Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU2865

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
R05/094HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU2865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz, machtiging tot voortzetting van verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, gevaarscriterium; standaardmotivering, motiveringseisen; 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 633
JWB 2005/377
BJ 2006/3
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R05/094HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 26 augustus 2005

Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

Officier van Justitie te Almelo

In deze Wet Bopz-zaak wordt een machtiging tot voortgezet verblijf bestreden met een motiveringsklacht over het gevaarscriterium.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 29 april 2005 heeft de officier van justitie te Almelo aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij het verzoek waren gevoegd een verklaring van de geneesheer-directeur (art. 16 Wet Bopz) en een afschrift van de in art. 37a Wet Bopz bedoelde aantekeningen en van het behandelingsplan.

1.2. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat alsmede de psychiater [betrokkene 1] gehoord. Bij beschikking van 17 mei 2005 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van negen maanden.

1.3. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De officier van justitie, daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter:

a. de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en

b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend (art. 15 lid 2 Wet Bopz).

2.2. Het middel klaagt dat de beschikking ontoereikend is gemotiveerd met betrekking tot het vereiste gevaar(1).

2.3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar "de overgelegde stukken en de mondelinge toelichting van de behandelend psychiater", volstaan met een standaardmotivering waarin de wettelijke maatstaf wordt herhaald. Een dergelijke wijze van motiveren kan toereikend zijn, mits de uit de gedingstukken naar vorende komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan(2).

2.4. Ten aanzien van betrokkene is in de geneeskundige verklaring als diagnose gesteld: chronische paranoïde schizofrenie. Het te vrezen gevaar is omschreven als: het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen(3). In de wettelijk voorgeschreven aantekeningen is vermeld dat betrokkene op 11 oktober 2004 in het ziekenhuis is opgenomen vanuit de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, waar zij met een inbewaringstelling was opgenomen na een poging tot suïcide. De geneeskundige verklaring vermeldt dat betrokkene tijdens de laatste RM-periode (nog) een keer suïcidale gedachten heeft gehad op basis van stemmen of opdrachten in haar hoofd. Het gaat volgens de geneeskundige verklaring om een chronische stoornis. Betrokkene heeft een afkeer van medicatie, waardoor ze die soms stopt, waarna haar toestand verslechtert. Als zij in slechtere conditie geraakt komt zij steeds vaker in conflict met haar omgeving, hetgeen veel problemen geeft, ook nog op de afdeling. Zij gaat zich suïcidaal uiten, met het risico dat ze het een keer echt doet, aldus de geneeskundige verklaring. Ter zitting heeft de behandelend psychiater een en ander bevestigd en opgemerkt dat zijns inziens de stoornis en het gevaar nog aanwezig zijn en dat hij verwacht dat betrokkene zich aan de behandeling zal onttrekken als ze hier op vrijwillige basis verblijft en opnieuw een suïcidepoging zal doen. Tegen deze achtergrond is ruimschoots duidelijk op welke stoornis en op welk gevaar de rechtbank in haar desbetreffende overweging doelt.

2.5. In het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat hiertegenover staat dat in de geneeskundige verklaring ook is gesteld dat het redelijk gaat met betrokkene, al heeft zij vanaf het begin niet willen meedoen aan therapie. Volgens het middel wil betrokkene wel medicatie gebruiken, maar minder dan door de arts voorgeschreven, dit in verband met de bijwerkingen. Het cassatiemiddel vervolgt:

"Volgens de arts zou het bij minder medicatie niet goed gaan, maar niet blijkt dat het geprobeerd is en wat er dan precies gebeurt, is ook niet helder gemaakt. Of werkelijk bij iets minder medicatie, waardoor de bijwerkingen ook minder zijn, een gevaar zal optreden dat grond is voor een vrijheidsbeneming (...) blijkt niet."

2.6. In het middel wordt niet aangevoerd dat sprake was van een concreet verweer waarop de rechtbank had behoren te responderen. Voor zover het middel het verhandelde ter terechtzitting als zodanig heeft beschouwd(4), berust het oordeel van de rechtbank op een waardering van feitelijke aard. De rechtbank heeft zich klaarblijkelijk aangesloten bij de mening van de behandelend arts dat niet met minder medicatie kan worden volstaan. Daarmee is voldoende duidelijk aangegeven dat met minder medicatie het hiervoor omschreven, te vrezen gevaar niet kan worden weggenomen. De motiveringseis gaat niet zo ver dat, na deze stellingname in eerste aanleg, de beschikking van de rechtbank reeds tekort zou schieten omdat daarin niet uitdrukkelijk is vermeld dat een ander middel of een geringere dosering reeds door de behandelend artsen is uitgeprobeerd en wat er precies gebeurt als betrokkene minder medicatie krijgt. De slotsom is dat de beschikking toereikend is gemotiveerd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Waar het middel aan het slot stelt dat "voldoende" is gemotiveerd dat sprake is van een gevaar, is kennelijk bedoeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat is voldaan aan het vereiste van art. 15, lid 2 onder a, Wet Bopz.

2 Vaste rechtspraak; zie onder meer: HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 359 m.nt. JdB; HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB.

3 Art. 1, lid 1 onder f, 1º onder a, Wet Bopz.

4 Betrokkene zelf heeft gezegd: "Ik wil minder medicatie. Ik ga absoluut niet begeleid wonen. Ik ga niet deelnemen aan therapieën, want ik zie geen baat bij deze behandeling." Haar advocaat heeft gezegd: "Het is duidelijk, mevrouw wil geen machtiging. (...) Ik vraag mij af of een machtiging voor mevrouw wel noodzakelijk is, ze is bereid medicatie te slikken maar heeft problemen met de bijwerkingen van de medicatie."