Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT9055

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2005
Datum publicatie
18-11-2005
Zaaknummer
C04/167HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT9055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil tussen tennisvereniging en tennislerares, opzegging van arbeidsverhouding die niet berust op een arbeidsovereenkomst, bedongen arbeid persoonlijk te verrichten?, doorbetaling van loon; vervolg van HR 10 november 2000, C99/041, NJ 2001, 250, rechtsstrijd in het geding na verwijzing, taak verwijzingsrechter (art. 424 Rv.); HR doet zelf af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 424
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 659
NJ 2006, 640
RAR 2006, 15
SR 2006, 24 met annotatie van D.J. Buijs
JWB 2005/398
JAR 2006/14 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/167HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 8 juli 2005

conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

Tennisvereniging L.T.C. "De Klinkaert"

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak, die reeds eerder in cassatie heeft gediend (HR 10 november 2000, NJ 2001, 250 nt. PAS), betreft een geschil over de opzegging door thans verweerster in cassatie, hierna: De Klinkaert, van de door haar met thans eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], gesloten overeenkomst op grond waarvan [eiseres] voor De Klinkaert werkzaamheden als tennislerares verrichtte.

2. [Eiseres] stelt zich op het standpunt dat De Klinkaert voor de opzegging een vergunning ex art. 6 BBA behoefde en vordert in deze procedure, nu een zodanige vergunning door De Klinkaert is verzocht noch verkregen, nietigverklaring van het ontslag en veroordeling van De Klinkaert tot doorbetaling van het loon.

3. Bij vonnis van 12 juni 1997 heeft de kantonrechter te Tilburg de vorderingen van [eiseres] afgewezen, doch op het hoger beroep van [eiseres] heeft de rechtbank te Breda bij vonnis van 27 oktober 1998 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw recht doende, het ontslag nietig verklaard en De Klinkaert veroordeeld om aan [eiseres] vanaf de datum waartegen ontslag was aangezegd (1 november 1996) het loon (f 6.550,- bruto per maand) door te betalen "tot het einde van de arbeidsverhouding".

4. Bij genoemd arrest van 10 november 2000 heeft de Hoge Raad op het cassatieberoep van De Klinkaert het vonnis van de rechtbank vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad, die vaststelde dat de rechtbank de rechtsbetrekking tussen partijen, in cassatie onbestreden, heeft aangemerkt als een overeenkomst van opdracht (r.o. 3.1), achtte de door De Klinkaert als middel I voorgestelde motiveringsklacht gegrond. De klacht richtte zich tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen buiten debat staat dat, zoals vereist is voor het bestaan van een arbeidsverhouding in de zin van art 1 onder d BBA, [eiseres] gehouden was de bedongen arbeid (het tennisonderricht) persoonlijk te verrichten voor De Klinkaert. Naar het oordeel van de Hoge Raad is dit oordeel zonder nadere, door de rechtbank niet gegeven motivering, onbegrijpelijk in het licht van het feit dat De Klinkaert in hoger beroep bij herhaling heeft betwist dat [eiseres] gehouden was de arbeid persoonlijk te verrichten (r.o. 3.3).

5. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft in de procedure na verwijzing bij tussenarrest van 20 januari 2003 De Klinkaert toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [eiseres] niet gehouden was om de bedongen arbeid (het tennisonderricht) voor De Klinkaert persoonlijk te verrichten, maar dat zij zich mocht laten vervangen en dat zulks in de praktijk ook gebeurde.

6. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, heeft het hof bij eindarrest van 24 februari 2004 De Klinkaert niet geslaagd geoordeeld in de bewijslevering en daaraan de conclusie verbonden dat is komen vast te staan dat [eiseres] gehouden was de bedongen arbeid (het tennisonderricht) persoonlijk te verrichten, dat het vonnis van de kantonrechter derhalve moet worden vernietigd, en dat de vorderingen van [eiseres] alsnog moeten worden toegewezen (r.o. 9.7).

7. Ten aanzien van de vordering tot doorbetaling van het loon overwoog het hof onder meer (r.o. 9.8):

"Het hof leidt uit de schriftelijke toelichting van mr. R.A.A. Duk (sub 14) af dat de arbeidsverhouding met ingang van 1 september 1997 is geëindigd. Immers bij beschikking van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 5 augustus 1997 is op verzoek van De Klinkaert de arbeidsovereenkomst met [eiseres], voor zover vereist, op grond van gewichtige redenen met ingang van 1 september 1997 ontbonden. Aangezien thans vast staat dat [eiseres] gehouden was persoonlijk de overeengekomen arbeid te verrichten, volgt dat de aan de ontbinding verbonden voorwaarde ('voor zover vereist') is vervuld."

Dit leidt volgens het hof tot de gevolgtrekking dat De Klinkaert veroordeeld dient te worden om aan [eiseres] sedert 1 november 1996 tot 31 augustus 1997 f 6.550,- bruto per maand te betalen.

