Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT8328

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2005
Datum publicatie
27-09-2005
Zaaknummer
03036/04 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT8328
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. 1. Een verzoek ex art. 318.3 SvNA kan worden afgewezen a.d.h.v. de in lid 4 van dat artikel vermelde maatstaf, te weten dat het achterwege blijven van de dagvaarding van een getuige redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met getuigen à charge. Het hof heeft die maatstaf niet miskend en de afwijzing van het getuigenverzoek is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat zij blijkens de toelichting op het verzoek gehoord zouden moeten worden over de vraag of het bedrijf X de in de tenlastelegging bedoelde giften heeft gedaan teneinde verdachte te bewegen om te handelen i.s.m. zijn ambtsplicht, terwijl voor de toepassing van art. 379 SrNA de subjectieve bedoeling van de gever niet van belang is (HR NJ 1947, 170). Dat de giften zouden zijn gedaan in het kader van “fundraising” is evenmin relevant. 2. Het hof heeft geoordeeld dat de aan art. 379 SrNA ontleende term 'in strijd met zijn plicht' mede feitelijke betekenis heeft. Dat oordeel, waarin besloten ligt dat de dagvaarding wat betreft de opgave van het feit voldoet aan art. 285 SvNA, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 542
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03036/04 A

Mr. Vellinga

Zitting: 21 juni 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3. tenlastegelegde en wegens 1. primair als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 379 aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht en 2. overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening, veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 03031/04 A, 03032/04 A, 03033/04 A, 03034/04 A, 03035/04 A, 03036/04 A en 03037/04 A. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter zake van feit 1 als getuigen te horen onbegrijpelijk is.

5. Ten laste van de verdachte is onder 1. bewezenverklaard:

"dat hij in de periode van juli 2001 tot en met 8 december 2002 op het eiland Curaçao, zulks terwijl hij, verdachte, Gedeputeerde van de Dienst Openbare Werken van het eilandgebied Curaçao, aldus ambtenaar was (in de zin van artikel 379 jo 86 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen), giften, te weten geldbedragen, heeft aangenomen van [A] NV, door tussenkomst van [betrokkene 1] (zijnde deze [betrokkene 1] werkzaam bij [A] NV), wetende dat die giften aan hem, verdachte, werden gedaan teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, te weten:

zorg te dragen dat (uit te voeren) (bouw)projecten aan [A] NV werden (zouden worden) toebedeeld,

en een relatie met [A] NV te doen ontstaan/aan te gaan en/of te (blijven) onderhouden waarin het doen van die giften mogelijk is/wordt en waarin hij, verdachte, als Gedeputeerde tegenover die [A] NV niet meer zo vrij en/of onbeïnvloed en/of onafhankelijk en/of objectief is/kan zijn bij het nemen van beslissingen waarbij die aannemingsmaatschappij als belanghebbende is betrokken als in het geval dat hij die gift(en) niet had aangenomen."

6. Tot de stukken van het geding behoren:

(i) een op 16 april 2004 verzonden faxbericht afkomstig van de raadsman van verdachte en gericht aan het Hof, waarin de raadsman aan het Hof verzoekt een zevental getuigen te horen, waaronder [betrokkene 1] en [betrokkene 2];

(ii) een aan de raadsman gerichte brief van 19 april 2004 van de Advocaat-Generaal bij het Hof, inhoudende dat hij de "brief", houdende een verzoek om zeven getuigen, door tussenkomst van het Hof heeft ontvangen en dat hij het verzoek niet zal honoreren voorzover dat had moeten dienen als verzoek in de zin van art. 289 lid 2 SvNA.

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2004 heeft:

(i) de voorzitter meegedeeld:

"(...) dat de raadsman per brief van 16 april 2004 heeft voorgesteld zeven personen als getuigen te doen horen. (...)"

(ii) de raadsman het verzoek onder meer als volgt toegelicht:

"Ik wil dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in verband met feit 1 worden gehoord. Het gaat bij dit feit niet alleen om het doen van een gift, maar ook of deze gedaan is om mijn cliënt te bewegen om te handelen in strijd met zijn ambtsplicht. De verdeling van de projecten stond al bij voorbaat vast. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn hiervan op de hoogte geweest en wisten daarom dat het geen nut had om smeergeld te betalen, daar er toch niets mee te bereiken was."

(iii) de verdachte ter aanvulling verklaard:

"Ik heb steeds gezegd dat ik de geldbedragen in het kader van fundraising heb ontvangen. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen dit bevestigen."

(iv) de Procureur-Generaal zijn bezwaar tegen deze getuigen als volgt toegelicht:

"[Betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen niets verklaren over de vraag of de giften werden gedaan om de verdachte te bewegen om iets in strijd met zijn ambtsplicht te doen. Zij gaven geld en verwachtten daar iets voor terug, het maakte niet uit of dat nu wel of niet in strijd met de ambtsplicht van de verdachte was. (...)"

8. Het Hof heeft het verzoek voor wat betreft de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vervolgens afgewezen en daartoe overwogen:

"Het Hof meent dat er geen verdedigingsbelang is bij het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Deze personen kunnen niet uit eigen wetenschap verklaren of de projectverdeling al bij voorbaat vast stond."

9. De voor de beoordeling van het middel relevante wettelijke bepalingen luiden als volgt:

Art. 289 SvNA

1. De verdachte heeft het recht getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen dagvaarden.

2. Hij geeft deze daartoe ten minste drie dagen voor de terechtzitting in persoon ten parkette van de officier van justitie of schriftelijk bij aangetekende, aan de officier gerichte brief op. Hij vermeldt daarbij de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief, die onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van opgave.

3. De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van het tweede lid, onverwijld dagvaarden, tenzij er naar zijn oordeel dwingende gronden bestaan om de dagvaarding te weigeren. In dit laatste geval maakt hij de verdachte opmerkzaam op het bepaalde in artikel 318, derde lid.

4. De getuigen en deskundigen, die zijn gedagvaard, worden gebracht op de in artikel 318, tweede lid, bedoelde lijst.

Art. 318 SvNA

1. De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen over.

2. Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier.

3. Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen.

4. Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

(...)

Art. 358 SvNA

1. Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.

(...)

Art. 371 SvNA

Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.

10. Het verzoek om de bewuste getuigen te doen horen was in een faxbericht vervat en niet zoals art. 289 lid 2 SvNA eist in een aangetekende brief, nog daargelaten dat de telefax niet aan de Advocaat-Generaal maar aan het Hof was gericht.(1) Derhalve heeft het Hof bij monde van zijn voorzitter het faxbericht met juistheid als slechts een aan het Hof gedaan "voorstel" om getuigen te horen aangemerkt en niet als een verzoek als bedoeld in art. 289 SvNA.

11. Maatstaf voor de beoordeling van het onderhavige verzoek is derhalve of het horen van de getuigen en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] noodzakelijk is (art. 358 lid 1 SvNA) en niet, zoals in de toelichting op het middel tot uitgangspunt wordt genomen, of de verdachte door afwijzing van het verzoek tot het horen van genoemde getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad. De in de toelichting vervatte klachten die ten onrechte zijn gebaseerd op laatstgenoemde maatstaf, laat ik hier daarom verder buiten beschouwing.

12. Het oordeel van het Hof begrijp ik aldus, dat de noodzaak om de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen niet is gebleken, omdat daarin geen belang van de verdediging is gelegen, nu zij niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren of de projectverdeling al bij voorbaat vaststond.

13. In de toelichting op het middel wordt er terecht over geklaagd dat het Hof aldus ten onrechte vooruit is gelopen op de inhoud van de door de getuigen af te leggen verklaringen. Bovendien gaat het Hof er aan voorbij dat de verdachte het verzoek de getuigen te horen heeft toegelicht door erop te wijzen dat zij kunnen bevestigen dat hij genoemde gelden heeft ontvangen in het kader van fundraising voor zijn politieke partij.

14. Niettemin blijft de vraag of hetgeen de getuigen volgens de toelichting op het verzoek zouden kunnen verklaren relevant is met het oog op het bewijs van het onder 1. primair tenlastegelegde.

15. Het onder 1. primair tenlastegelegde is toegespitst op het bepaalde in art. 379, aanhef en onder 10 SrNA, luidende:

Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn

plicht, in zijne bediening iets te doen of na te laten;

16. Deze bepaling eist niet dat de verdachte inderdaad iets in strijd met zijn plicht heeft gedaan of nagelaten(2) en evenmin dat hetgeen waartoe de gift wordt gegeven inderdaad kan worden gerealiseerd.

17. Ook de bedoeling van de gever is voor de vraag of een ambtenaar zich aan passieve omkoping schuldig maakt niet van belang. In HR april 1946, NJ 1946, 324 overwoog de Hoge Raad in een geval van vervolging ter zake van het met art. 379 SrNA - afgezien van het redelijkerwijs vermoeden - overeenkomende art. 363 lid 1 Sr, dat voor het bewijs van de wetenschap van de verdachte niet van belang was de "innerlijke zich op geenerlei wijze tegenover den begiftigde geuite bedoeling van hem, die de gift deed (...) ". Deze bedoeling zou zijn geweest dat de gever niet wenste dat de verdachte uitvoerde datgene waartoe hem de gift was verstrekt. In dezelfde geest overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 4 februari 1947, NJ 1947, 170, "(...) dat, om de in art. 363, sub 10 Sr. vermelde wetenschap te kunnen aannemen, het er slechts op aankomt of de begiftigde ambtenaar zelf er zich van bewust is geweest dat de gift de strekking had om hem te bewegen om een bepaalde met zijn ambtsplicht strijdige handeling te verrichten, daargelaten of de gever inderdaad het oogmerk had dat die handeling ook werkelijk zou geschieden;".(3)

18. Het voorgaande brengt mee, dat ook al zou juist zijn hetgeen de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zouden kunnen verklaren, namelijk dat zij ervan op de hoogte waren dat de verdeling van de projecten al bij voorbaat vast stond en zij wisten dat het daarom geen nut had smeergeld te betalen, die omstandigheid er niet aan in de weg staat dat de verdachte de geldbedragen heeft ontvangen in het bij hem levende besef dat deze geldbedragen hem werden gegeven om hem te bewegen er in strijd met zijn plicht voor te zorgen dat (uit te voeren) (bouw)projecten aan [A] B.V. zouden worden toebedeeld. Dat geldt temeer wanneer wordt bedacht dat de tenlastelegging niet alleen betrekking heeft op reeds bestaande projecten, die aldus voorwerp van verdeling kunnen zijn geweest, maar ook op projecten die nog niet in die fase verkeerden of in het geheel nog niet waren opgezet.

19. Voor het feit dat, zoals de getuigen zouden kunnen verklaren, de aan de verdachte gegeven bedragen werden gegeven in het kader van fundraising voor verdachtes politieke partij, geldt hetzelfde. Dit feit doet niet af aan bedoeld besef. Het levert eerder een versterking van het bewijs daarvan. Ligt het immers niet voor de hand dat door een bouwmaatschappij geschonken bedragen er toe strekken dat, om het voorzichtig te zeggen, bij de gunning van bouwwerken vooral ook aan deze bouwmaatschappij wordt gedacht ?

20. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren het bewijs van het tenlastegelegde onverlet laat en dus niet relevant is. Het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] was dus niet noodzakelijk. Derhalve heeft het Hof het verzoek tot het horen van genoemde getuigen terecht afgewezen, wat er ook zij van de door het Hof gegeven motivering.

21. Het middel faalt.

22. Het tweede middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring in beslissende dan wel overwegende mate laat berusten op de verklaringen van deze [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zonder dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld hen te ondervragen.

23. Anders dan aan het middel ten grondslag ligt berust het bewijs niet in beslissende dan wel overwegende mate op de verklaringen van de getuigen. Verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring bevat immers een uitgebreide bekentenis van het onder 1. bewezenverklaarde. Daarin vinden de verklaringen van de niet gehoorde getuigen voldoende steun.(4)

24. Voorts heeft de verdachte niet verzocht de getuigen te horen met betrekking tot hun reeds afgelegde verklaringen maar over de hiervoor genoemde, voor het bewijs van het onder 1. tenlastegelegde irrelevante feiten. Dan levert het weigeren getuigen te horen geen schending op van het overigens in deze Antilliaanse strafzaak niet toepasselijke art. 6 lid 3 sub d EVRM op(5) en daarmee evenmin van het op die bepaling mede geïnspireerde art. 318 lid 4 SvNA(6).

25. Het middel faalt.

26. Het derde middel betoogt dat het Hof ten onrechte de tenlastelegging slechts partieel nietig heeft verklaard. Het voert daartoe aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de daarin voorkomende term "in strijd met zijn plicht" niet alleen kwalificatief, maar ook feitelijk voldoende duidelijk is. Het middel heeft het oog op een ambtshalve overweging van het Hof ten aanzien van de tenlastelegging van feit 1, inhoudende:

"Het gevolg van het voorgaande (het oordeel dat de feitelijke uitwerking van het begrip "in strijd met zijn plicht" onbegrijpelijk en de tenlastelegging dus in zoverre nietig is, WHV) is dat in de tenlastelegging weliswaar het bestanddeel "in strijd met zijn plicht" is vermeld, maar dat geen feitelijke uitwerking daarvan is opgenomen. Dat gebrek aan feitelijke uitwerking maakt de tenlastelegging, zoals deze na de gedeeltelijke nietigverklaring luidt, niet nietig. De term "in strijd met zijn plicht" is namelijk, mede bezien tegen de achtergrond van het dossier en gelet op hetgeen van algemene bekendheid is omtrent de wijze waarop een ambtenaar zijn taak behoort uit te oefenen, niet alleen kwalificatief, maar ook feitelijk voldoende duidelijk. Het Hof komt daarop hierna, onder de nadere bewijsoverwegingen, terug."

De bestreden uitspraak bevat de volgende nadere bewijsoverweging op dit punt.

"In strijd met zijn plicht

Het beoogde handelen van verdachte in strijd met zijn plicht bestond hierin dat hij zou handelen in strijd met de voor hem geldende gedragslijn dat een ambtenaar - naar uit de aard van het ambtenaarschap voortvloeit - in zijn taakuitoefening eerlijk, nauwgezet en neutraal dient te zijn en alle belanghebbenden gelijkelijk dient te behandelen. Het geven van een voorkeursbehandeling is op die grond verboden. [A] N.V. wenste echter een dergelijke voorkeursbehandeling. Liefst zag dat bedrijf dat verdachte het zo organiseerde dat aan [A] N.V. projecten werden gegund (zonder dat andere bedrijven een gelijke kans op projectverwerving zouden krijgen als [A] N.V.), maar voor het geval de macht van verdachte niet zover reikte wenste [A] N.V. dat het afkomen van projecten voor [A] N.V. werd bespoedigd (hetgeen tot gevolg kon hebben dat door andere aannemers uit te voeren projecten zouden worden vertraagd). Meer in het algemeen was het zo, dat [A] N.V. van verdachte verlangde dat [A] N.V. immer een streepje vóór zou hebben bij hem. Verdachte wist dat; het Hof wijst daarbij in het bijzonder op de in de bewijsmiddelen (onder 9) opgenomen verklaring van verdachte zelf waarin het zegt: "[A] N.V. vermoeden dat zij mij kunnen beïnvloeden in het verschaffen van werk c.q. projecten en daardoor geven zij mij geld."

27. Het onder 1. primair tenlastegelegde feit bevat - kort gezegd - het verwijt dat verdachte in strijd met zijn plicht giften heeft ontvangen wetende dat deze werden gedaan teneinde hem ertoe te bewegen dat (specifieke) bouwprojecten zouden worden gegund aan [A] B.V. In aanmerking genomen dat het van verdachte als ambtenaar gevraagde doen of laten is beschreven als het doen gunnen van projecten aan [A] B.V. en het doen ontstaan of blijven onderhouden van een zodanige relatie met [A] B.V. dat hij niet meer zo vrij was bij het nemen van beslissingen waarbij [A] B.V. was betrokken dan wanneer hij die giften niet had aangenomen, ligt daarin onmiskenbaar besloten dat de plicht waarop de tenlastelegging doelt, bestaat in het gelijkelijk behandelen van alle belanghebbenden en de verdachte dus geldbedragen werden gegeven teneinde hem te bewegen te handelen in strijd met die plicht en ten voordele van [A] B.V. Dit betekent, dat gelet op het verband waarin in de tenlastelegging van "plicht" wordt gesproken, het oordeel van het Hof dat het begrip "plicht" in de onderhavige tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis heeft, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dat het niet onbegrijpelijk is en voldoende gemotiveerd.

28. Overigens merk ik op dat de rechtspraak van de Hoge Raad sinds HR 22 september 1987, NJ 1988, 381 kennelijk de vraag doet rijzen of deze noopt tot de door het Hof uitgesproken partiële nietigheid. Volgens Sikkema(7) lijkt de Hoge Raad bij dit arrest voor het eerst het uitgangspunt te hebben verlaten dat het handelen in strijd met een plicht moet bestaan in een op zichzelf ongeoorloofde tegenprestatie. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het handelen in strijd met een plicht kon worden afgeleid uit het feit dat de ambtenaar steekpenningen had ontvangen in ruil voor de aanbesteding van werken. In HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 472 werd deze lijn, aldus Sikkema, voortgezet omdat daar geen relatie viel te leggen tussen de gift en het gunnen aan een schoonmaakbedrijf van een bevoorrechte positie, nu niet duidelijk was of het schoonmaakbedrijf al dan niet de goedkoopste aanbieder was. Ik betwijfel of de door Sikkema uit deze arresten getrokken conclusie juist is.(8) In het eerste geval hecht de Hoge Raad met zoveel woorden belang aan het feit dat de door de ambtenaar voor de gunning van werken ontvangen betalingen steekpenningen worden genoemd. Daarin ligt wel haast onontkoombaar opgesloten dat de ambtenaar bij die gunning een ongeoorloofde tegenprestatie verrichtte. In het tweede geval gaf de ambtenaar die de betaling had ontvangen toestemming voor schoonmaakwerkzaamheden hoewel het contract met het schoonmaakbedrijf was opgezegd, en werden die werkzaamheden keurig betaald hoewel het Rijksinkoopbureau de facturen niet "afstempelde". Juist gezien de opzegging van het contract kan daaruit worden afgeleid dat de ambtenaar een ongeoorloofde tegenprestatie verrichtte door zaken te doen met het schoonmaakbedrijf waarvan het contract was opgezegd.

29. Het middel voert verder aan dat de door het Hof bedoelde gelijke behandeling alleen hoeft plaats te vinden indien sprake is van gelijke gevallen. Als hiermee wordt bedoeld dat het Hof dit heeft miskend, berust het middel op een onjuiste lezing van de uitspraak. Een andere bedoeling kan ik uit deze klacht niet opmaken.

30. Het middel faalt.

31. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer dat er geen sprake is van het aannemen van giften teneinde de verdachte te bewegen om in strijd met zijn plicht iets te doen heeft verworpen, althans dat de verwerping van dat verweer zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

32. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Teneinde hem te bewegen

Verdachte heeft het verweer gevoerd dat hij niet de feitelijke macht had om projecten aan [A] te geven en heeft op grond daarvan vrijspraak bepleit.

Daargelaten de vraag of verdachte niet de feitelijke macht had om projecten aan [A] te geven geldt, dat [A] N.V. niettemin wel beoogde hem ertoe te bewegen zijn invloed aan te wenden teneinde tot projectuitgifte aan [A] N.V. te komen en dat verdachte zulks, gelijk hiervoor reeds uiteengezet, wist. Voor strafbaarheid is niet vereist dat het daadwerkelijk tot enige bevoordelingshandeling door de ambtenaar is gekomen, maar is slechts vereist dat de omkoper beoogt de ambtenaar middels betaling of beloften te bewegen om in strijd met diens plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten en de ambtenaar zulks weet. Aan die vereisten is voldaan."

33. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof de met de tenlastelegging onverenigbare mogelijkheid opengelaten dat er weliswaar giften zijn gedaan maar de verdachte de gever bij voorbaat duidelijk had gemaakt dat die giften zinloos waren. Met het middel is aldus kennelijk bedoeld naar voren te brengen dat de gebezigde bewijsmiddelen geenszins genoemde mogelijkheid uitsluiten. Een dergelijke stelling kan niet voor het eerst in cassatie worden betrokken (HR 25 maart 2003, LJN AF5388).

34. Het middel faalt.

35. Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat verdachte de giften slechts heeft aangenomen in het kader van de financiering van de partij en niet in dat van zijn bediening als ambtenaar, althans dat die verwerping zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

36. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Fundraising

Het verweer is gevoerd dat de aan [verdachte] betaalde bedragen slechts het karakter hadden van sponsoring van of fundraising door de politieke partij [...] en een dergelijke vorm van sponsoring of fundraising van oudsher gebruikelijk en toelaatbaar is. Daaraan is de conclusie verbonden dat aan het feit van de diverse betalingen niet de conclusie van passieve omkoping kan worden verbonden, zodat vrijspraak moet volgen.

Bij de beoordeling van dit verweer dient voorop gesteld te worden dat een wettelijke regeling van de financiering van politieke partijen ontbreekt. Onderlinge afspraken tussen de politieke partijen inzake hun financiering bestaan ook niet. Dat betekent dat het beoordelingskader voor wat betreft de bestaande regulering slechts gevormd wordt door hetgeen gebruikelijk is en dan nog slechts voor zover dat ter terechtzitting is gebleken of als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt.

Met deze beperking in het achterhoofd kan worden geconstateerd dat politieke partijen hier te lande van oudsher fondsen proberen te verwerven om daaruit partijkosten te voldoen. Die fondsen komen, voor zover hier nu van belang, onder andere uit het bedrijfsleven. Een veel gebruikt systeem is dat van de lootjesverkoop: partijen geven zogenaamde "loten" uit en pogen deze, onder andere, door het bedrijfsleven te doen afnemen. Van een echte loterij is lang niet altijd sprake; er is namelijk lang niet altijd een trekking. Ook echter indien wel van een trekking plaats vindt is in feite veelal sprake van een verkapte vorm van het doen van een gift omdat de prijs van de loten in geen enkele verhouding staat tot de waarde van de prijs en de koper van de lootjes een prijs veelal niet eens wenst te ontvangen.

In landen waar wel sprake is van een wettelijke regeling van de financiering van politieke partijen (bijvoorbeeld Nederland, België, Duitsland, Verenigde Staten van Amerika) varieert deze regeling van beperkt (slechts de subsidiëring door de overheid) tot uitgebreid (de gehele financiering). Gemeenschappelijk is echter dat de regeling voortkomt uit de behoefte zoveel mogelijk te voorkomen dat volksvertegenwoordigers bij hun oordeelsvorming beïnvloed worden door eigen financiële belangen of die van hun partij. Die gedachte ligt eveneens ten grondslag aan de strafbaarstelling van passieve omkoping. Deze zaak draait om de vraag waar de grens ligt tussen geoorloofde partij financiering en passieve omkoping.

De wet (artikel 378 en 379 Sr) bepaalt dat strafbaar is de ambtenaar die een gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten. De wet legt aldus een direct verband tussen de gift en de wetenschap dat iets concreets (in ruil daarvoor) wordt verlangd. Indien dat verband aanwezig is kan van geoorloofde partijfinanciering niet meer gesproken worden, maar is sprake van een ambtenaar die zich laat omkopen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het vereiste verband tussen de giften en de wetenschap dat iets concreets (in ruil daarvoor) wordt verlangd aanwezig was. Om te beginnen is er de, hiervoor al aangehaalde, verklaring van verdachte zelf waarin hij uitdrukkelijk erkent te weten dat hij geld kreeg omdat [A] N.V. vermoedde dat zij hem aldus kon beïnvloeden bij het verschaffen van werk c.q. projecten. Daarbij komt dat de afspraak over het doen van giften is gemaakt tijdens een bespreking over door het Eilandgebied Curaçao uit te geven projecten. Op basis van de door verdachte zelf gegeven opsomming van projecten heeft de directeur van [A] N.V. ([betrokkene 2]) daarop een berekening gemaakt van de "acquisitiekosten" per project. Naar aanleiding van die berekening is vervolgens aan verdachte toegezegd dat NAF. 150.000,- (bestemd voor de partij [...]) zou worden betaald. Het verband tussen de giften en het toespelen van projecten is aldus zonneklaar en dat maakt dat - ook indien de giften daadwerkelijk geheel aan de partij [...] ten goede zijn gekomen - sprake was van een ambtenaar die zich liet omkopen en niet van geoorloofde partijdonaties."

37. Volgens de toelichting op het middel had het Hof in de omstandigheden van het onderhavige geval nader moeten aangeven waarom juist de verdachte strafbaar is. Daartoe wijst het middel erop dat er sprake was van partijdonaties, dat de giften die de verdachte kreeg onmiddellijk werden doorgesluisd naar de partij [...], dat hij deze donaties niet aannam in zijn hoedanigheid van ambtenaar maar als partijpoliticus en dat daarmee het algemeen belang werd gediend dat politieke partijen worden gefinancierd.

38. Anders dan aan het middel ten grondslag ligt staat de omstandigheid dat de onderhavige giften aan de verdachte werden gedaan ter financiering van zijn partij er niet aan in de weg dat - zoals het Hof met juistheid heeft geoordeeld - er een zodanig concreet verband kan zijn tussen het aannemen van een gift en de wetenschap dat iets concreets (in ruil daarvoor) wordt verlangd dat in deze wijze van partijfinanciering overtreding van art. 379 SrNa besloten kan liggen. Zoals het Hof onbestreden uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid was in het onderhavige geval van een dergelijk concreet verband sprake. Dat ligt immers met name besloten in verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring, dat [A] B.V. hem geld gaf omdat zij denkt dat zij hem als gedeputeerde kan beïnvloeden in het verschaffen van werk c.q. projecten.

39. Tegen deze achtergrond behoefde het oordeel van het Hof noch de verwerping van het verweer nadere motivering.

40. Het middel faalt.

41. De middelen falen. De middelen 2, 3 en 5 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

42. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De vraag of het verzoek binnen drie dagen vóór de terechtzitting is gedaan, kan dus buiten beschouwing blijven.

2 Vgl. HR 22 februari 2000, NJ 2000, 557 (m.nt. Sch.) t.a.v. art. 362 Sr alsmede E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht (diss. Groningen), Boom Juridische uitgevers 2005, p. 204, 243.

3 Zo ook HR 20 juni 1967, NJ 1968, 67.

4 Dat is voldoende: HR 14 april 1998, NJ 1999, 73, HR 29 september 1998, NJ 1999, 74, m. nt. Kn. Zie voor een geval van voldoende steun, waarin minder steun was dan in het onderhavige geval HR 30 maart 2004, NJ 2004, 344.

5 EHRM 3 februari 2004, EHRC 2004, 24.

6 Vgl. de memorie van toelichting op het toenmalige art. 323 in het ontwerp, weergegeven in T.M. Schalken & S.W. Mul (red.), Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba; Bronnenpublicatie, Deel I: Parlementaire stukken, Deventer: Gouda Quint 1997, p. 92.

7 E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht (diss. Groningen), Boom Juridische uitgevers 2005, p. 259.

8 Zie in dit verband ook J.F.L. Roording, Corruptie in het Nederlandse strafrecht, (preadvies voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland), DD 2002, p. 106-161, die (p. 123) opmerkt dat de rechtspraak genoeghen neemt met betrekkelijk algemene omschrijvingen.