Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU2689

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2005
Datum publicatie
01-11-2005
Zaaknummer
00685/05
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2004:AR4426
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU2689
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontoereikend gemotiveerde afwijzing getuigenverzoek. Het per brief van 5-1-04 aan de AG gedane getuigenverzoek voor de terechtzitting van 22-1-04 is een verzoek ex art. 287.3a (oud) jo. 415 Sv. Maatstaf voor de beoordeling van zo’n verzoek is ex art. 288.1c jo. 415 Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad. Gelet op de vragen die de raadsman aan de getuige wilde stellen, zoals vermeld in zijn brief aan de AG, is het oordeel van het hof dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de getuige enige deskundigheid heeft op het gebied van scooters, onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de identificatie van de bij het misdrijf gebruikte brommer een belangrijke rol speelt bij de bewijsvoering en dat de getuige in zijn bij de politie afgelegde verklaring een bepaald merk van die brommer heeft genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 611
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00685/05

Mr. Vellinga

Zitting: 13 september 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens medeplegen van moord veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte], nummer 00691/05. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, negen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel betreft de afwijzing door het Hof van het bij brief van 5 januari 2004 gedane verzoek om opsporingsambtenaar J. Tol als getuige op te roepen. Het Hof heeft die beslissing in het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2004 gemotiveerd door te overwegen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door het niet oproepen van deze getuige redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad omdat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd. Het middel klaagt erover dat het verzoek Tol als getuige op te roepen wel degelijk was gemotiveerd, nu de verdediging heeft toegelicht hem te willen ondervragen over de door hem samengestelde fotomap van scooters en de aan de hand daarvan bij verschillende getuigen uitgevoerde fotoconfrontaties.

5. In het verzoek is door zijn raadsman naar voren gebracht dat verdachte de volledige juistheid van de verklaringen/processen-verbaal van deze getuige ontkent, dat hij hem wil ondervragen over diens deskundigheid op het gebied van fotoconfrontaties en dat van scooters en voorts over het (al dan niet) tonen van de door hem samengestelde map foto's aan getuigen.

6. Het Hof heeft met zijn beslissing klaarblijkelijk tot uitdrukking gebracht dat bij gebreke van een nadere toelichting niet valt in te zien hoe deze vragen kunnen worden gerelateerd aan de niet nader geconcretiseerde stelling die aan het verzoek ten grondslag ligt dat de verklaringen/processen-verbaal van deze getuige niet volledig juist zijn. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat genoemde vragen geen aanknopingspunten behelzen voor het toetsen van de juistheid van hetgeen de getuige heeft gerelateerd. De klacht faalt.

7. Het middel klaagt er voorts over dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op het bij pleidooi herhaalde verzoek J. Tol als getuige op te roepen. De pleitnotitie in hoger beroep, voorgedragen ter zitting van 29 juni 2004, bevat het verzoek om alle eerder gedane verzoeken tot het horen van getuigen als herhaald en ingelast te beschouwen. Het Hof heeft noch in het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2004 noch in de bestreden uitspraak (nogmaals) op het verzoek om J. Tol als getuige op te roepen beslist.

8. Op een verzoek tot het horen van getuigen dient ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid te worden beslist. In aanmerking genomen evenwel dat

a) het Hof het bij brief van 5 januari 2004 gedane en ter terechtzitting van 22 januari 2004 herhaalde verzoek tot het oproepen van J. Tol als getuige ter terechtzitting van 22 januari 2004 met toepassing van de juiste maatstaf en toereikend gemotiveerd heeft afgewezen,

b) de raadsman ter terechtzitting van 29 juni 2004 heeft gepersisteerd bij bedoeld verzoek zonder dat hij is ingegaan op de door het Hof aan diens beslissing gegeven motivering en zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden en

c) 's Hofs tussenbeslissing van 22 januari 2004, waarop de bestreden uitspraak mede steunt, in cassatie zonder vrucht wordt bestreden,

heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat in de einduitspraak van het Hof een uitdrukkelijke beslissing ontbreekt omtrent een verzoek dat, ook voor wat de gronden betreft, louter een herhaling behelst van het ter terechtzitting van 22 januari 2004 afgewezen verzoek.(1)

De klacht faalt.

9. Het middel bevat tot slot de klacht dat verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden doordat hij is veroordeeld mede op grond van de verklaringen van J. Tol, terwijl hij op geen enkel moment in de procedure in staat is geweest hem als getuige te horen.

10. Tot de bewijsmiddelen behoren twee door J. Tol opgemaakte processen-verbaal. In dat van 3 april 2002 (bewijsmiddel 4) relateert hij dat de medeverdachte [medeverdachte] kort daarvoor was aangehouden, dat toen onderzoek is ingesteld naar een bromfiets, merk Aprilia, type Rally 50, kleur kobaltblauw, dat hij van dit merk en type scooter en van zes andere merken en typen fotoprints van het internet heeft gehaald, die hij in een fotomap heeft gedaan. Blijkens het proces-verbaal van 4 april 2002 (bewijsmiddel 5) heeft J. Tol die fotomap vervolgens voorgelegd aan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Beiden hebben de scooter van het merk Aprilia, type Rally 50, aangewezen als het meest gelijkend op de bij het schietincident betrokken scooter.

11. Blijkens de pleitnotities is voor het Hof het bewijsverweer gevoerd dat gelet op de vele verschillende getuigenverklaringen over het uiterlijk van de brommer/scooter waarop de schutter en zijn mededader zaten niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het ging om een brommer van het merk Aprilia, type Rally 50, kleur kobaltblauw. Niet bestreden is dat de medeverdachte [medeverdachte] over een brommer van dat type beschikte en dat deze bij zijn aanhouding op 21 februari 2002 is onderzocht. Zoals bij de behandeling van de eerste klacht van het middel al is opgemerkt, gingen de vragen die de verdediging aan de getuige wilde stellen heen langs de door de verdediging niet nader geconcretiseerde stelling dat diens getuigenverklaringen/processen-verbaal niet volledig juist waren. In welke zin verdachte door het achterwege blijven van het oproepen van J. Tol als getuige zou zijn tekort gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in art. 6 EVRM is in dat verband dus niet direct duidelijk. Het middel verduidelijkt dat ook niet.

12. Voor zover de verdediging beoogde J. Tol voor het Hof te ondervragen over zijn verklaring dat de medeverdachte [medeverdachte] over een brommer van het bedoelde merk en type kon beschikken - uit het verzoek tot het horen van de getuige blijkt dit niet - zij opgemerkt dat de bewijsmiddelen op dit punt een overdaad aan steunbewijs bevatten en het ontbreken van de gelegenheid de getuige Tol te horen derhalve geen strijd oplevert met het bepaalde in art. 6 lid 3 onder d EVRM en derhalve ook om die reden niet valt in te zien waarom het ontbreken van bedoelde gelegenheid zou moeten meebrengen dat de verdachte geen eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM heeft gehad.(2) De klacht faalt.

13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

14. Het tweede middel betreft de afwijzing van het verzoek om de opsporingsambtenaar J.Y. Cerrone als getuige op te roepen. Ook dit verzoek is in eerste instantie gedaan bij brief van 5 januari 2004. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2004 heeft het Hof dit verzoek afgewezen en daartoe overwogen dat de getuige in een te ver verwijderd verband staat met het strafbare feit.

15. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op het bij pleidooi herhaalde verzoek J.Y. Cerrone als getuige op te roepen. De pleitnotitie in hoger beroep, voorgedragen ter zitting van 29 juni 2004, bevat het verzoek om alle eerder gedane verzoeken tot het horen van getuigen als herhaald en ingelast te beschouwen. Het Hof heeft noch in het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2004 noch in de bestreden uitspraak (nogmaals) op het verzoek om J.Y. Cerrone als getuige op te roepen beslist.

16. Op een verzoek tot het horen van getuigen dient ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid te worden beslist. In aanmerking genomen evenwel dat

a) het Hof het bij brief van 5 januari 2004 gedane en ter terechtzitting van 22 januari 2004 herhaalde gedane verzoek tot het oproepen van J.Y. Cerrone als getuige ter terechtzitting van 22 januari 2004 met toepassing van de juiste maatstaf en gemotiveerd heeft afgewezen,

b) de raadsman ter terechtzitting van 29 juni 2004 heeft gepersisteerd bij bedoeld verzoek zonder dat hij is ingegaan op de door het Hof aan diens beslissing gegeven motivering en zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden en

c) 's Hofs tussenbeslissing van 22 januari 2004, waarop de bestreden uitspraak mede steunt, in cassatie niet is bestreden,

heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat in de einduitspraak van het Hof een uitdrukkelijke beslissing ontbreekt omtrent een verzoek dat, ook voor wat de gronden betreft, louter een herhaling behelst van het ter terechtzitting van 22 januari 2004 afgewezen verzoek.(3)

De klacht faalt.

17. Het middel bevat voorts de klacht dat verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden doordat hij is veroordeeld mede op grond van de verklaringen van J.Y. Cerrone, terwijl hij op geen enkel moment in de procedure in staat is geweest hem als getuige te horen.

18. Uit het verzoek om J.Y. Cerrone als getuige op te roepen blijkt dat de verdediging hem wenste te ondervragen over door hem en een collega verricht onderzoek naar de mogelijke bestemming van het slachtoffer op de ochtend van de moord. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal is niet voor het bewijs gebruikt. Wel is een ander mede door J.Y. Cerrone opgemaakt proces-verbaal voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 5), maar de inhoud daarvan is door de verdediging voor het Hof niet betwist en de verdediging heeft ook niet kenbaar gemaakt de getuige over die verklaring te willen ondervragen. Voorts in aanmerking genomen dat bedoeld onderzoek noch tot voor verdachte belastende noch tot voor verdachte ontlastende gegevens heeft geleid, kan niet worden gezegd dat verdachte door het achterwege blijven van het als getuige oproepen van J.Y. Cerrone in zijn door art. 6 EVRM beschermd recht op een eerlijk proces is geschaad.

19. Het middel faalt.

20. Het derde middel betreft de afwijzing van de verzoeken om de in het middel genoemde personen als getuige op te roepen. Ook de verzoeken tot het oproepen van deze getuigen zijn in eerste instantie gedaan bij brief van 5 januari 2004. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2004 heeft het Hof deze verzoeken afgewezen en daartoe overwogen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.

21. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op het bij pleidooi herhaalde verzoek deze personen als getuige op te roepen. De pleitnotitie in hoger beroep, voorgedragen ter zitting van 29 juni 2004, bevat het verzoek om alle eerder gedane verzoeken tot het horen van getuigen als herhaald en ingelast te beschouwen. Het Hof heeft noch in het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2004 noch in de bestreden uitspraak (nogmaals) op de verzoeken deze personen als getuige op te roepen beslist.

22. Op een verzoek tot het horen van getuigen dient ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid te worden beslist. In aanmerking genomen evenwel dat

a) het Hof het bij brief van 5 januari 2004 gedane en ter terechtzitting van 22 januari 2004 herhaalde verzoek tot het oproepen van de desbetreffende personen als getuige ter terechtzitting van 22 januari 2004 met toepassing van de juiste maatstaf en gemotiveerd heeft afgewezen,

b) de raadsman ter terechtzitting van 29 juni 2004 heeft gepersisteerd bij bedoeld verzoek zonder dat hij is ingegaan op de door het Hof aan diens beslissing gegeven motivering en zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden en

c) 's Hofs tussenbeslissing van 22 januari 2004, waarop de bestreden uitspraak mede steunt, in cassatie niet is bestreden,

heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat in de einduitspraak van het Hof uitdrukkelijke beslissingen ontbreken omtrent verzoeken die, ook voor wat de gronden betreft, louter een herhaling behelzen van de ter terechtzitting van 22 januari 2004 afgewezen verzoeken.(4)

23. Het middel faalt.

24. Het vierde middel klaagt erover dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. De verdediging heeft bij brief van 5 januari 2004 om het horen van deze getuige verzocht. Het verzoek is erop gericht de getuige te ondervragen over zijn tegenover de politie afgelegde verklaring, met name op het punt van de scooter. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op de ochtend van 26 maart 2002 schoten hoorde, naar buiten keek, een man van zijn fiets zag vallen en een persoon met een witte helm op een brommer zag wegrijden. Het betrof volgens zijn verklaring een kleine zwarte brommer, waarschijnlijk van het merk Gilera. Blijkens het verzoek had de verdediging de volgende vragen voor deze getuige:

"a. Heeft hij verstand van scooters?

b. Hoe kwam hij erbij om te stellen dat de brommer vermoedelijk was van het merk Gilera?

c. Heeft hij een verzekeringsplaatje gezien op de scooter?

d. Hoe lang heeft hij de scooter gezien?

e. Heeft hij de scooter vaker gezien?"

25. Het Hof heeft overwogen dat de verdediging door de afwijzing redelijkerwijs niet in enig belang is geschaad, nu niet aannemelijk is geworden dat de getuige enige deskundigheid heeft op het gebied van scooters.

26. Het middel klaagt terecht dat het Hof hier ten onrechte is vooruitgelopen op de inhoud van de verklaring van de getuige. Doel van het horen van de getuige was immers onder meer om na te gaan of hij verstand had van scooters.(5) Daarbij teken ik aan dat gelet op de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet ging om een irrelevante kwestie.

27. Het middel slaagt.

28. Het vijfde middel betreft een bij pleidooi (p. 3) gedaan verzoek de zaaksofficier van justitie C. Zijlstra als getuige te horen inzake afspraken tussen het Openbaar Ministerie en/of de politie en [betrokkene 2]. Volgens het middel heeft het hof verzuimd op dat verzoek te beslissen hetgeen nietigheid van het arrest van het Hof meebrengt.

29. Genoemd verzoek is gedaan in het kader van een door het Hof verworpen verweer dat door het Hof als volgt is samengevat en verworpen.

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 2] onbruikbaar zijn voor het bewijs, omdat de officier van justitie toezeggingen aan deze getuige heeft gedaan die strijdig zijn met de "Tijdelijke aanwijzing toezegging aan getuigen in strafzaken" van 13 juli 2001. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de getuige [betrokkene 2] tijdens zijn detentie vrijelijk contacten met derden kon onderhouden door middel van een mobiele telefoon en voorts dat tegen [betrokkene 2] in de onderhavige zaak geen vervolging is ingesteld, terwijl deze ook zelf heeft verklaard te hebben bemiddeld bij de aanschaf van een vuurwapen. Op grond hiervan heeft de raadsman geconcludeerd dat de verklaringen van [betrokkene 2] in strijd met het bepaalde in de Tijdelijke aanwijzing tot stand zijn gekomen.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat aan [betrokkene 2] toezeggingen als bedoeld in de Tijdelijke aanwijzing zijn gedaan en overweegt dienaangaande als volgt.

De omstandigheid dat [betrokkene 2] in het Huis van bewaring over een mobiele telefoon beschikte, die hij -naar zijn zeggen- van een bewaker of mede-gedetineerde had ontvangen, duidt niet op enige toezegging als door de raadsman bedoeld.

Toen de betrokken verbalisanten van [betrokkene 2] vernamen dat hij vanuit zijn cel met een mobiele telefoon kon telefoneren, hebben zij de daarvoor geldende meldingsprocedure gevolgd, waarna een onderzoek door de rijksrecherche is gevolgd.

Noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken dat [betrokkene 2] in verband met de onderhavige strafzaak met bedoelde gsm gesprekken heeft gevoerd.

De beslissing van de officier van justitie om [betrokkene 2] terzake van de levering van een vuurwapen niet te zullen vervolgen kan op grond van het opportuniteitsbeginsel slechts marginaal worden getoetst.

Van het door de raadsman in dit verband gestelde, dat het Openbaar Ministerie aan [betrokkene 2] heeft toegezegd hem niet te vervolgen voor genoemd strafbaar feit indien hij als getuige in de onderhavige strafzaak één of meer verklaringen zou afleggen, is niet gebleken.

Het hof verwerpt derhalve het verweer."

30. De verdediging heeft op grond van het bepaalde in art. 315 Sv de bevoegdheid de rechter te verzoeken getuigen op te roepen. Het verzoek moet voldoende stellig en duidelijk zijn omschreven, de te horen getuigen moeten met name zijn vermeld.(6) De rechter dient op een dergelijk verzoek een beslissing te nemen (art. 328 Sv). Het achterwege blijven van die beslissing heeft nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg (art. 330 Sv).(7) De beslissing moet worden opgenomen in het proces-verbaal van de zitting of in het verkorte arrest(8).

31. Noch het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2004 noch het bestreden arrest bevat een beslissing op het verzoek C. Zijlstra als getuige op te roepen. Dat brengt mij op de vraag of het verzoek voldoende stellig en duidelijk is omschreven.

32. Ter toelichting op het ter zitting van 29 juni 2004 bij pleidooi gedane verzoek de zaaksofficier van justitie C. Zijlstra als getuige op te roepen is aangevoerd dat zij de beslissing heeft genomen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet te vervolgen en dat haar verklaring een nader licht zal werpen op de tussen het OM en/of de politie en de getuigen gemaakte afspraken.

33. Deze onderbouwing van het verzoek kan niet los worden gezien van de omstandigheid dat de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor de onderhavige zaak van zoveel belang zijn dat deze door het Hof voor het bewijs zijn gebruikt en wel met name voor de wijze waarop zij [verdachte] een vuurwapen hebben verschaft. Voorts kan die onderbouwing niet los worden gezien van de volgende feiten, die het Hof heeft vastgesteld dan wel van de juistheid waarvan in cassatie moet worden uitgegaan omdat deze in het kader van het onderhavige verweer zijn gesteld en de juistheid daarvan door het hof in het midden is gelaten:

- ten tijde van zijn detentie voor een ander delict dan het verschaffen van het onderhavige vuurwapen beschikte [betrokkene 2] over een mobiele telefoon; hiermee voerde hij gesprekken met de politie;

- [betrokkene 2] is uit de gevangenis gelicht en door de politie in contact gebracht met mogelijke getuigen ([betrokkene 4] en [medeverdachte]) teneinde deze te bewegen met de politie te gaan praten;

- [betrokkene 2] wordt voor het verschaffen van het vuurwapen aan [verdachte] in afwijking van het gebruikelijke vervolgingsbeleid niet vervolgd(9);

- op aanwijzen van de Officier van Justitie is de rijksrecherche pas van [betrokkene 2]s bezit van de mobiele telefoon in kennis gesteld toen [betrokkene 2] in vrijheid was gesteld, en wel in verband met diens persoonlijke veiligheid.

34. Tegen deze achtergrond kan het verzoek de Officier van Justitie als getuige te horen moeilijk anders worden begrepen dan dat dit er op is gericht de betrouwbaarheid van de verklaring van met name de getuige [betrokkene 2] te toetsen in verband met de inschikkelijkheid die blijkens genoemde feiten kennelijk jegens hem is betracht. Het verzoek is dan ook voldoende stellig en duidelijk gedaan.(10)

35. Het middel slaagt.

36. Het zesde middel klaagt over de motivering van de verwerping van het verweer dat de verklaringen van [betrokkene 2] niet bruikbaar zijn voor het bewijs omdat de Officier van Justitie toezeggingen aan deze getuige heeft gedaan die strijdig zijn met de "Tijdelijke aanwijzing toezegging aan getuigen in strafzaken" van 13 juli 2001.

37. De motivering van het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat aan [betrokkene 2] toezeggingen zijn gedaan in strijd met genoemde aanwijzing, berust op twee gronden:

a. het beschikken over een mobiele telefoon duidt niet op een dergelijke toezegging;

b. de beslissing van de Officier van Justitie [betrokkene 2] niet te vervolgen wegens handelen in strijd met de Wet wapens en munitie kan slechts marginaal getoetst worden.

38. Om met die laatste grond te beginnen: het mag zo zijn dat de beslissing om niet te vervolgen slechts marginaal getoetst kan worden, dit zegt in mijn ogen nog niets over de vraag of de genomen beslissing is voortgevloeid uit een toezegging als in genoemde aanwijzing bedoeld. Feit blijft immers, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, dat is beslist dat [betrokkene 2] niet is vervolgd voor een ernstig delict als het afleveren van een vuurwapen. Op dat feit, dat door het Hof kennelijk voor juist is aangenomen, is het verweer mede gestoeld. Aan dat verweer gaat het Hof dus voorbij.

39. Dan de eerste grond. Het Hof gaat er met verdachtes raadsman vanuit dat [betrokkene 2] in de cel beschikte over een mobiele telefoon. Op een toezegging als in het verweer bedoeld duidt dit bezit volgens het Hof niet, omdat de verbalisanten de daarvoor geldende meldingsprocedure hebben gevolgd en voorts, omdat niet is gebleken dat [betrokkene 2] in verband met de onderhavige strafzaak gesprekken met die telefoon heeft gevoerd.

40. Het middel voert aan dat het oordeel, dat met de gsm door [betrokkene 2] in verband met deze zaak geen gesprekken zijn gevoerd, onbegrijpelijk is. Het wijst daartoe op bij de rechter-commissaris en ter zitting afgelegde verklaringen van de opsporingsambtenaren J.N. Tieman en R.C.P. van der Werff en van [betrokkene 2] zelf. Uit die verklaringen blijkt inderdaad dat [betrokkene 2] en J.N. Tieman via de mobiele telefoon contact met elkaar hebben gehad terwijl [betrokkene 2] - in verband met een andere zaak - gedetineerd was.

41. Het Hof heeft in het hierboven weergegeven oordeel gerespondeerd op het door de raadsman gevoerde verweer. In dit verweer wordt er de nadruk op gelegd dat, toen eenmaal bekend was dat [betrokkene 2] in zijn cel in het bezit was van een mobiele telefoon, deze hem niet is afgenomen, integendeel hij is op die telefoon gebeld door J.N. Tieman. In het verweer is gesteld dat de beslissing [betrokkene 2] zijn telefoon te laten behouden een door het Openbaar Ministerie verrichte tegenprestatie was voor de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen.

42. Met zijn oordeel dat met de mobiele telefoon in verband met deze zaak geen gesprekken zijn gevoerd heeft het Hof kennelijk - zij het wat ongelukkig geformuleerd - tot uitdrukking gebracht dat niet is gebleken dat de telefoon is gebruikt voor het met [betrokkene 2] inhoudelijk bespreken van de zaak. De in het middel aangehaalde verklaringen maken dit oordeel niet onbegrijpelijk. N.J. Tieman heeft immers verklaard dat hij via de mobiele telefoon alleen 'praatje pot gesprekken' heeft gevoerd. Ik ken deze zegswijze niet maar begrijp uit de context dat is bedoeld dat het over koetjes en kalfjes ging.

43. Het middel klaagt verder over de overweging dat Tieman en Van der Werff melding hebben gemaakt van [betrokkene 2]s bezit van een mobiele telefoon en dat daarop een onderzoek door de Rijksrecherche is gevolgd. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn omdat het onderzoek door de Rijksrecherche pas heeft plaatsgevonden nadat [betrokkene 2] was vrijgelaten. Dit laatste blijkt inderdaad uit het dossier, maar die enkele omstandigheid maakt het oordeel van het Hof nog niet onbegrijpelijk. Zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld is die gang van zaken immers ingegeven door zorg om de veiligheid van [betrokkene 2]. Daarom behoeft louter in die gang van zaken geen aanwijzing besloten te liggen dat sprake was van een toezegging als door het middel bedoeld.

44. De laatste klacht van het middel luidt dat het Hof in het gevoerde verweer had moeten lezen dat het Openbaar Ministerie gehandeld heeft als ware aan de getuige een toezegging gedaan. Deze klacht is niet verenigbaar met hetgeen bij pleidooi is aangevoerd. Daarin is immers onomwonden gesteld (p. 89) dat een toezegging in de zin van bedoelde aanwijzing, hetzij impliciet hetzij expliciet, is gedaan terwijl de door het Hof gebezigde motivering er niet op wijst dat het niet ook heeft onderzocht of impliciet een toezegging aan [betrokkene 2] was gedaan. Deze klacht gaat dus niet op.

45. Hetgeen het Hof overweegt over het bezit van de mobiele telefoon door [betrokkene 2] kan de verwerping van het beroep op een toezegging als in het middel bedoeld niet zelfstandig dragen. Daarmee blijft immers open hetgeen is opgeworpen met betrekking tot het achterwege blijven van de vervolging van [betrokkene 2] voor het afleveren van het moordwapen, omdat het Hof daarover niet ter zake heeft overwogen. Dit betekent dat de verwerping van genoemd verweer niet begrijpelijk is en het middel dus slaagt.

46. Aan de bespreking van de middelen vijf en zes voeg ik nog één opmerking toe. Wil het niet vervolgen van [betrokkene 2] voor het afleveren van het vuurwapen van invloed zijn geweest op de inhoud van zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen dan is van wezenlijk belang dat de beslissing tot niet vervolgen hem voordien of bij gelegenheid van het afleggen van die verklaringen ter ore is gekomen dan wel in het vooruitzicht gesteld. Noch in het verzoek tot het horen van de Officier van Justitie als getuige noch in het beroep op de onbruikbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] wordt daarop met zoveel woorden gewezen. Strikt genomen zou op die grond het verzoek tot het horen van genoemde getuige als onvoldoende onderbouwd kunnen worden aangemerkt , hetgeen zou meebrengen dat het vijfde middel zou falen. Dan zou ook kunnen worden geoordeeld dat het Hof het beroep op onbruikbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] terecht zou hebben verworpen wat er zij van de gronden die het Hof daarvoor heeft gebezigd, hetgeen uiteindelijk ook zou moeten leiden tot het falen van het zesde middel. Deze weg heb ik niet gevolgd. Juist omdat een beloning achteraf voor verklaringen de betrouwbaarheid daarvan moeilijk kan beïnvloeden heb ik genoemd verzoek en genoemd verweer aldus opgevat dat daarin besloten ligt dat [betrokkene 2] - kort gezegd - op de hoogte is geraakt van niet-vervolgen voor aflevering van het vuurwapen toen dit de betrouwbaarheid van zijn verklaringen kon beïnvloeden. Kennelijk heeft het Hof dat ook gedaan omdat anders een andere wijze van verwerping van het beroep op de onbruikbaarheid van [betrokkene 2]s verklaringen voor de hand had gelegen. Voorts is van belang dat de door mij niet gevolgde weg niet alleen op gespannen voet staat met de uitleg die het Hof kennelijk aan het verweer heeft gegeven, maar dat deze ook zou ook meebrengen dat verdachtes verzoek en verweer bepaald onwelwillend zouden moeten worden uitgelegd, 's Hofs arrest daarentegen uitgesproken welwillend. Een dergelijke, in mijn ogen onevenwichtige aanpak ligt niet voor de hand. Daar komt nog bij dat als genoemde vervolgingsbeslissing [betrokkene 2] pas ter ore zou zijn gekomen na het afleggen van zijn voor het bewijs gebezigde verklaringen, het voor de hand had gelegen dat de Advoaat-Generaal bij het Hof in die geest op het verweer zou hebben gereageerd en het Hof daarop zou hebben voortgeborduurd.. Daarmee was de kou immers uit de lucht geweest.

47. Het zevende middel betreft een verweer dat door het Hof als volgt is samengevat en verworpen.

"De raadsman heeft voorts betoogd, dat het openbaar ministerie in deze zaak de getuige [betrokkene 2] stelselmatig informatie heeft laten inwinnen over de verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte], zonder dat daartoe een bevel krachtens artikel 126v van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorhanden was. Aangezien sprake is van strijd met genoemde bepaling, heeft dit tot gevolg dat het inzetten van [betrokkene 2] onrechtmatig is geweest. Dit moet leiden tot (primair) uitsluiting van bewijs dan wel (subsidiair) tot strafvermindering.

De raadsman heeft in dit verband, meer subsidiair, nog betoogd dat de handelwijze van de politie strijd oplevert met artikel 8 EVRM nu zij de getuige [betrokkene 2] opsporingsactiviteiten heeft laten verrichten waartoe deze niet bevoegd was.

Het hof overweegt omtrent het verweer dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld als volgt.

'Stelselmatig inwinnen van informatie omtrent een persoon' als vermeld in artikel 126v Sv wordt gedefinieerd als: het gericht activeren van een informant op een persoon met het oogmerk om een zo volledig mogelijk beeld van bepaalde aspecten van het leven van die persoon in kaart te brengen.

Naar het oordeel van het hof is daarvan in deze zaak niet gebleken, zodat dit verweer faalt.

Omtrent het meer subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof als volgt.

Onder opsporing in de zin van het Wetboek van Strafvordering worden de activiteiten verstaan die opsporingsambtenaren bevoegd zijn te ontplooien in reactie op het vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, teneinde tot opheldering van dat vermoeden te komen.

De verbalisanten die de getuige [betrokkene 2] hebben gehoord, hebben -onder meer ter terechtzitting in hoger beroep als getuigen- verklaard dat zij er zelf bij waren toen zij [betrokkene 2] in contact brachten met mogelijke andere getuigen, zoals [medeverdachte] en [betrokkene 4]. Uit het dossier blijkt voorts, dat [betrokkene 2] met die andere getuigen heeft gesproken onder begeleiding van en in nauw contact met bedoelde verbalisanten. Deze handelwijze maakte deel uit van de wijze van opsporing die door het team waarvan de verbalisanten deel uitmaakten werd voorgestaan en was erop gericht bedoelde anderen als getuigen een verklaring in de onderhavige zaak te laten afleggen. De opsporingsactiviteiten zijn derhalve door de verbalisanten ontplooid.

De bedoelde getuigen hebben, na hun contact met [betrokkene 2], verklaringen afgelegd tegenover de verbalisanten, welke verklaringen overigens niet voor het bewijs zullen worden gebruikt.

In het dossier is telkens gerelateerd hoe een en ander is verlopen.

Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat [betrokkene 2] geen opsporingsactiviteiten heeft verricht. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen."

48. Het middel vestigt de aandacht op de wijze waarop [betrokkene 2] door de opsporingsambtenaren in het onderzoek is betrokken. Hij is gelicht uit het Huis van Bewaring met het doel om andere getuigen te laten verklaren. Hij heeft met andere getuigen contact gehad, onder wie [medeverdachte]. Van zijn gesprekken met de getuigen heeft [betrokkene 2] verslag uitgebracht bij de opsporingsambtenaren. Het middel betoogt dat in het licht van deze omstandigheden het oordeel van het Hof dat [betrokkene 2] geen opsporingshandelingen heeft verricht onbegrijpelijk is.

49. Het Hof heeft met het bovenstaande oordeel gereageerd op het verweer dat de door [betrokkene 2] aan het onderzoek geleverde bijdrage strijdig zou zijn met art. 126v Sv en/of art. 8 EVRM. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent deze bepalingen. In het middel wordt ook niet aangevoerd dat en waarom deze bepalingen zouden zijn geschonden. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat het Hof niet heeft geduid hoe de activiteiten van [betrokkene 2] moeten worden gekenschetst als het geen opsporingshandelingen zijn. Ook al zouden die activiteiten in het kader van het Wetboek van Strafvordering niet nader te duiden zijn, dan is daarmee immers nog niet gezegd dat het opsporingshandelingen zouden zijn. Overigens heeft de verdachte bij zijn middel geen belang nu het Hof, naar het ook uitdrukkelijk heeft overwogen, geen van de verklaringen van door [betrokkene 2] benaderde getuigen aan het bewijs heeft laten bijdragen.

50. Het middel faalt.

51. Het achtste middel klaagt over de bewezenverklaring van de voorbedachte raad. Het voert aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededader na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer van het leven hebben beroofd.

52. De bewijsmiddelen houden - voor zover hier van belang - het volgende in.

a. Verdachte en zijn medeverdachte hebben contact opgenomen met [betrokkene 2] met de vraag of hij een wapen kon regelen. Deze heeft hun een wapen van het merk Tokarev, type TT33, verkocht. (Bewijsmiddelen 12 tot en met 16)

b. Op 26 maart 2002 ziet een getuige een scooter met daarop twee jonge mannen. Zij rijden een fietsende man tegemoet. Hij hoort twee schoten en ziet de man van de fiets vallen. De scooter rijd hard weg. (Bewijsmiddel 1)

c. Een andere getuige hoort ook schoten en ziet iemand op de grond liggen en twee personen op een scooter gehaast wegrijden. (Bewijsmiddel 2)

d. Een derde getuige verklaart dat hij twee jongens op een bromscooter langzaam heeft zien rondrijden op een parkeerplaats, alsof ze iets aan het zoeken waren. Kort daarna hoort hij schoten, ziet buiten een man op straat liggen en ziet de jongens op de scooter wegrijden. (Bewijsmiddel 3)

e. De onder b. en c. bedoelde getuigen herkennen in een fotoserie de scooter van de medeverdachte als degene die het meest lijkt op die ze hebben gezien. (Bewijsmiddelen 4 en 5)

f. Volgens een getuige heeft de medeverdachte tegen hem gezegd dat hij zijn vader heeft afgeschoten en dat hij verdachte daarin heeft meegesleurd. Uit dezelfde verklaring blijkt ook dat verdachte achterop de scooter zat. (Bewijsmiddel 11)

g. Het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van schotwonden. De kogels zijn waarschijnlijk afgevuurd met een pistool van het merk Tokarev, type TT33.

53. Uit de bewijsmiddelen 1, 2 en 3 kan worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer hebben opgewacht, dat een van hen het eerder aangeschafte pistool heeft getrokken en het slachtoffer met kogels heeft doorzeefd en dat zij vervolgens hard zijn weggereden. Hierin ligt besloten dat verdachte voorafgaand aan het schieten de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.(11) De bewezenverklaarde voorbedachte raad kan dus uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

54. Het middel faalt.

55. Het negende middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte het feit heeft medegepleegd.

56. In de toelichting op het middel wordt er aan voorbijgegaan dat de verdachte en zijn medeverdachte, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, gezamenlijk het vuurwapen hebben gekocht waarmee de bewezenverklaarde moord is gepleegd.

57. Voorts in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer met het gekochte wapen op zak in de vroege ochtend van 26 maart 2002 hebben opgewacht, dat een van hen vervolgens het pistool heeft getrokken en van geringe afstand meerdere schoten op het slachtoffer heeft afgevuurd en dat zij vervolgens hard zijn weggereden op de scooter, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte en de medeverdachte hebben gehandeld in zo bewuste, nauwe en volledige samenwerking dat van medeplegen van moord kan worden gesproken.

58. Het middel faalt.

59. Voor zover de middelen falen kunnen deze worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

60. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

61. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 3 juli 2001, NJ 2001, 535; HR 5 juli 2005, NJ 2005, 366.

2 Vgl. bijv. HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672; EHRM 2 juli 2002, S.N. tegen Zweden, NJ 2003, 671.

3 HR 3 juli 2001, NJ 2001, 535; HR 5 juli 2005, NJ 2005, 366.

4 HR 3 juli 2001, NJ 2001, 535; HR 5 juli 2005, LJN: AT5727.

5 Zie D.J. van Zeben, Het desgevraagd horen van getuigen in strafzaken, Trema 2005, p. 93 - 107, in het bijzonder p. 98 en de daar genoemde rechtspraak. Zie ook het recente arrest HR 30 augustus 2005, nr. 03651/04.

6 HR 23 november 1999, NJ 2000, 128.

7 Zie onder meer HR 11 september 2001, NJ 2002, 218; HR 16 september 2003, nr. 00359/03; HR 3 februari 2004, 00557/03; Corstens, 4e druk, p. 533.

8 Vgl. HR 28 mei 1991, NJ 1991, 772.

9 Het requireerbeleid voor het (medeplegen van) incidenteel overdragen of verhandelen van een pistool houdt, blijkens de Richtlijn voor strafvordering Wet wapens en munitie (Stcrt. 1999, 62) en de Instructie beleidsregels Openbaar Ministerie, in dat een taakstraf wordt geëist.

10 Vgl. HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 148

11 HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605.