder gedaan verzoek van de verdachte om vrijstelling op grond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969. De verdachte heeft zich in die procedure beroepen op een levensovertuiging waarin vrijheid centraal staat en die uitgaat van vrijheid van keuze en ontwikkeling voor ieder mens. Vanuit die overtuiging heeft zij bezwaar tegen het feit dat op scholen het onderwijs geprogrammeerd aan de kinderen wordt aangeboden en dat die niet in vrijheid kunnen bepalen of en wat zij willen leren. De Rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet een bezwaar tegen de richting van het onderwijs is, maar veeleer tegen het verplichte karakter van het onderwijs en in feite tegen het onderwijs zelf. Om die reden kon het beroep op vrijstelling niet slagen en werd het beroep van de verdachte ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte een rechtsmiddel aangewend, maar dat heeft zij nadien ingetrokken. De uitspraak van de Rechtbank van 22 december 1999 is dan ook onherroepelijk. In het verzoek om vrijstelling van 27 juni 2002 geeft de verdachte onder meer aan dat zij om vrijstelling verzoekt omdat in haar levensbeschouwing vrijheid centraal staat. In een nadere aanvullende brief van 9 juli 2002 herhaalt de verdachte dat volgens haar levensbeschouwing vrijheid centraal staat. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat de aanwezige scholen niet in overeenstemming komen met haar levensovertuiging.

19. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld, evenals de Rechtbank in de bestuursrechtelijke procedure, dat het verzoek van de verdachte om vrijstelling was gebaseerd op het verplichte karakter van het onderwijs en het onderwijs zelf. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. 'Hofs kennelijke oordeel dat dit geen bezwaren zijn als bedoeld in art. 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet 1969, is voorts, in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt(7), juist.

20. Voorzover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat het Hof de appèlmemorie van 5 juni 2003 niet buiten beschouwing had mogen laten, merk ik op dat, nu de appèlmemorie zich in het dossier bevindt, ervan uit moet worden gegaan dat het Hof kennis heeft genomen van de inhoud daarvan maar daarin kennelijk geen aanleiding heeft gevonden anders te oordelen dan het heeft gedaan. Dat is niet onbegrijpelijk nu in die appèlmemorie uitsluitend klachten over uitlatingen van de Kantonrechter zijn geformuleerd, welke uitlatingen niet terug te vinden zijn in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg.

21. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 14 januari 2003, NJ 2003, 127.

2 Zie HR 19 febr. 1980, NJ 1980, 190 m.nt. TH.W.v.V. en HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 98.

3 Soms wordt tenlastegelegd dat de verdachte niet voldaan heeft aan zijn verplichting om (enz.). Zie bijvoorbeeld HR 28 september 1999, NJ 2000, 12 en HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 98. In een dergelijke tenlastelegging zou gelezen kunnen worden dat de verdachte in het concrete geval verplicht was om het kind in te schrijven, zodat de afwezigheid van vrijstellingsgronden moet worden bewezen. Mijns inziens ligt deze interpretatie niet voor de hand, omdat tenlasteleggingen van dit type kennelijk zijn ingegeven door de tekst van art. 26 lid 1 van de wet, dat het niet nakomen van de wettelijke "verplichtingen" strafbaar stelt. Die term lijkt mij niet meer te zijn dan een korte en krachtige aanduiding van de in abstracto geldende voorschriften.

4 Zie bijv. HR 20 oktober 1992, NJ 1993, 140 m.nt. Kn.

5 Zie o.m. HR 7 januari 1986, NJ 1986, 693.

6 Vgl. HR 29 april 1986, NJ 1987, 129, waarin een dergelijke verklaring door de beugel kon. De gevallen liggen mijns inziens echter niet gelijk.

7 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 703, waarin het - evenals in deze zaak - ging om een verdachte die de Michaëlische levensovertuiging aanhing.