8. Bij gevolg heeft het hof het vonnis van de kantonrechter te Tilburg van 12 juni 1997 vernietigd en, opnieuw recht doende, het ontslag nietig verklaard en De Klinkaert veroordeeld om aan [eiseres] Euro 2.972,26 (f 6.550,-) bruto per maand te betalen sedert 1 november 1996 tot het einde van de arbeidsverhouding.

9. [Eiseres] is tegen het eindarrest van hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. De Klinkaert heeft (na wijziging van haar conclusie bij gelegenheid van de schriftelijke toelichting) zich aan het oordeel van de Hoge Raad gerefereerd.

10. Het middel keert zich in al zijn onderdelen tegen het oordeel van het hof - in r.o. 9.7 - dat, kort gezegd, de arbeidsverhouding tussen partijen ingevolge de ontbindingsbeschikking van 5 augustus 1997 met ingang van 1 september 1997 is geëindigd.

11. Onderdeel I van het middel verwijt het hof met het bestreden oordeel de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing te hebben overschreden door het tijdstip vast te stellen waarop de arbeidsverhouding tussen partijen is geëindigd. Daartoe voert het onderdeel aan dat het hof ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2000 slechts had te beoordelen of [eiseres] onder de overeenkomst van opdracht al dan niet gehouden was de arbeid persoonlijk te verrichten en voorts dat het hof de beëindigingsdatum ten onrechte heeft afgeleid uit de ontbindingsbeschikking, nu het daarmee afwijkt van het - in het eerdere cassatieberoep onbestreden - oordeel van de rechtbank dat deze beschikking niet heeft geleid tot het einde van de arbeidsverhouding tussen partijen.

12. Bij de beoordeling van het onderdeel dient het volgende vooropgesteld te worden.

a. Voor het bepalen van de omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing is niet beslissend dat uit de formulering van het dictum in het casserende arrest niet van enige beperking van de vernietiging blijkt. Uit de omstandigheid dat het dictum geen uitdrukkelijke beperking van de vernietiging bevat, mag niet worden afgeleid dat al hetgeen de bestreden uitspraak inhield, is vernietigd. De rechter naar wie de zaak is verwezen, zal aan de hand van de strekking van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist, hebben te beoordelen welke onderdelen van de gecasseerde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden (zie HR 2 mei 1997, NJ 1998, 237 nt. HJS). Het middelonderdeel neemt derhalve terecht tot uitgangspunt dat de omstandigheid dat in het dictum van het eerdere arrest van de Hoge Raad geen beperking van de vernietiging bevat, niet eraan in de weg staat dat bepaalde onderdelen van het gecasseerde vonnis van de rechtbank onaantastbaar zijn geworden, zoals een beslissing van de rechtbank met betrekking tot de vraag of de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels al dan niet is geëindigd.

b. De rechter naar wie de zaak is verwezen dient vragen van feitelijke en juridische aard die de vernietigde uitspraak onopgelost heeft gelaten, alsnog te behandelen, waarbij hij de uitspraak van de Hoge Raad in acht moet nemen en gebonden is aan eerdere in de zaak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden. Voor het overige zal hij, omdat het cassatieberoep niet dient om de gelegenheid tot een nieuwe instructie te scheppen, de zaak moeten behandelen in de stand waarin zij verkeerde toen de vernietigde uitspraak werd gewezen (zie HR 27 april 1934, NJ 1934 nt. PS en voorts o.a. HR 8 april 1960, NJ 1960, 262, HR 16 december 1962, NJ 1964, 372 nt. HB, HR 19 december 1980, NJ 1982, 65 nt. EAAL en HR 16 december 1988, NJ 1989, 180). Dit betekent dat het hof slechts bevoegd was de vraag te beoordelen of de rechtsverhouding van partijen inmiddels al dan niet is geëindigd, indien deze vraag naar de stand van de zaak waarin deze verkeerde toen de vernietigde uitspraak van de rechtbank werd gewezen, tot de rechtsstrijd van partijen behoorde.

c. Wanneer de Hoge Raad niet een bepaalde uitleg aan (rechtsoverwegingen uit) de vernietigde uitspraak heeft gegeven, dient de verwijzingsrechter dat zelf te doen. Deze uitleg is van feitelijke aard en kan derhalve in cassatie niet op juistheid worden getoetst (zie HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348). Nu de Hoge Raad zich in zijn eerdere uitspraak niet heeft uitgelaten over de vraag of de rechtbank een beslissing heeft gegeven over de vraag of de rechtsverhouding van partijen inmiddels al dan niet is geëindigd, was het derhalve aan het hof om deze vraag van uitleg van het gecasseerde vonnis van de rechtbank te beslissen.

13. Dit een en ander in aanmerking genomen, komen de vragen die het onderdeel aan de orde stelt erop neer (i) of het hof, gelet op de stand waarin de zaak verkeerde toen de vernietigde uitspraak werd gewezen, überhaupt bevoegd was zich in te laten met en uitspraak te doen over de vraag of de arbeidsverhouding van partijen is geëindigd en, zo ja, (ii) of de rechtbank in het gecasseerde vonnis met betrekking tot de datum waarop de arbeidsverhouding van partijen is geëindigd reeds een beslissing had gegeven die in de eerdere cassatieprocedure niet of tevergeefs is bestreden en derhalve onaantastbaar is geworden.

14. Wat de sub (i) bedoelde vraag betreft, is van belang dat de rechtbank in haar vonnis - onbestreden in de eerdere cassatieprocedure - heeft overwogen dat [eiseres] in hoger beroep haar eis handhaaft zoals in eerste aanleg ingesteld (r.o. 3.10). De eis in eerste aanleg strekte tot nietigverklaring van het ontslag en veroordeling van De Klinkaert tot doorbetaling van het loon "tot het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd". In hoger beroep heeft [eiseres] zich uitdrukkelijk uitgelaten over de wijzen waarop de rechtsbetrekking tussen partijen, voor zover er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht, in haar ogen rechtsgeldig kan worden beëindigd. In dit verband heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een overeenkomst van opdracht niet op grond van art. 7:685 BW kan worden ontbonden (zie o.m. de toelichting op de grieven 7 en 9 van de conclusie van eis in hoger beroep). De Klinkaert heeft deze stellingen van [eiseres] niet uitdrukkelijk weersproken. Zij heeft in hoger beroep slechts (nogmaals) benadrukt dat van een arbeidsovereenkomst tussen partijen geen sprake is (zie haar reactie op de grieven 7 en 9 bij de memorie van antwoord).

15. Gelet op dit een en ander kan niet worden gezegd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een beslissing te geven met betrekking tot de vraag of een rechtsgeldige beëindiging van de rechtsbetrekking tussen partijen inmiddels heeft plaatsgevonden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de eis van [eiseres] in het licht van haar stellingen in hoger beroep aldus verstaan dat [eiseres], in geval van nietigverklaring van het ontslag, tevens een beslissing wenste over het voortduren van de loondoorbetalingsverplichting van De Klinkaert en daarmee over de vraag of de rechtsbetrekking tussen partijen inmiddels al dan niet is geëindigd. De onder (i) bedoelde vraag kan derhalve in bevestigende zin worden beantwoord.

16. De sub (ii) bedoelde vraag moet m.i. evenwel in ontkennende zin worden beantwoord. De rechtbank heeft in haar vonnis als haar oordeel te kennen gegeven dat bij gebreke van een rechtsgeldige opzegging (wegens het ontbreken van toestemming ex art. 6 BBA) de overeenkomst van opdracht tussen partijen ook na 1 november 1996 voortduurt (r.o. 3.7) en dat de vordering tot doorbetaling van loon zolang als de overeenkomst van opdracht voortduurt, toewijsbaar is (r.o. 3.7). Blijkens r.o. 3.10 heeft de rechtbank kennis genomen van de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 5 augustus 1997, doch - nu zij daaraan geen consequenties heeft verbonden met betrekking tot de duur van de loondoorbetalingsverplichting van De Klinkaert - kennelijk en terecht (vgl. HR 8 november 1996, NJ 1997, 217 nt. PAS) geoordeeld dat deze beschikking geen einde aan overeenkomst van opdracht tussen partijen heeft gemaakt. Aangezien deze beslissing in het eerdere cassatieberoep niet is bestreden, kan de gevolgtrekking slechts zijn dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing is getreden door zich alsnog te begeven in een onderzoek naar de vraag of de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch een einde heeft gemaakt aan de rechtsbetrekking van partijen en te oordelen dat als gevolg van deze beschikking de rechtsbetrekking tussen partijen met ingang van 1 september 1997 is geëindigd.

17. Onderdeel I van het middel is, zo volgt, terecht voorgesteld.

18. Onderdeel II van het middel, dat zich keert tegen het rechtsgevolg dat het hof aan de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch heeft verbonden, en onderdeel III, dat betoogt dat de beslissing van het hof met betrekking tot de vraag of de rechtsbetrekking van partijen inmiddels is geëindigd, is totstandgekomen met schending van het beginsel van hoor en wederhoor resp. een verboden verrassingsbeslissing oplevert, hebben ten opzichte van onderdeel I kennelijk een subsidiair karakter en behoeven, indien onderdeel I doel treft, geen behandeling.

19. Gegrondbevinding van onderdeel I van het middel leidt tot de gevolgtrekking dat het bestreden arrest van het hof niet in stand kan blijven en dat, nu het hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat is komen vast te staan dat [eiseres] gehouden was de bedongen arbeid (het tennisonderricht) persoonlijk te verrichten, op het bestaande hoger beroep beslist dient te worden zoals de rechtbank, die eveneens ervan is uitgegaan dat [eiseres] gehouden was de bedongen arbeid persoonlijk te verrichten, bij haar vonnis van 27 oktober 1998 heeft beslist. De Hoge Raad kan de zaak, na vernietiging van het bestreden arrest van het hof, derhalve zelf afdoen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als weergegeven onder 19.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,