Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU3461

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
06-12-2005
Zaaknummer
00820/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU3461
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Een verklaring van verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen, kan bij de bewijsvoering worden gebruikt. Dat oordeel zal dan wel zijn grondslag moeten vinden in andere bewijsmiddelen dan verdachtes verklaring(en). Tot die andere bewijsmiddelen kunnen niet worden gerekend bewijsmiddelen inhoudende een weergave van door verdachte aan derden gedane mededelingen (HR NJ 2005, 396). I.c. is ‘s hofs oordeel dat verdachtes verklaring kennelijk leugenachtig is, gegrond op een tapverslag van een gesprek waarin verdachte aan een derde mededelingen heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande is de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 709
NJ 2006, 162
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00820/05

Mr. Wortel

Zitting:27 september 2005 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens ten aanzien van het onder 1, 3, 4, 7, 8, 10 primair, 13 en 14 bewezenverklaarde:

telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 9 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 12 subsidiair en 16 subsidiair bewezenverklaarde:

telkens:

Schuldheling.

ten aanzien van het onder 17 en 19 bewezenverklaarde:

telkens:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

ten aanzien van het onder 18 en 20 bewezenverklaarde:

telkens:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden,

met bijkomende beslissing ten aanzien van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen,

met toewijzing van vorderingen van benadeelde partijen en oplegging van daarmee overeenstemmende schadevergoedingsmaatregelen als in het arrest bepaald,

en voorts met bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 - een poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, gevolgd door bedreiging met geweld, hierin gelegen dat verzoeker een op een mes gelijkend voorwerp aan iemand heeft getoond en daarmee heeft gezwaaid - niet naar behoren met redenen is omkleed, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker het bewuste voorwerp - een schroevendraaier - heeft getoond met het oogmerk daarmee te dreigen.

4. Voor het bewijs is gebruik gemaakt van de verklaring van een getuige, werkzaam op een bouwplaats, die iemand zag slepen met een omgekeerde tafel waarop een kluis en een tas met een laptop waren gezet. De verklaring houdt voorts in dat deze persoon kennelijk schrok toen hij de getuige zag, een mes uit zijn binnenzak haalde en daarmee zwaaiende bewegingen maakte.

Voor het bewijs is ook gebruik gemaakt van een verklaring van verzoeker, onder meer inhoudende dat hij met anderen de kluis naar buiten heeft gesleept, een schroevendraaier heeft opgepakt omdat hij die niet wilde laten liggen, en vervolgens schrok omdat hij iemand zag staan.

Voor het bewijs is verder gebruik gemaakt van een afgeluisterd telefoongesprek, waarin verzoeker aan de andere deelnemer aan het gesprek vertelde dat hij de schroevendraaier heeft meegepakt en, buiten gekomen, met die schroevendraaier op een man is afgerend.

5. Deze bewijsmiddelen kunnen het oordeel dat verzoeker, toen hij zich betrapt wist, de schroevendraaier tevoorschijn heeft gehaald en daarmee heeft gezwaaid teneinde vrees aan te jagen, derhalve met geweld heeft gedreigd, dragen.

Het middel faalt.

6. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof op onbegrijpelijke gronden een verklaring van verzoeker, gebruikt voor het bewijs van het onder 5 bewezenverklaarde feit, als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt.

7. Het gaat om brandstichting waarbij benzine is gebruikt.

Voor het bewijs is gebruik gemaakt van een afgeluisterd telefoongesprek, gevoerd op een tijdstip vóór de brandstichting. Daarin vroeg verzoeker om één of twee jerrycans te vullen, liefst twee, omdat hij zelf niet langs een tankstation kon gaan.

Voor het bewijs is ook gebruik gemaakt van een verklaring van verzoeker, waarin hij opgaf niets met het feit te maken te hebben, en met betrekking tot de afgeluisterde telefoongesprekken verklaarde dat de jerrycans bestemd waren voor scooters. Deze verklaring houdt in dat verzoeker en de zijnen één jerrycan nodig hadden voor twee scooters, dat verzoeker niet wist of de tank van één van de scooters vol was, maar dat de tank van de andere scooter in ieder geval leeg was.

Ten aanzien van deze verklaring heeft het Hof overwogen:

"bewijsoverweging: Het hof is van oordeel dat de door verdachte ter terechtzitting afgelegde ontkennende verklaring kennelijk leugenachtig is en bedoeld om de waarheid te bemantelen. Uit de onder 28a weergegeven inhoud van het telefoongesprek blijkt duidelijk dat verdachte het liefst twee jerrycans met benzine gevuld wilde hebben. Zo als hij zelf zegt is één jerrycan voldoende voor twee scooters, nog daargelaten de vraag of er nu één of twee scooters bijgetankt moesten worden."

8. De toelichting op het hiertegen gerichte middel strekt deels ten betoge dat verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in afgeluisterde telefoongesprekken met "een tweetje" doelde op (brandstof voor) een tweetaktmotor, zodat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat verzoeker in bovenbedoeld telefoongesprek instructie gaf om (liefst) twee jerrycans te vullen.

In zoverre is miskend dat de waardering van hetgeen tot bewijs kan dienen aan de feitenrechter is voorbehouden. De uitleg die het Hof aan het bovenbedoelde telefoongesprek heeft gegeven is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet in verdergaande mate worden getoetst.

9. Overigens vindt 's Hofs oordeel dat verzoekers bovengenoemde verklaring leugenachtig is voor zover hij daarbij zijn betrokkenheid bij het feit ontkende toereikende steun in de overige bewijsmiddelen - ik wijs er overigens op dat voor het bewijs ook nog gebruik is gemaakt van een ander telefoongesprek, na het feit gevoerd, dat aldus begrepen kan worden dat verzoeker in verhullende woorden over dat feit sprak, alsmede van een verklaring van iemand die verzoeker heeft horen vertellen dat hij het feit met anderen had begaan - terwijl dat oordeel niet onbegrijpelijk is.

het middel faalt.

10. Het derde middel strekt ten betoge dat de bewezenverklaring van hetzelfde feit onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet of onvoldoende blijkt dat er een nauwe, op het begaan van dit feit gerichte, samenwerking tussen verzoeker en anderen is geweest.

11. Ook dit middel faalt. De vereiste mate van samenwerking kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

De toelichting op het middel behelst nog de klacht dat de verklaring van degene die heeft opgegeven verzoeker te hebben horen vertellen dat hij bij de brandstichting betrokken is geweest, niet tot bewijs had mogen dienen, aangezien die verklaring luidt:

"Ik wil u nu verklaren over de brand en diefstal van plasmaschermen in Nieuwegein. Een week voor [verdachte] werd aangehouden door de politie sprak ik met hem over de diefstal van de plasmaschermen in Nieuwegein en de brand in een gebouw, waar onder andere een jongerencentrum inzat. Dat is nu ongeveer 3 à 4 weken geleden. Ik sprak [verdachte] hierover in persoon en aan de telefoon. [Verdachte] vertelde toen dat de brand in Nieuwegein in eerdergenoemd gebouw door hen gesticht was om als afleiding te dienen. Uit zijn woorden begreep ik dat hij met meer mensen daar geweest was. Verder werd mij duidelijk, onder andere door de verhalen die ik in mijn vrienden en kennissenkring hoorde, dat bij de diefstal en brand vermoedelijk betrokken waren, [medeverdachte] en [betrokkene 6]. Uit het hele verhaal is mij duidelijk dat [verdachte] met die anderen die brand in Nieuwegein gesticht heeft"

en aldus uitdrukking geeft aan eigen afleidingen of conclusies die een getuigenverklaring voor het bewijs onbruikbaar maken.

12. Deze verklaring kan aldus worden verstaan dat hetgeen de getuige uit de mond van verzoeker vernam en door anderen in zijn kennissenkring hoorde vertellen - en aldus met zijn eigen zintuigen waarnam - bij hem aanstonds de overtuiging deed ontstaan dat verzoeker bij de brandstichting betrokken is geweest.

Daarmee houdt deze verklaring geen in een getuigenverklaring ontoelaatbare gissing of eigen afleiding in.

Ook dit middel faalt.

13. Het vierde middel tenslotte behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 10 onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien de voor het bewijs van dit feit gebezigde bewijsmiddelen wèl inhouden dat een bij de inbraak buitgemaakte scanner op verzoekers verblijfplaats is aangetroffen, en een bij die inbraak ontvreemde laptop in de auto van een medeverdachte is gevonden, terwijl verzoeker blijkens de bewijsmiddelen heeft verklaard dat het "kan zijn" dat hij op de dag van de inbraak in de buurt is geweest, doch de bewijsmiddelen onvoldoende aanwijzingen inhouden betreffende een bewuste en nauwe, op het begaan van het feit gerichte, samenwerking. Daarom zouden de bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat verzoeker de bij hem aangetroffen scanner heeft gekregen als deel van de buit van een niet door hemzelf gepleegd feit.

14. Afgezien van de aangifte houden de ten aanzien van dit feit gebezigde bewijsmiddelen inderdaad niet méér in dan hierboven samengevat. Het wil mij evenwel voorkomen dat die bewijsmiddelen, gelet op de overeenstemming tussen het begaan van dit en de andere, ten laste van verzoeker bewezenverklaarde inbraken, nog wel toereikend zijn om te kunnen aannemen dat verzoeker ook dit feit in bewuste samenwerking met één of meer anderen heeft begaan. Het zou verkieslijk zijn geweest dit met zoveel woorden als bewijsoverweging op te nemen, maar de overeenstemming tussen de verschillende, ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten, voor zover het inbraken betreft, lijkt mij zó duidelijk dat vernietiging van de bestreden uitspraak niet is aangewezen.

Ook het laatste middel houd ik derhalve voor tevergeefs voorgesteld.

15. Ik wijs er nog op dat het cassatieberoep bij het nemen van deze conclusie ruim een jaar geleden is ingesteld, terwijl verzoeker in verband met deze zaak is gedetineerd.

Teneinde te voorkomen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM zal worden overschreden, wordt deze conclusie bij vervroeging, namelijk ten dienende dage, genomen.

16. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,