Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT8240

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2005
Datum publicatie
18-11-2005
Zaaknummer
C04/118HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT8240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen de eigenaar van een strook grond en zijn buurman die de grond eerst in huur en vervolgens om niet in gebruik heeft gekregen, eigendomsverkrijging door extinctieve verjaring?, stuiting, aanvangstijdstip verjaringstermijn van rechtsvordering tot ontruiming als bedoeld in art. 3:306 BW, bezit en houderschap, interversie (art. 3:111 BW); HR doet zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 658
NJ 2006, 150
JWB 2005/392
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C04/118HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 24 juni 2005

Conclusie inzake

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2]

tegen

[verweerder]

Inleiding

1. Partijen, verder: [eiser] c.s. en [verweerder] zijn buren. In deze zaak gaat het om de vraag of [verweerder] door verjaring de eigendom heeft verkregen van een strook grond, totaal circa 325 m2, die al sinds vele jaren bij hem als deel van zijn inrit in gebruik is doch deel uitmaakt van het kadastrale perceel van [eiser] c.s.; daarbij gaat het om de verkrijging door extinctieve verjaring op de voet van art. 3:105 BW, inhoudende dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Het hof heeft bovengenoemde vraag bevestigend beantwoord nadat het had vastgesteld dat [verweerder] in ieder geval tot aan 18 februari 1981 niet als bezitter kon worden aangemerkt. Daarbij was voor het hof cruciaal een passage van [eiser] c.s. in de conclusie na enquête in eerste aanleg; uit deze stelling heeft het hof afgeleid dat tussen partijen in confesso is dat de verjaringstermijn van art. 3:105 BW op 18 februari 1981 een aanvang heeft genomen, hetgeen het hof tot de slotsom heeft geleid dat de vordering van [eiser] c.s. op 19 februari 2001 is verjaard (dat wil zeggen voordat de inleidende dagvaarding op 13 augustus 2001 werd uitgebracht). [Eiser] c.s. betogen in cassatie dat het hof aldus eraan heeft voorbijgezien dat [eiser] c.s. de door het hof bedoelde stelling in hun memorie van antwoord hebben "hersteld".

2. De rechtbank en het hof hebben de volgende feiten als vaststaand tussen partijen aangemerkt (rechtsoverweging 2 van het tussenvonnis van 22 februari 2002 en rechtsoverweging 2 van het arrest van het hof):

[Eiser] c.s. zijn sinds 3 november 1998 eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats]. [Verweerder] is sinds 9 december 1971 eigenaar van het (belendende) perceel [a-straat 2] te [plaats]. De akte van levering van 18 februari 1981, waarbij rechtsvoorgangers van [eiser] c.s. het perceel [a-straat 1] hebben verkregen houdt onder meer in: "dat kopers het gekochte aanvaarden, op heden ontruimd en vrij van pacht, doch, voorzover het betreft een gedeelte van de inrit, in genot van huur ten behoeve van de firma [A], [a-straat 2] te [plaats], partijen zonder nadere omschrijving voldoende bekend..."

3. Bij exploot van 13 augustus 2001 hebben [eiser] c.s. [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder] geen eigenaar is van de litigieuze strook grond en dat [eiser] c.s. eigenaar zijn van deze grond; voorts hebben zij gevorderd [verweerder] te veroordelen tot ontruiming van deze strook grond.

[Eiser] c.s. hebben daartoe onder meer aangevoerd dat [verweerder] stelt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, doch dat zulks niet het geval is nu er steeds sprake is geweest van een persoonlijk gebruiksrecht van [verweerder] naar blijkt uit de notariële transportakte van 18 februari 1981, inhoudende dat het perceel [a-straat 1] aan de rechtsvoorganger van [eiser] c.s., de vennootschap onder firma Werktuigen-Combinatie Meeden, wordt geleverd "voorzover het betreft een gedeelte van de inrit, in genot van huur ten behoeve van de firma [A]" alsmede uit de boekhouding van de rechtsvoorganger van deze v.o.f., de coöperatieve vereniging Meeden W.A., waaruit blijkt van huurbetalingen door [verweerder] voor "een laan".

4. Nadat de rechtbank in zijn bij verstek gewezen vonnis van 7 september 2001 de vorderingen van [eiser] c.s. had toegewezen, heeft [verweerder] tegen dit vonnis verzet ingesteld. In zijn verzetdagvaarding heeft hij aangevoerd dat hij de strook grond sedert 1972 in gebruik heeft, dat hij door verjaring op de voet van art. 3:105 lid 1 BW eigenaar is geworden, dat hij de strook nimmer heeft gehuurd en dat de gegevens uit het litigieuze kasboek geen betrekking hebben op de huur van de litigieuze strook grond maar op de huur van een moestuin.

5. Bij tussenvonnis van 22 februari 2002 heeft de rechtbank [verweerder] opgedragen tegenbewijs te leveren tegen de akte van 1981 wat betreft de huur van de litigieuze strook grond alsmede bewijs te leveren van zijn stelling dat hij de litigieuze strook grond door verjaring in eigendom heeft verkregen.

6. Ter zitting van 2 april 2002 zijn op verzoek van [verweerder] vier getuigen gehoord, te weten [betrokkene 2] (zoon van [betrokkene 3] die in 1981 bij de hiervoor onder 2 genoemde notarile akte het thans aan [eiser] c.s. toebehorende perceel tezamen met [betrokkene 4] in hun hoedanigheid van firmanten van een vennootschap onder firma geleverd heeft gekregen door de toenmalige eigenaar, de coöperatieve vereniging Meeden W.A.) alsmede [verweerder] zelf, [betrokkene 5] (oud-secretaris van de coöperatieve vereniging) en [betrokkene 6] (bedrijfsleider van de coöperatieve vereniging).

[betrokkene 2] heeft onder meer verklaard dat de v.o.f. het pand [a-straat 1] in 1981 heeft gekocht, dat hij en zijn vader wisten dat de litigieuze strook grond die [verweerder] als deel van zijn oprit in gebruik had aan de v.o.f. in eigendom toebehoorde, dat [verweerder] "toen" is komen vragen of hij de grond "mocht blijven gebruiken zoals hij dat steeds had gedaan" en dat hij de grond ook netjes zou onderhouden, dat hij dat aan [verweerder] heeft toegezegd, dat het stukje grond voor hen niet van belang was en dat het maar "moest blijven zoals het was", dat zijn vader het daarmee eens was en dat zij nooit huurpenningen van [verweerder] hebben ontvangen of daarom hebben verzocht. [Betrokkene 2] heeft voorts verklaard te blijven bij zijn schriftelijke verklaring die zich in het dossier bevindt als productie 1 bij de conclusie van eis in oppositie, welke verklaring inhoudt dat de strook grond destijds aan [verweerder] is gegund en dat door de onderlinge goede verstandhouding [verweerder] noch hijzelf niet overtuigd waren van de noodzaak van notarile bevestiging hetgeen achteraf bezien wel verstandig was geweest. [verweerder] zelf heeft verklaard dat hij in 1981 naar genoemde [betrokkene 2] is gegaan om te vragen of hij "het wagenpad" mocht blijven gebruiken op dezelfde wijze als daarvoor.

In zijn conclusie na enquête heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat hij in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

[Eiser] c.s. hebben na enquête geconcludeerd dat [verweerder] geen tegenbewijs heeft geleverd tegen de akte van 1981, waarna zij het volgende hebben aangetekend:

"[Betrokkene 2] heeft met betrekking tot de periode na 1981 verklaard dat [verweerder] het stuk grond mocht gebruiken zonder tegenprestatie. Vanaf het moment dat [betrokkene 2] aan [verweerder] heeft meegedeeld dat hij het stuk grond zonder tegenprestatie mocht gebruiken, vangt de verjaringstermijn genoemd in artikel 3:105 BW aan. Deze termijn vangt, blijkens de verklaring van [betrokkene 2], aan in 1981. [Eiser] c.s. heeft deze verjaring gestuit middels de brieven van notaris [betrokkene 1] dd. 18 mei 1999 en 16 juli 1999 die (...) in het geding worden gebracht."

7. Bij eindvonnis van 26 juli 2002 heeft de rechtbank het bij verstek gewezen vonnis van 7 september 2001 bekrachtigd. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen. Alle getuigen verklaren dat de litigieuze strook grond in 1981 in eigendom was bij de nieuwe eigenaar van perceel [a-straat 1], de v.o.f. Werktuigen-Combinatie Meeden. Ook [verweerder] verklaart dat hij in 1981 naar [betrokkene 2] (zoon van een der firmanten) is gegaan "om te vragen of hij het wagenpad mocht blijven gebruiken op dezelfde wijze als daarvoor". Hieruit blijkt dat [verweerder] in ieder geval in 1981 wist dat hij geen eigenaar doch gebruiker was van de grond. Dit betekent dat tegenbewijs tegen de akte van 1981 in die zin dat, ondanks de tekst van de akte, de strook grond niet (meer) bij perceel [a-straat 1] behoorde, niet is geleverd. Ook het bewijs dat [verweerder] door verjaring eigenaar is geworden, is niet geleverd. Gelet op de verklaring van [betrokkene 2] moet ervan worden uitgegaan dat in ieder geval vanaf 1981 geen huurpenningen meer zijn betaald zodat van huur geen sprake (meer) was. Als er in 1981 al zou kunnen worden gesproken van bezit te goeder trouw en de verjaring van 20 jaar alsdan zou zijn aangevangen, dan zou een eventueel lopende verjaring binnen die termijn in ieder geval zijn gestuit door de brief van [betrokkene 1] d.d. 18 mei 1999 aan [verweerder], waaruit blijkt dat [eiser] c.s. hun recht uit eigendomsrecht van de strook grond wensen uit te oefenen.

8. [Verweerder] is van dit eindvonnis in beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden. In zijn grieven klaagt [verweerder] dat de rechtbank heeft miskend dat hij sinds januari 1972 met toestemming van de toenmalige eigenaar de litigieuze strook grond gebruikt, dat er nooit een huurovereenkomst met betrekking tot de strook grond is gesloten (wél ooit met betrekking tot de moestuin), dat hij met de zinsnede in zijn getuigenverklaring dat hij in 1981 naar [betrokkene 2] is gegaan om te vragen of hij het wagenpad mocht blijven gebruiken op dezelfde wijze als daarvoor - anders dan de rechtbank oordeelt - bedoelde te zeggen dat hij de strook grond reeds in bezit had en dat hij vroeg of hij de strook op dezelfde wijze als daarvoor mocht gebruiken, dat hij reeds in 1972 bezitsacties met betrekking tot de strook grond heeft verricht doordat ter afscheiding een zandwal is geplaatst en de strook is verhard met puin en grind, dat de verjaringstermijn reeds in 1972 is aangevangen en dat de verjaring vanaf 1972 nimmer is gestuit, dat de termijn van 20 jaar als bedoeld in art. 3:105 lid 1 op 1 januari 1993 in werking is getreden zodat de rechtsvordering van [eiser] c.s. op dat moment reeds was verjaard.

[Eiser] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Bij memorie van antwoord hebben zij vooropgesteld dat in ieder geval ten tijde van de verkrijging van perceel [a-straat 1] in 1981 sprake was van huur, zoals blijkt uit de notariële akte van 18 februari 1981 alsmede uit het kasboek van de coöperatieve vereniging. Zij hebben geconcludeerd dat [verweerder] niet op grond van art. 3:105 BW eigenaar kan zijn geworden van de strook grond nu hij daarvan geen bezitter is geworden, in welk verband zij hebben aangevoerd dat [verweerder] op grond van art. 3:111 BW houder van de strook grond blijft zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht hetzij ten gevolge van een handeling voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht en dat [verweerder] niet van houder tot bezitter kan zijn geworden door de verharding van de strook grond met puin en grind. Zij hebben de stelling van [verweerder] dat door hem een zandwal is aangebracht als scheiding tussen de percelen betwist. Zij hebben bij de bespreking van de grief van [verweerder] dat de termijn van de extinctieve verjaring in 1972 is aangevangen nogmaals erop gewezen dat art. 3:105 BW bezit vereist en dat daarvan in 1972 geen sprake was.

9. Vooropstellend dat het zal dienen uit te gaan van de juistheid van de aan [verweerder] verstrekte bewijsopdracht nu tegen het tussenvonnis van de rechtbank 22 februari 2002 geen grief is ontwikkeld, heeft het hof als volgt overwogen.

Het hof heeft het standpunt van [verweerder] dat hij de strook grond al vanaf 1972 in zijn bezit heeft, verworpen. Het heeft met de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] niet erin is geslaagd te bewijzen dat de litigieuze strook grond tot aan 18 februari 1981 door [verweerder] niet werd gebruikt ten titel van huur; het hof heeft in dat verband overwogen dat de door [verweerder] afgelegde getuigenverklaring - inhoudende dat hij in 1981 naar [betrokkene 2] is gegaan om te vragen of hij het wagenpad mocht blijven gebruiken op dezelfde wijze als daarvoor - niet anders kan worden uitgelegd dan dat [verweerder] kennelijk op dat moment van oordeel was geen eigenaar doch gebruiker van de strook grond te zijn. Vervolgens heeft het hof overwogen dat wanneer men eenmaal heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (art. 3:111 BW); het hof heeft geoordeeld dat van tegenspraak geen sprake is geweest. Het hof heeft op grond van deze overwegingen geconcludeerd dat [verweerder] in ieder geval tot aan 18 februari 1981 niet als bezitter is aan te merken, zodat de door hem gestelde verjaring tot dat tijdstip geen aanvang kan hebben genomen.

Vervolgens heeft het hof evenwel onder aanhaling van de hiervoor onder punt 6 geciteerde passage uit de conclusie na enquête in eerste aanleg van [eiser] c.s. overwogen dat het uit deze passage begrijpt dat tussen partijen in confesso is dat de verjaringstermijn van art. 3:105 op 18 februari 1981 een aanvang heeft genomen, waarna het heeft geoordeeld dat de vordering van [eisers] op 19 februari 2001 is verjaard nu de verjaring niet door de brief van de notaris van 18 mei 1999 is gestuit aangezien daarop niet binnen zes maanden een daad van rechtsvervolging is gevolgd zoals vereist door art. 3:317 lid 2 BW.

Het hof heeft ten slotte de vonnissen van de rechtbank van 26 juli 2002 en van 7 september 2001 vernietigd en de vorderingen van [eiser] c.s. alsnog afgewezen.

10. [Eiser] c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

11. Het cassatiemiddel strekt ten betoge dat onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat tussen partijen in confesso is dat de verjaringstermijn van art. 3:105 BW op 18 februari 1981 een aanvang heeft genomen. Het middel betoogt in dat verband dat in de door het hof genoemde passage uit de conclusie na enquête in eerste aanleg inderdaad lijkt te worden toegegeven dat vanaf het moment waarop [betrokkene 2] aan [verweerder] heeft medegedeeld dat hij het stuk grond zonder tegenprestatie mocht gebruiken, geen sprake meer was van huur en dat vanaf dat moment van bezit sprake zou kunnen zijn geweest, doch dat voornoemde stelling in appel in de memorie van antwoord op p. 3, derde (volle) alinea, direct boven het kopje "Ten aanzien van de grieven" is hersteld. In dat verband wordt betoogd dat in bedoelde alinea erop wordt gewezen dat [verweerder] over het hele jaar 1981 nog huur heeft betaald, zodat in ieder geval over het hele jaar 1981 nog sprake was van huur en [verweerder] in dat kalenderjaar dus nog geen bezitter van de strook grond kon zijn geworden, zodat de 20-jarige verjaringstermijn van art. 3:105 BW in ieder geval in het kalenderjaar 1981 nog niet kan zijn aangevangen en een eventueel nadien aangevangen verjaringstermijn tijdig is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding op 21 augustus 2001. Geklaagd wordt dat het hof aan deze essentiële stelling is voorbijgegaan. Betoogd wordt verder dat overigens ook onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat de verjaringstermijn op 18 februari 1981 een aanvang heeft genomen nu op die dag de eigendomsoverdracht van perceel [a-straat 1] heeft plaatsgevonden en zulks nog niet wil zeggen dat het bewuste gesprek tussen [betrokkene 2] en [verweerder], waarop in de door het hof aangehaalde passage in de conclusie na enquête wordt gedoeld, op die dag heeft plaatsgevonden en niet op een datum ná 13 augustus 1981, zodat ook reeds onbegrijpelijk is hoe het hof die passage aldus heeft kunnen uitleggen dat daarmee tussen partijen in confesso is dat de verjaringstermijn is aangevangen op 18 februari 1981, althans niet op een datum ná 13 augustus 1981, in welk geval de verjaringstermijn niet is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding op 13 augustus 2001.

12. Het middel moet naar mijn oordeel slagen. Zoals aangegeven in de hiervoor onder 9 opgenomen weergave van de inhoud van 's hofs arrest, heeft het hof - met juistheid - vooropgesteld dat art. 3:111 BW meebrengt dat wanneer men eenmaal heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht, en dat ervan moet worden uitgegaan dat [verweerder] de litigieuze strook grond tot 18 februari 1981 als huurder in gebruik had zodat tot aan die datum van bezit geen sprake is geweest; vervolgens heeft het hof uitsluitend op grond van de uitleg van de meergenoemde (hiervoor onder 6 geciteerde) passage uit de conclusie na enquête in eerste aanleg van [eiser] c.s. geconcludeerd dat tussen partijen in confesso is dat de verjaringstermijn van art. 3:105 BW op 18 februari 1981 een aanvang heeft genomen. Daarmee heeft het hof evenwel eraan voorbijgezien dat [eiser] c.s. zich in hun memorie van antwoord van deze passage - waarin [eiser] c.s. kennelijk en ten onrechte (vgl. HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178) ervan zijn uitgegaan dat het [verweerder] van houder tot bezitter is geworden door de enkele omstandigheid dat [verweerder] het stuk grond dat hij krachtens huur in gebruik had verder zonder tegenprestatie mocht blijven gebruiken (zij het dat hij de strook grond zou onderhouden) - in zoverre hebben gedistantieerd dat zij in hun memorie van antwoord in de door het middel aangehaalde alinea (mede gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande alinea) hebben betoogd dat [verweerder] niet op grond van art. 3:105 BW eigenaar kan zijn geworden van de strook grond nu hij daarvan geen bezitter is geworden, zodat geen termijn van verjaring is aangevangen. In dat verband hebben zij betoogd dat "overigens" in ieder geval geen verjaringstermijn is voltooid nu [verweerder] over het jaar 1981 nog huur heeft betaald, zodat een eventueel (nadien) lopende verjaring tijdig is gestuit door het betekenen van de dagvaarding aan [verweerder] op 13 augustus 2001. In dit verband hebben [eiser] c.s. bij de bespreking van de grieven nog aangevoerd dat [verweerder] op grond van art. 3:111 BW houder van de strook grond blijft zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht hetzij ten gevolge van een handeling voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht en dat aan dat vereiste niet is voldaan; in dat kader hebben [eiser] c.s. betoogd dat [verweerder] niet van houder tot bezitter kan zijn geworden door de verharding van de strook grond met puin en grind terwijl zij voorts de stelling van [verweerder] dat door hem een zandwal is aangebracht als scheiding tussen de percelen hebben betwist. Hierbij komt dan nog dat uit de bewuste passage in de conclusie na enquête in eerste aanleg inderdaad niet valt af te leiden - zoals het middel terecht aanvoert - dat [eiser] c.s. hebben willen betogen dat de verjaring op 18 februari 1981 is aangevangen; [eiser] c.s. hebben immers deze passage betoogd dat de verjaringstermijn genoemd in artikel 3:105 BW aanvangt vanaf het moment waarop [betrokkene 2] aan [verweerder] heeft meegedeeld dat hij het stuk grond zonder tegenprestatie mocht gebruiken, dat wil zeggen - gezien de verklaring van [betrokkene 2] - "in 1981", in welk verband aantekening verdient dat uit de getuigenverklaring van [betrokkene 2] zoals opgenomen in het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal van getuigenverhoor, niet blijkt op welk moment [betrokkene 2] bedoelde mededeling heeft gedaan. Vermelding verdient voorts nog dat [verweerder] in zijn memorie van grieven weliswaar stelt het geschil in volle omvang aan het hof te willen voorleggen - in welk verband hij het hof verzoekt al hetgeen door hem in eerste aanleg is gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen - doch dat [verweerder] zich overigens in zijn grieven beperkt tot de stelling dat hij reeds in 1972 bezitter is geworden (zodat de verjaring in 1972 en niet in 1981 is aangevangen) en niet expliciet ingaat op de vraag wat rechtens is ingeval ervan moet worden uitgegaan - zoals de rechtbank had aangenomen - dat hij in ieder geval tot 18 februari 1981 als huurder en daarmede als houder van de strook grond moest worden aangemerkt.

13. Op grond van het bovenstaande kom ik tot de slotsom dat 's hofs arrest niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden