Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AU1959

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2005
Datum publicatie
01-11-2005
Zaaknummer
00013/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AU1959
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan ex art. 6 WVW 1994. Uit de aard van het letsel (chirurg: “breuk in de achtervoet”, politiearts: “hielbeenbreuk, geschatte genezingsduur plm.: een half jaar”) en de geschatte duur van de genezing heeft het hof kunnen afleiden dat dat letsel een zodanig ernstige verstoring van het gezonde lichamelijk functioneren van het slachtoffer heeft teweeggebracht, dat sprake is van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ex art. 6 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 607
NJ 2006, 105
VR 2006, 134
JWR 2005/96
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00013/05

Mr. Knigge

Zitting: 30 augustus 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994"(1) veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat door het verkeersongeval een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 31 mei 2002 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), waarin een passagier aanwezig was, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de (in de Botlekweg gelegen) oostelijke afrit van de Botlekbrug,

welk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag hierin heeft bestaan dat verdachte toen daar, terwijl

- die door verdachte bereden weg voor het verkeer gaande in verdachtes rijrichting, komende vanaf de Botlekbrug, na die brug een (scherpe) bocht maakte en

- ter hoogte van die bocht (gezien vanuit verdachtes rijrichting links van die bocht) een hoger gelegen vluchtheuvel was gesitueerd en op die vluchtheuvel aan de zijkant van die vluchtheuvel, een geleiderail was aangebracht, genoemde bocht en vluchtheuvel het verloop van de weg aldaar niet of niet tijdig heeft opgemerkt en niet behoorlijk het verloop van de rijbaan heeft gevolgd en zonder snelheid te minderen min of meer rechtdoorgaand voornoemde vluchtheuvel is opgereden en tegen de aldaar geplaatste geleiderail is aangebotst en vervolgens met het door hem bestuurde voertuig over de kop is gevlogen en op het dak op de weg terecht is gekomen,

waardoor genoemde in de door verdachte bestuurde auto aanwezige passagier, [het slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

zulks terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994".

5. In verband met het letsel van [het slachtoffer] heeft het Hof als bewijsmiddelen gebezigd

(i) een kopie geneeskundige verklaring d.d. 8 juli 2002, opgemaakt door dr. D.A. Ligtestein, chirurg in het Ruwaard van Puttenziekenhuis te Spijkenisse, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat hij op 31 mei 2002 [het slachtoffer] heeft onderzocht in het Ruwaard van Puttenziekenhuis en dat hij een breuk in de achtervoet heeft waargenomen en dat er tevens een vermoeden bestaat van niet-uiterlijk waarneembaar letsel, en

(ii) een geschrift d.d. 28 juni 2002, behelzende medische informatie betreffende [het slachtoffer], opgemaakt door J.R. van Leeuwen, politiearts, inhoudende:

Omschrijving letsel: Hielbeenbreuk. Geschatte genezingsduur plm.: een half jaar.

6. Het is de vraag of een hielbeenbreuk met een geschatte genezingsduur van een half jaar(2) voldoende is voor het bewijs van "zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat" als bedoeld in art. 6 WVW 1994. Van belang is hier in het bijzonder HR 9 januari 2001, NJ 2001, 162, waarin sprake was van (i) een bloeduitstorting aan een enkel, (ii) een mogelijk fraktuurtje sprongbeen en (iii) bandscheuren aan een voet. De Hoge Raad oordeelde dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat het slachtoffer als gevolg van het toegebrachte letsel tijdelijk verhinderd is geweest haar normale bezigheden te verrichten.

7. In het zojuist genoemde arrest overwoog de Hoge Raad dat blijkens de wetsgeschiedenis onder "normale bezigheden" weliswaar niet (uitsluitend) ambts- of beroepsbezigheden moeten worden verstaan (waartoe voorheen art. 36 WVW-oud zich beperkte), maar wel bezigheden die daarmee vergelijkbaar zijn. Daaruit leid ik af dat onvoldoende is dat het slachtoffer tijdelijk niet in staat is om zijn normale dagprogramma af te werken. De verhindering moet (zo begrijp ik) de taak of functie betreffen die het slachtoffer in het maatschappelijk leven vervult. In de literatuur wordt de huisvrouw of huisman genoemd.(3) Te denken valt ook aan het volgen van een opleiding of het doen van vrijwilligerswerk. Of ook een hobby onder de normale bezigheden kan worden geschaard, valt op grond van dit arrest te betwijfelen.(4)

8. Als deze uitleg van het arrest juist is, volgt daaruit dat er mensen zijn die geen "normale bezigheden" in de zin van art. 6 WVW 1994 hebben. In elk geval lijkt de overweging van de Hoge Raad te impliceren dat uit de bewijsmiddelen moet blijken dat het slachtoffer "normale bezigheden" heeft en welke dat zijn, zodat beoordeeld kan worden of het toegebrachte letsel het verrichten van die bezigheden verhindert. De onderhavige zaak heeft met het bedoelde arrest gemeen, dat de bewijsmiddelen over de aard van de bezigheden geen uitsluitsel geven.

9. Naast deze overeenkomst lijkt er ook een verschil te zijn. In het arrest uit 2001 was alleen tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden bewezenverklaard. In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat uit het toegebrachte letsel tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De vraag daarbij is hoe de tijdelijke ziekte zich als onderdeel van de delictsomschrijving van art. 6 WVW 1994 verhoudt tot de tijdelijke verhindering. Niet zonder betekenis lijkt mij te zijn dat de wetgever de beide categorieën als het ware in één adem noemt. Tekenend is de plaatsing van het woord "tijdelijke", dat niet wordt herhaald. Beide varianten lijkt de wetgever van gelijke orde te hebben beschouwd. "Tijdelijke ziekte" als gevolg van het letsel is zogezien even ernstig als de "tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden". Daarbij komt dat beide categorieën elkaar goeddeels overlappen. Het effect van een tijdelijke ziekte zal dikwijls zijn, dat de normale bezigheden niet kunnen worden uitgeoefend.(5) Beide mogelijkheden vallen echter niet geheel samen. Iemand die geen "normale bezigheden" heeft, kan uiteraard wel tijdelijk ziek zijn. De meest aannemelijke uitleg lijkt mij te zijn, dat de tijdelijke verhindering een aanvullende categorie is. Een bepaalde handicap (als gevolg van het letsel) kan niet ernstig genoeg zijn om van een tijdelijke ziekte te spreken, maar kan wel zodanig zijn dat daardoor de uitoefening van de normale bezigheden wordt verhinderd. In deze benadering is een restrictieve uitleg van "normale bezigheden" inderdaad rationeel. De verhindering die in de uitoefening van die bezigheden is opgetreden, moet immers compenseren dat de handicap zelf van onvoldoende ernst is. Het verschil tussen beide categorieën kan - als het voorgaande juist is - als volgt worden verwoord. Bij de tijdelijke ziekte ontleent het gevolg zijn ernst primair aan de opgetreden handicap als zodanig, bij de tijdelijke verhindering ontleent het gevolg zijn ernst aan het feit dat iemand zijn maatschappelijke functie niet kan uitoefenen.

10. Ik heb mij afgevraagd of HR 25 juni 1963, NJ 1964, 426 met de hiervoor uiteengezette benadering valt te rijmen. In dit onder de gelding van art. 36 WVW-oud gewezen arrest overwoog de Hoge Raad dat "een zodanige (ik begrijp: tijdelijke) ziekte (...) als gevolg van het letsel kan worden aangemerkt wanneer in verband met den ernst daarvan en den tijdsduur zich hebben voorgedaan verschijnselen van abnormalen aard in de lichamelijke gesteldheid, opgewekt door oorzaken welke het functionele evenwicht van het organisme hebben verstoord". Uit deze moeilijk te doorgronden volzin kan in elk geval worden afgeleid dat de ernst en de duur van de lichamelijke ongesteldheid bepalend zijn voor de vraag of van een tijdelijke ziekte kan worden gesproken. Erg hoog leek de Hoge Raad de lat daarbij niet te leggen. Het slachtoffer had twee middenhandsbeentjes van zijn rechterhand gebroken en kon na ruim zeven maanden die hand nog steeds niet normaal gebruiken. Dat was voldoende om een "tijdelijke ziekte" aan te nemen. Men kan zich afvragen of, als dat al voldoende is, aan een aanvullende categorie nog wel behoefte is.

11. Men kan zich ook afvragen of het arrest uit 1963 te rijmen is met het onder 6 genoemde arrest uit 2001. Voor het verschil in uitkomst is een processuele verklaring te geven. Die is dat "tijdelijke ziekte" in het laatst genoemde arrest niet was bewezenverklaard, zodat de vraag of "bandscheuren aan de voet" voldoende is voor het bewijs van een dergelijke ziekte, eenvoudig niet aan de orde was. Maar ook materieelrechtelijk zijn er misschien verschillen. De aard van het letsel bleef in het arrest uit 2001 in het vage. Wat werd precies met die bandscheuren bedoeld? Bovendien vormt voetletsel misschien een minder ernstige verstoring van het evenwicht van het organisme dan letsel aan de rechterhand. Wie zijn rechterhand niet kan gebruiken is, zo kan betoogd worden, zwaarder gehandicapt dan wie één voet niet kan benutten. Tenslotte stond de duur van de handicap niet vast. Daarover wordt in de bewijsmiddelen niets gezegd. Wat deze vergelijking tegelijk leert, is dat de eisen die de Hoge Raad in 1963 formuleerde, toch wel iets voorstellen.

12. Wat betekent deze exercitie nu voor de beoordeling van het middel in deze zaak? Nu de bewijsmiddelen niets inhouden over de normale bezigheden van het slachtoffer, kan een verhindering in de uitoefening daarvan niet uit die bewijsmiddelen worden afgeleid. De vraag die rest, is of er wél voldoende bewijs is om van een tijdelijke ziekte te kunnen spreken. Ik merk op dat de casus in elk geval op het eerste gezicht grote overeenkomst vertoont met die uit het arrest van 2001. Ook nu gaat het om een voetkwetsuur, waarbij - in elk geval voor mij als leek - geldt dat een hielbeenbreuk en gescheurde banden elkaar qua handicap niet veel lijken te ontlopen. Voorts geldt ook nu dat in het vage blijft hoe groot de handicap precies is voor het dagelijks functioneren. Een verschil is wel dat een genezingsduur van zes maanden wordt genoemd, maar anders dan in het arrest uit 1963 gaat het hier slechts om een geschatte genezingsduur.(6) Hoe lang de genezing werkelijk heeft geduurd, blijkt uit de bewijsmiddelen niet. Mijn voorlopige conclusie is dat de casus de vergelijking met de casus uit 1963 niet kan doorstaan.

13. Mogelijk verdient dit voorlopige oordeel bijstelling op grond van hetgeen met betrekking tot een hielbeenbreuk als van algemene bekendheid moet worden beschouwd. Onderzoek naar de aard en de duur van het herstel van een hielbeenbreuk leverden echter weinig op. Duidelijk werd wel, na raadpleging van een medische encyclopedie(7) en internet(8), dat de duur van het herstel van een gebroken bot varieert van enkele weken tot enkele maanden en dat er sprake kan zijn van een open of gecomliceerde breuk, waarbij het bot rechtstreeks aan de buitenwereld bloot staat, of een gesloten breuk, waarbij huid en omliggend weefsel ononderbroken is gebleven. Voorts kan een breuk enkelvoudig of meervoudig zijn of articulair zijn. In het laatste geval loopt de breuklijn door een gewricht. Al deze factoren zijn van invloed op de behandeling (operatie, gipsbehandeling of een combinatie van beide) die moet worden toegepast en de duur van het herstel. Veel verder helpt ons dit niet. Mijn conclusie is derhalve dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

14. In de toelichting op het middel wordt nog gewezen op hetgeen in de Aanwijzing artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (Stcrt. 2004, 40) op het punt van medische verklaringen staat vermeld. Daarin staat dat naast de eigen verklaring van het slachtoffer over de aard en duur van het letsel de bewijswaarde van de medische verklaring essentieel is, waarna wordt opgesomd aan welke eisen een medische verklaring dient te voldoen. Het zou inderdaad wenselijk zijn dat deze uitgangspunten, zeker bij grensgevallen als de onderhavige, door het Openbaar Ministerie bij de bewijslevering ter harte worden genomen. Daarbij teken ik wél aan dat een medische verklaring en een verklaring van het slachtoffer niet altijd noodzakelijk zijn. De tijdelijke ziekte kan in voorkomende gevallen uit de aard van het letsel zelf volgen (in combinatie met hetgeen van algemene bekendheid is) of uit het feit dat het opgelopen letsel een betrekkelijk langdurige opname in het ziekenhuis noodzakelijk maakte.(9)

15. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Voor het geval Uw Raad mijn conclusie niet volgt, bespreek ik het tweede middel.

17. Het tweede middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359 lid 7 (oud) Sv niet in het bijzonder de redenen die hebben geleid tot een zwaardere strafoplegging dan gevorderd, heeft opgegeven.

18. Het Hof heeft de straf als volgt gemotiveerd:

"De advocaat-generaal mr. Geradts heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren, subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis en een geldboete van vijfentwintighonderd euro, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, gevorderd, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waardoor zijn medepassagier lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is de verdachte temeer ernstig aan te rekenen, nu hij bij het plegen van dit feit onder invloed van alcohol verkeerde.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij na het nuttigen van een grote hoeveelheid alcohol toch als bestuurder van een auto aan het verkeer is gaan deelnemen, ondanks dat de verdachte meerdere keuzemomenten heeft gehad om dit niet te doen.

Met een en ander heeft verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, niet alleen ten opzichte van zijn medepassagier maar ook ten opzichte van andere weggebruikers.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 februari 2004, eerder met justitie in aanraking is geweest in verband met diverse verkeersdelicten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt. Het hof is daarbij van oordeel dat de bescherming van de verkeersveiligheid vordert dat daarnaast aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen moet worden ontzegd.

Ter terechtzitting is door de verdachte aangevoerd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werkzaamheden als bestuurder/directeur van de Stichting [A].

Het hof is van oordeel dat, gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit, het belang van de verkeersveiligheid, welk belang onder andere wordt gediend door de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, dient te prevaleren boven het belang van verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs en dat het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden is. Teneinde deels tegemoet te komen aan de belangen van de verdachte, en ook uit een oogpunt van speciale preventie, zal het hof een gedeelte van de ontzegging voorwaardelijk opleggen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in zowel de door de eerste rechter opgelegde straf, als in de door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de eerste rechter is opgelegd en thans door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd."

19. De steller van het middel gaat ervan uit dat art. 359 lid 7 (oud) Sv een zelfstandige opgave van redenen vereist en dat het Hof niet mocht volstaan met een verwijzing naar de ernst van het bewezenverklaarde en de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden. Die opvatting kan ik niet delen. Volgens vaste rechtspraak kan als een voldoende motivering in de zin van art. 359 lid 7 (oud) Sv gelden de in de strafmotivering vermelde mededeling dat de rechter kennis heeft genomen van de vordering van het Openbaar Ministerie (vgl. HR 21 september 2004, NJ 2005, 62 m.nt. JR en HR 25 januari 2005, LJN: AR7168). In casu heeft het Hof hier echter niet mee volstaan, maar heeft het Hof aangegeven dat het op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden een zwaardere straf dan gevorderd, en dan in eerste aanleg opgelegd, aangewezen acht. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden. Daarbij merk ik op dat ook niet goed valt in te zien wat het Hof nog in het kader van de zwaardere opgelegde straf dan gevorderd toe had kunnen voegen(10).

20. Voorzover in de toelichting nog wordt geklaagd dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het een zwaardere straf oplegt dan de rechter in eerste aanleg, faalt deze klacht eveneens. De rechter in hoger beroep is - behoudens bijzondere omstandigheden - niet gehouden om te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd (vgl. HR 27 maart 2001, NJ 2001, 297). Het Hof heeft in deze zaak aangegeven waarom het een hogere straf oplegt dan in eerste aanleg is opgelegd. Dit lag ook voor de hand, nu het Hof een aanmerkelijk zwaardere straf oplegt dan de Politierechter. Het Hof is zich daar bewust van geweest en heeft dit in zijn strafmotivering tot uitdrukking gebracht.

21. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de opgelegde straf in cassatie terughoudend en slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dit uitgangspunt in aanmerking genomen meen ik dat de opgelegde straf, in het licht van de uitvoerige strafmotivering en gelet op het strafmaximum van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, niet onbegrijpelijk is. De straf wekt geen verbazing.

22. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Gelet op de tenlastelegging en bewezenverklaring dient de kwalificatie mijns inziens als volgt te luiden: "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat". De Hoge Raad kan de kwalificatie aldus verbeterd lezen.

2 Dat er tevens een vermoeden bestaat van uiterlijk niet-waarneembaar letsel laat ik hier buiten beschouwing, nu dit kennelijk niet is komen vast te staan.

3 Vgl. A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994; Een strafrechtelijk commentaar, 1999 (tweede druk), p. 140. Zie ook M.Otte in zijn bewerking van Remmelinks Hoofdwegen door het verkeersrecht, 5e druk, p. 90.

4 Anders nog de in de vorige noot genoemde literatuur.

5 Daarom zal in veel gevallen geen keuze uit beide alternatieven gemaakt te hoeven worden.

6 Een blik achter de papieren muur leert dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van Dr. D.A. Ligtenstein, chirurg, kan worden afgeleid dat deze chirurg het slachtoffer daadwerkelijk heeft onderzocht en voorts dat deze de duur van genezing op drie maanden schat. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de politie-arts J.R. van Leeuwen blijkt niet dat deze het slachtoffer heeft onderzocht en/of behandeld, terwijl voorts ook onduidelijk is waar de afwijkende genezingsduur van zes maanden op gebaseerd is. Dit illustreert dat met het trekken van conclusies uit een geschatte herstelduur voorzichtigheid geboden is.

7 De Medische Encyclopedie, Een praktisch naslagwerk over gezondheid, ziekte en welzijn, Utrecht: Oosthoeks's Uitgeversmaatschappij BV, 1983, p. 98-99.

8 Wikipedia.nl, Medlook.nl en lumc.nl.

9 Weliswaar werd dit in HR 9 maart 1971, VR 1971, 98 door de slachtoffers zelf tegenover de politie verklaard, maar indien een en ander uitsluitend door de politie in een algemeen proces-verbaal zou zijn vermeld, meen ik dat dit ook voldoende kan zijn voor bewijs op dit punt. Ook een verklaring van een familielid kan mijns inziens in voorkomend geval tot het bewijs bijdragen dat het lichamelijk letsel tijdelijke ziekte tot gevolg heeft gehad.

10 Vgl. Reijntjes die in zijn noot bij NJ 2005, 62 aangeeft dat wanneer de rechter zich zorgvuldig van zijn plicht krachtens het zesde lid van art. 359 Sv heeft gekweten, voor hem aan het zevende lid nauwelijks anders te voldoen dan door in de strafmotivering te laten blijken dat hij zich er van bewust was boven de eis uit te gaan.