Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU2711

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
03522/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU2711
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorzover de verklaring van de districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming inhoudt dat verdachte houder is van de duiven, behelst zij een conclusie die aan de rechter is voorbehouden. Bij gebreke van andere bewijsmiddelen waaruit zou kunnen volgen dat deze conclusie terecht is getrokken, kan zij niet worden vereenzelvigd met een door het hof getrokken conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 651
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03522/04

Mr. Vellinga

Zitting: 13 september 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren veroordeeld tot een geldboete van € 750, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich (voornamelijk) tegen de bewezenverklaring en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen.

4. Ten laste van verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 5 maart 2002 te gemeente [plaats B] als houder van dieren, te weten 113 duiven, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers waren die duiven gehuisvest in een bouwkeet, waarvan de vloer sterk vervuild was met aangekoekte ontlasting en was daarin geen voerbak en voer aanwezig en stond daar een pan met sterk vervuild water."

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

- een op de bij de wet voorgeschreven wijze, door W.V.P.L. Wannyn - districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming - opgemaakt proces-verbaal, als eigen waarnemingen en bevindingen inhoudende (zakelijk weergegeven):

"Perceel [a-straat 1] te [plaats B] wordt bewoond door de familie [betrokkene 1] senior. Perceel [2] wordt soms bewoond door [verdachte]. Perceel [a-straat] is een groot rundveebedrijf op naam van [betrokkene 1]. Zoon [verdachte] houdt op ditzelfde bedrijf eveneens runderen, pony's, honden en gevogelte, zoals duiven, parkieten, pluimvee, eenden, etc.. [Betrokkene 1] senior is eigenaar van een hond. Alle andere dieren, met uitzondering van bijna alle runderen, zijn van zoon [verdachte].

Op 5 maart 2002 heb ik een controle op het bedrijf aan de [a-straat] ingesteld. Ik zag dat in een zeer vervuilde keet duiven waren gehuisvest. De huisvesting was ernstig vervuild met duivenpoep. Voorts zag ik, dat een groot aantal duiven kennelijk ziek was. Ik zag dat diverse duiven ineengedoken zaten met een dof verenkleed. Ook zag ik dat diverse duiven diarree hadden. Voorts voelde ik dat veel duiven vermagerd waren. Geen van de door mij gevoelde duiven hadden voer in de krop. Ik zag dat er geen voer was en dat het aanwezige water ernstig vervuild was. Ik zag dat in een broedhok een dode duif lag. Voorts zag ik dat ondanks het vroege voorjaarsweer de doffers in het geheel geen avances maakten ten opzichte van de duiven.

In verband met de verklaring van dierenarts Kempe zijn alle 113 duiven ter plaatse afgespoten.

Op 8 maart 2002 werd [verdachte] proces-verbaal aangezegd voor de geconstateerde feiten op 5 maart 2002. Verdachte wenste geen verklaring af te leggen."

- een verklaring van G. Kempe, dierenarts te Dedemsvaart, inhoudende (zakelijk weergegeven):

"Op 5 maart 2002 ben ik aan de [a-straat 2] te [plaats B] geweest om de daar aanwezige "duivenverzameling" te onderzoeken.

De duiven waren gehuisvest in een met legvakken voor kippen verbouwde bouwkeet; de bodem en de vakken waren sterk vervuild met dik aangekoekte ontlasting. Bijna de helft van de aanwezige duiven was vermagerd. Er was geen voerbak en/of voer aanwezig, wel een pan met een bodempje sterk vervuild water. Een aantal duiven hadden geelachtige "pokken" aan snavel en ogen. De aanwezige "verse" ontlasting was meestal slijmerig groen. In één van de vakken lag een dode duif. De duiven vertoonden verder absoluut geen paargedrag, hoewel er doffers en duivinnen waren.

Op basis van de klinische inspectie lag besmetting met Salmonella (paratyfus) en Trichomoniasis voor de hand. Gezien het infectieus karakter van beide ziekten, de klinische toestand van de vervuilde duiven en de manier van huisvesting heb ik geadviseerd de duiven (totaal 113 stuks) te euthanaseren."

6. In de toelichting op het middel wordt allereerst betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte houder was van de 113 duiven.

7. De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term "houder" is kennelijk ontleend aan de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Art. 37 van die wet regelt dat het de "houder" van een dier verboden is aan een dier de nodige verzorging te onthouden. Art. 1 (oud) van de wet definieert "houder" als: "eigenaar, houder of hoeder".

8. Bewijsmiddel 1 houdt in dat perceel [a-straat] (perceel [a-straat 2] en perceel [a-straat 1]) een groot rundveebedrijf vormt op naam van [betrokkene 1]. In dit bedrijf worden runderen, pony's, honden en gevogelte, zoals duiven, parkieten, pluimvee en eenden gehouden. [Betrokkene 1] senior (die [a-straat 1] bewoont) is eigenaar van een hond. Alle andere dieren, met uitzondering van bijna alle runderen (die kennelijk toebehoren aan [betrokkene 1]) zijn van verdachte.

9. Hieruit volgt dat de 113 duiven die werden aangetroffen op het perceel [a-straat 2] (dat soms door verdachte werd bewoond, zie bewijsmiddel 1) toebehoren aan verdachte. Derhalve kan hij als houder in de zin van de wet worden beschouwd. Overigens meen ik dat zulks ook rechtstreeks uit de verklaring van de verbalisant Wannyn kan worden afgeleid voor zover deze verklaart, zij het in algemene zin, dat [verdachte] (verdachte; WHV) op hetzelfde perceel duiven houdt.

10. In de toelichting op het middel wordt er voorts over geklaagd dat uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal niet blijkt dat het ambtsedig is opgemaakt.

11. De door het Hof opgemaakte aanvulling met de bewijsmiddelen ex art. 365a jo. art. 415 Sv houdt in dat het bedoelde proces-verbaal op de bij de wet voorgeschreven wijze is opgemaakt. Dat impliceert reeds dat het conform art. 153 lid 1 Sv op ambtseed is opgemaakt. Het zich in het dossier bevindende proces-verbaal bevestigt dat bovendien, omdat daarin wordt vermeld dat het op ambtseed is opgemaakt.

12. Dan wordt in de toelichting op het middel nog geklaagd dat de constatering in het relaas van de verbalisant Wannyn dat de 113 duiven van verdachte waren niet berust op eigen waarneming en ondervinding van de verbalisant.

13. De verbalisant laat in het midden waarop zijn waarneming berust dat de verdachte eigenaar is van alle, op het perceel [a-straat] gehouden dieren, met uitzondering van bijna alle runderen en een aan [betrokkene 1] sr. toebehorende hond, alsmede dat de verdachte- voor zover hier van belang - op genoemd perceel gevogelte houdt, zoals duiven. De enkele omstandigheid dat de verdachte perceel [a-straat 2] wel eens bewoont, biedt geen verklaring voor bedoelde waarneming. Bedoelde waarneming is in wezen een conclusie die door de rechter moet worden getrokken.(1) Nu de verbalisant hier kennelijk ten aanzien van het eigenaar en houder zijn van de verdachte van de 113 duiven een conclusie heeft getrokken(2) en andere bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat die conclusie terecht is getrokken, ontbreken, kan die conclusie niet worden vereenzelvigd met een door de rechter getrokken conclusie. De klacht is dus terecht voorgedragen.

14. Tot slot wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het feit dat sinds het begaan van het (simpele) delict inmiddels meer dan 3 jaren zijn verstreken en de redelijke termijn dus is overschreden.(3)

15. Het feit dateert van 5 maart 2002 en de inleidende dagvaarding is betekend op 8 november 2002 waarna de Politierechter op 30 december 2002 vonnis heeft gewezen. Derhalve is de zaak in eerste aanleg binnen twee jaar afgerond met een vonnis.(4) Het hoger beroep is vervolgens ingesteld op 3 januari 2003 en nu het Hof uitspraak heeft gedaan op 15 augustus 2003 is ook deze fase ruim binnen de twee jaar afgerond.(5) Ook in cassatie zal de redelijke termijn niet worden overschreden, aangezien op 2 december 2004 door verdachte cassatie is ingesteld en te verwachten valt dat de Hoge Raad ruim binnen de twee jaar arrest zal wijzen.

16. Het middel slaagt ten dele.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 21 november 2000, NJ 2001, 48 ten aanzien van de vraag wie als vervoerder een ziek varken heeft aangevoerd.

2 Vgl HR 2 juni 1987, NJ 1988, 178, waarin wel duidelijk werd hoe de verbalisant kwam tot zijn verklaring omtrent de eigendom (namelijk door raadpleging van de desbetreffende akten) en HR 18 september 1989, NJ 1990, 166 waarin de verklaring omtrent het eigenaar zijn aldus werd verstaan dat de bewuste persoon zich tegenover de getuige had gedragen als de eigenaar. Zie voorts HR 21 november 2000, NJ 2001, 48, waarin een diergeneeskundige verklaring als deskundigenverslag aan het bewijs meewerkte, doch dat niet kon voor zover deze een conclusie omtrent de aanvoer van het varken bevatte, welke conclusie immers aan de rechter is voorbehouden.

3 Het middel is niet tardief voorgesteld omdat verdachte bij verstek is veroordeeld en de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is betekend (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.9).

4 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.14. Verdachte is niet preventief gedetineerd en het betrof ook geen jeugdzaak.

5 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.16.