Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU2407

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
C04/228HR (1415)
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU2407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigening met bedrijfsverplaatsing, geschil over de vraag of de onteigenaar de verplaatsing van het gehele bedrijf van de onteigende als onteigeningsgevolg dient te vergoeden, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 682
JWB 2005/413
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/228HR (1415)

Mr L. Strikwerda

Zt. 9 sept. 2005

conclusie inzake

[eiseres]

tegen

De Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. Als gevolg van onteigening van percelen waarop zich een gedeelte van door thans eiseres tot cassatie gehuurde opstallen bevond, is de huur daarvan geëindigd. Inzet van deze zaak is de vraag of de onteigenaar de verplaatsing van het gehele bedrijf van eiseres als onteigeningsgevolg dient te vergoeden.

2. Voor zover thans in cassatie van belang dient van de volgende feiten te worden uitgegaan (zie r.o. 2.5 van het bestreden vonnis).

(i) Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) heeft een bedrijf dat zich richt op de afhandeling van bloemen op de luchthaven Schiphol. Het bedrijf werd tot de maand augustus 2000 gevoerd in een aantal daartoe gehuurde ruimten aan de [a-straat] te [plaats], te weten (per augustus 2000) aan de [a-straat 1] (1483 m²), de [a-straat 2] (3223 m²) en de [a-straat 3/4] (750 m²).

(ii) De percelen waarop de onderscheidene - al dan niet gedeeltelijk - verhuurde opstallen stonden, hadden met elkaar een open verbinding. Het bedrijf van [eiseres] was derhalve weliswaar niet in een enkel gebouw gevestigd maar gezien de ligging en indeling van de onderscheidene gehuurde bedrijfsruimten kan het geheel worden aangemerkt als een zgn. unie-locatie.

(iii) Bij KB van 24 december 1998 nr. 98.006191, Stcrt. 1999, 30, is besloten tot onteigening ten name van de verweerder in cassatie, hierna: de Staat, van onder meer de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie [A], nummer [001] voor een gedeelte ter grootte van 53 are en 39 centiare (grondplannummer Hr. [002]) ten behoeve van de aanleg van Rijksweg A5.

(iv) Bij vonnis van 21 november 2000 heeft de Rechtbank te Haarlem (onder meer) vervroegd de onteigening ten name van de Staat uitgesproken van dit gedeelte van voormelde onroerende zaak.

(v) Op het onteigende bevond zich de door [eiseres] gehuurde bedrijfsruimte aan de [a-straat 3/4].

(vi) In het zicht van de onteigening - in augustus 2000 - heeft [eiseres] haar gehele bedrijf verplaatst naar nieuwbouw aan de [b-straat] te Schiphol-Zuidoost. Het gaat hier om een gebouw dat speciaal voor [eiseres] gebouwd is en dus ook geheel is ingericht voor en afgestemd op haar bedrijfsvoering.

3. Bij incidentele conclusie tot tussenkomst van 26 september 2000 heeft [eiseres] de rechtbank Haarlem verzocht haar, in haar hoedanigheid van huurster van een gedeelte van het te onteigenen perceel, als tussenkomende partij toe te laten tot het geding tot onteigening tussen de Staat en de eigenares van de te onteigenen onroerende zaak. [Eiseres] heeft niet voor antwoord geconcludeerd, zodat zij op de voet van art. 24 lid 3 Ow geacht moest worden het aanbod van de Staat te hebben verworpen.

4. Bij het eerdergenoemde vonnis van 21 november 2000 heeft de rechtbank [eiseres] als interveniënte toegelaten en het door de Staat te betalen voorschot op de schadeloosstelling voor [eiseres] bepaald op een bedrag van f 356.792,- (ofwel Euro 161.905,15). Voorts heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast ter begroting van de schadeloosstelling voor [eiseres] en daartoe drie deskundigen benoemd.

5. Op 9 januari 2001 vond een plaatsopneming plaats. In haar bij die gelegenheid ingediende nota van toelichting heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat de verplaatsing van haar gehele bedrijf naar de nieuwbouw aan de [b-straat] een noodzakelijk gevolg was van de (beëindiging van de huur van de bedrijfsruimte aan de [a-straat 3/4] door de) onteigening, zodat alle kosten die verband houden met deze verplaatsing aan haar behoren te worden vergoed. Deze kosten zijn naderhand door [eiseres] begroot op Euro 1.072.022,77 (brief d.d. 11 februari 2004 namens [eiseres] aan de deskundigen, blz. 6). De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen de verplaatsing van de betrokken bedrijfsruimte van 750 m² naar elders als onteigeningsgevolg in aanmerking kan worden genomen; hij heeft bestreden dat de integrale bedrijfsverplaatsing een te vergoeding onteigeningsgevolg is.

6. De deskundigen hebben op 25 november 2003 een concept-rapport uitgebracht. [Eiseres] heeft de deskundigen bij brief d.d. 11 februari 2004 opmerkingen op het concept-rapport doen toekomen.

7. De deskundigen hebben op 24 maart 2004 hun definitieve rapport ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. In dit rapport concluderen de deskundigen dat de onteigening [eiseres] niet heeft genoodzaakt haar gehele bedrijf te verplaatsen en dat deze haar evenmin heeft genoodzaakt een reeds voorgenomen algehele verplaatsing te vervroegen. Zij stellen dat, waar het onteigende slechts een beperkt gedeelte vormde van het totaal aan bedrijfsruimten dat [eiseres] aan de [a-straat] huurde, het het meest voor de hand lag dat [eiseres] tot vervanging van het onteigende zou overgaan door huur van ruimte elders met een vergelijkbaar oppervlak, waarbij de centraal te verrichten activiteiten op het overblijvende op het bedrijfsterrein aan de [a-straat] kunnen worden geconcentreerd. De met een en ander gemoeide, te vergoeden kosten begroten de deskundigen op (afgerond) Euro 162.000,-.

8. Nadat op 22 april 2004 pleidooien hadden plaatsgevonden, heeft de rechtbank het oordeel van de deskundigen over de (berekening van de) schadeloosstelling voor [eiseres] tot het hare gemaakt (r.o. 2.7). Zij heeft de schadeloosstelling voor [eiseres] vastgesteld op Euro 161.999,54 en de Staat veroordeeld dit bedrag, na aftrek van het reeds door de Staat betaalde voorschot van Euro 161.905,15, aan [eiseres] te betalen, met rente en kosten.

9. Tegen het vonnis van 19 mei 2004 heeft [eiseres] (tijdig en regelmatig; zie art. 52 en 53 Ow) cassatie ingestelde met een uit vier onderdelen opgebouwd middel, dat door de Staat is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

10. Onderdeel 1 van het middel keert zich in twee subonderdelen tegen overwegingen en beslissingen van de rechtbank in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis.

11. Subonderdeel 1.1 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de door [eiseres] aangevoerde bezwaren tegen huur van een met het onteigende vergelijkbare ruimte elders zich niet of, voor zover het de inzet van extra personeel betreft, slechts in beperkte mate zullen voordoen (r.o. 2.6, blz. 6, regels 4-8). Het subonderdeel klaagt dat de rechtbank aldus ongemotiveerd is voorbijgegaan aan 'hetgeen [eiseres] meermaals, ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, daaromtrent heeft gesteld'. Het gaat daarbij volgens het subonderdeel om 'essentiële stellingen van [eiseres] omtrent de onmogelijkheid en financiële haalbaarheid van bedrijfsvoering op twee gescheiden locaties'.

12. Het subonderdeel strandt m.i. op gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank is - in r.o. 2.6, blz. 5, laatste regel e.v. -, aan de hand van de oordelen van de deskundigen, die zij tot de hare maakt, gemotiveerd ingegaan op ([eiseres]s bezwaren inzake) de mogelijkheid en financiële haalbaarheid van bedrijfsvoering op twee gescheiden locaties. Voor het overige faalt het subonderdeel omdat het niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen, nu het niet aangeeft aan welke concrete stellingen van [eiseres] de rechtbank zou zijn voorbijgegaan.

13. Subonderdeel 2.1 acht onbegrijpelijk het door de rechtbank in r.o. 2.6, blz. 6, overgenomen oordeel van de deskundigen dat [eiseres] reeds geruime tijd voor de onteigening plannen had haar bedrijf te verplaatsen. [Eiseres] heeft immers, aldus het subonderdeel, onweersproken gesteld dat zij tot en met 1998 forse investeringen heeft gedaan in de door haar gehuurde panden aan de [a-straat], terwijl de in maart 1999 met Schiphol gesloten erfpachtovereenkomst niet ziet op het terrein waarop [eiseres] voordien een optie had verkregen.

14. Het subonderdeel zal wegens gebrek aan belang moeten falen. Al aangenomen dat de rechtbank de in r.o. 2.6, blz. 6, regels 12-16 weergegeven indruk van de deskundigen als haar oordeel heeft overgenomen, blijkt uit het vervolg van de overwegingen van de rechtbank (regels 20-24) dat de deskundigen hebben aangevoerd dat de vraag of [eiseres] ook zonder onteigening nu wel of niet van plan was te verhuizen naar nieuwbouw, niet dragend is geweest voor hun advies; bepalend daarvoor is geweest wat een redelijk handelend ondernemer in het onderhavige geval bij onteigening van 750 m² zou doen. De bestreden overweging van de rechtbank is derhalve (ook) niet dragend geweest voor het oordeel van de rechtbank omtrent de uitgangspunten bij de vaststelling van de schadeloosstelling voor [eiseres].

15. Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen het volgende, door de rechtbank in r.o. 2.5, blz. 5, regels 3-8 overgenomen oordeel van de deskundigen:

"[Eiseres] zal genoodzaakt zijn bij spreiding over twee locaties extra werkkrachten in te zetten dan wel uurverlies van enkele medewerkers moeten accepteren. Deskundigen taxeren dit urenverlies op 200 uur per jaar voor een medewerker met gemiddelde uurkosten ad f 75.- per uur en op 100 uur per jaar voor een medewerker met gemiddelde uurkosten ad f 150,- per uur. Het jaarlijks verlies bedraagt derhalve f 15.000,- + f 15.000,- = f 30.000,-."

Volgens subonderdeel 2.2 (subonderdeel 2.1 bevat geen klacht) heeft de rechtbank in deze berekening van de kosten voor de extra personeelsinzet miskend (de onweersproken stelling van [eiseres]) dat op beide locaties 24 uur per dag personeel aanwezig moet zijn; aldus heeft de rechtbank volgens het subonderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat - kort gezegd- als uitgangspunt heeft te gelden dat de onteigende c.q. de huurder schadeloos gesteld moet worden voor alle schade die het rechtstreekse gevolg van de onteigening, en niet slechts voor een gedeelte daarvan.

16. Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Uit de bestreden overweging blijkt niet dat de rechtbank het door het subonderdeel bedoelde uitgangspunt (zie daarover J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, 2003, blz. 79 e.v.) heeft miskend. Dat de rechtbank de kosten voor een continue dubbele bezetting niet in de schadeloosstelling heeft betrokken, vloeit voort uit het oordeel van de rechtbank dat een dergelijke bezetting niet noodzakelijk kan worden geacht. Uit de overwegingen van de rechtbank in r.o. 2.6, blz. 6, laatste regel tot blz. 6, twaalfde regel, blijkt immers dat de rechtbank van oordeel is dat de centraal te verrichten activiteiten, die continue aanwezigheid van het personeel vergen, op het overblijvende op het bedrijfsterrein kunnen worden geconcentreerd.

17. Uit het vorenstaande volgt dat ook de subsidiair voorgestelde motiveringsklacht van subonderdeel 2.3 faalt.

18. Onderdeel 3 verwijt de rechtbank in r.o. 2.5 en 2.6 blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door enerzijds het oordeel van de deskundigen te onderschrijven dat integrale verplaatsing van de onderneming van [eiseres] bedrijfseconomisch en commercieel begrijpelijk is, doch anderzijds te oordelen dat vervangende aanhuur van het onteigende het meest in de rede ligt (subonderdeel 3.1), althans onvoldoende inzicht te hebben gegeven in de hier door haar gevolgde gedachtengang (subonderdeel 3.2).

19. Het onderdeel zal geen doel kunnen treffen. De rechtbank heeft, in navolging van de deskundigen, overwogen dat integrale bedrijfsverplaatsing vanuit een bedrijfseconomisch en commercieel perspectief 'mogelijk begrijpelijk' is te noemen (r.o. 2.6, blz. 6, regel 27), maar aan deze algemene overweging kan niet de gevolgtrekking worden verbonden - en is door de rechtbank uitdrukkelijk ook niet als gevolgtrekking verbonden - dat is komen vast te staan dat, binnen het kader van een onteigening, die verplaatsing ook kan worden aangemerkt als een redelijke beslissing van een redelijk handelend onteigende die als zodanig als onteigeningsgevolg kan worden aangemerkt. Het oordeel van de rechtbank getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is - ook zonder nadere motivering - niet onbegrijpelijk.

20. Onderdeel 4 klaagt dat het oordeel van de rechtbank in r.o. 2.6 dat schadeloosstelling dient plaats te vinden op basis van aanhuur in de nabije omgeving van het overblijvende, onjuist althans onbegrijpelijk is omdat tussen partijen in confesso is dat schadeloosstelling op basis van nieuwbouw dient te worden begroot.

21. Het onderdeel mist feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat tussen partijen in confesso is dat schadeloosstelling op basis van nieuwbouw dient te worden begroot. De Staat heeft zich immers (uiteindelijk) op het standpunt gesteld dat een redelijk handelend onteigende na onteigening zou overgaan tot aanpassing door middel van aanhuur van vervangende gelijkwaardige bedrijfsruimte en dat alleen de daarmee gemoeide kosten in een onteigeningsprocedure in aanmerking komen (pleitnota namens de Staat van 22 april 2004, alinea 9).

22. Overigens berust het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting voor zover het wil betogen dat op de rechter een verzwaarde motiveringsplicht rust indien hij afwijkt van hetgeen tussen partijen over de schadeloosstelling in confesso is. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 12 februari 1997, NJ 1998, 29) moet de rechter in een geval van niet-aanneming van het bij dagvaarding gedane en bij conclusie van eis gehandhaafde aanbod, het bedrag van de toe te kennen schadeloosstelling zelfstandig met behulp van deskundigen vaststellen. Hij is dan ook niet gebonden aan het standpunt dat partijen dienaangaande innemen, ook niet als blijkt dat zij over de schadeloosstelling of de wijze van berekening daarvan uiteindelijk geen geschil meer hebben. Als de rechter partijen volgt, is hij wel in belangrijke mate ontheven van zijn motiveringsplicht. Volgt hij partijen niet, dan dient hij zijn beslissing te motiveren. Daarbij rust op hem evenwel geen verzwaarde motiveringsplicht. Zie ook de noot van J.G. de Vries Robbé onder HR 16 november 2001, BR 2003, 974. Zie voorts Den Drijver-van Rijckevorsel en Van Engen, a.w., blz. 66.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden