Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT7797

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2005
Datum publicatie
16-09-2005
Zaaknummer
C04/128HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT7797
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

16 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/128HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude, t e g e n Mr. Marcus Antonius Maria BANNENBERG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Installogic B.V., kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 42
Faillissementswet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2005/306
JA 2005/109 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
JOR 2006/52 met annotatie van SCJJK
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/128HR

Mr. L. Timmerman

Zitting d.d. 1 april 2005

Conclusie inzake:

[Eiser]

- tegen -

Mr. M.A.M. Bannenberg q.q.

van curator in het faillissement van Installogic BV

1. Feiten en procesverloop

1.1 [Eiser] is vanaf 1993 enig aandeelhouder en enig algemeen bevoegd bestuurder van Installogic B.V., verder Installogic. Per 17 maart 1997 is door de ABN/AMRO Bank, verder de Bank, aan Installogic een kredietfaciliteit verstrekt van f. 200.000,-- waarbij de voorraden, bedrijfsinventaris en vorderingen van Installogic aan de Bank zijn verpand en waarvoor [eiser] zich privé tot een bedrag van f. 50.000,-- borg heeft gesteld. Eind 1997 bedroeg het nettoresultaat van Installogic f. 224.892,-- negatief.

1.2. Bij brief van 27 juli 1998 aan Installogic heeft Randstad Uitzendbureau B.V., hierna Randstad, haar vordering van f. 44.769,84 opgeëist en aangekondigd bij gebreke van betaling faillissement te zullen aanvragen.

1.3 Door middel van een fax d.d. 31 juli 1998 heeft Installogic aan de bank bericht per direct haar incassomachtiging ten behoeve van verschillende van haar crediteuren, waaronder Randstad, in te trekken.

1.4 Op 4 augustus 1998 is door Randstad bij de rechtbank Breda een verzoek tot faillietverklaring van Installogic ingediend.

1.5 In augustus 1998 zijn door Installogic vrijwel geen betalingen aan haar schuldeisers verricht.

1.6 Bij brief van 20 augustus 1998 heeft de Bank aan Installogic bericht dat zij het aan Installogic verstrekte krediet in rekening-courant met onmiddellijke ingang opzegt en heeft zij Installogic gesommeerd haar schuld aan de bank uiterlijk op 4 september 1998 af te lossen.

1.7 Het saldo van Installogic op de rekening-courant bij de Bank was per 30 juli 1998 f.181.505,59 negatief en per 3 september 1998 f.2.913,33 positief. In haar brief(1) van 26 augustus 1998 bericht de Bank aan [eiser] het volgende:

"Daar de rekening van Installogic thans een creditsaldo vertoont, zenden wij u bijgaand de originele borgstellingsakte ad NLG 50.000,- retour. Wij hebben de polis overlijdensrisicoverzekering (...) geretourneerd aan de verzekeringsmaatschappij Falcon Leven N. V., met het verzoek de verpanding ten behoeve van onze instelling door te halen. Tevens delen wij u mede dat wij de achterstelling ad NLG 300.000,-, zoals verwoord in de kredietovereenkomst van 17 maart 1997 eveneens vrijgeven."

1.8 Op 2 september 1998 is Installogic in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Bannenberg tot curator. Volgens een door Bannenberg opgemaakt verslag van een gesprek dat hij op 10 september 1998 met [eiser] heeft gevoerd, heeft [eiser] toen tegenover hem verklaard:

"Nadat het faillissement was aangevraagd heb ik medio augustus contact opgenomen met [betrokkene 1], die mij vrijblijvend een aantal adviezen heeft gegeven. De strekking daarvan was dat het banksaldo naar nul moest in verband met de borgstelling van f 50.000,- die ik aan de bank had gegeven. Ik moest proberen het bedrijf overeind te houden, maar ook zorgen dat de borgstelling niet aangesproken zou kunnen worden. Ik kon die borgstelling privé niet voldoen. Toen ben ik de debiteuren gaan innen en de crediteuren niet meer gaan betalen teneinde het saldo bij de bank op nul te krijgen. ( ... )"

1.9 De curator heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] en [betrokkene 2](2) hoofdelijk zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van f.160.000,-- vermeerderd met rente en kosten. Aan zijn vordering heeft Bannenberg, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [eiser] jegens de na 31 juli 1998 ontstane schuldeisers van Installogic onrechtmatig heeft gehandeld.

1.10 De rechtbank heeft Bannenberg niet-ontvankelijk verklaard.(3)

1.11 In hoger beroep heeft Bannenberg zijn eis gewijzigd. Hij vordert thans [eiser] te veroordelen om aan hem te betalen: Primair: een bedrag van f.160.000,-- te weten een bedrag van (afgerond) f.60.000,-- zijnde de - door het onrechtmatig handelen van [eiser] veroorzaakte - toename van de concurrente crediteuren in de periode na 31 juli 1998, alsmede een bedrag van (afgerond) f.100.000,-- aan niet betaalde loonkosten. Dat zijn de na 31 juli 1998 ontstane vorderingen van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen. Subsidiair: een bedrag van f. 85.000,-- zijnde het bedrag waarmee de gezamenlijke schuldeisers werden benadeeld door het onrechtmatig handelen van [eiser]. De grieven I t/m III strekken ten betoge dat Bannenberg ontvankelijk is in zijn primaire vordering uit onrechtmatige daad die is gegrond op het beweerde onrechtmatige gedrag van [eiser] en [betrokkene 2] jegens de na 31 juli 1998 ontstane schuldeisers van Installogic.

1.12 Het hof overweegt onder andere het volgende:

4.9 Nu naast elkaar staande bevoegdheden van de individuele schuldeisers en de curator kunnen bestaan, rest nog slechts de vraag of de curator van deze bevoegdheid ook gebruik kan maken indien het onrechtmatig handelen niet jegens de gezamenlijke schuldeisers plaatsvond, doch slechts jegens één of enkelen van hen. De vraag dient naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval bevestigend te worden beantwoord.

4.10 Het hof stelt daartoe voorop, dat het ook hier gaat om aanspraken tot schadevergoeding van (benadeelde) schuldeisers jegens derden, zodat een verstoring van de in het faillissement te handhaven paritas creditorum zich niet voordoet. Dat het optreden van de curator afbreuk zou doen aan de eenheid en orde bij de afwikkeling van het faillissement, zoals de rechtbank heeft overwogen, wordt door het hof ook verworpen. Wel kan ook in dit geval het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement meebrengen dat - zo de curator besluit op grond van hetzelfde feitencomplex een vordering geldend te maken jegens de derde - eerst op deze vordering en vervolgens op die van de individuele schuldeisers wordt beslist.

4.11 Het optreden van de curator kan in het onderhavige geval ook gerekend worden tot zijn taak als vereffenaar van de boedel, omdat bij toewijzing van de vordering een aanzienlijk bedrag aan (preferente) vorderingen zal wegvallen. Er zal dan ook een groter bedrag resteren ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers; deze zullen dus bij het welslagen van de procedure worden gebaat. Wat de proceskosten betreft heeft de curator te kennen gegeven dat hij, voor zover op zijn primaire vordering bedragen worden toegewezen, deze - onder aftrek van de kosten van inning - zal overmaken op de rekening van de betrokken crediteuren; in dat geval zullen die kosten niet ten laste van de boedel/de gezamenlijke crediteuren komen. Gelet op het belang dat de gezamenlijke schuldeisers bij het instellen van een vordering als deze kunnen hebben, staat ook de omstandigheid dat in geval van verlies van de procedure de proceskosten wel ten laste van de boedel zullen komen, niet aan de ontvankelijkheid van de curator in de weg. Evenals bij andere voor de boedel te voeren procedures vormt ook hier het vereiste van de door de rechter-commissaris te verlenen toestemming een waarborg voor de gezamenlijke schuldeisers tegen het lichtvaardig voeren van een procedure als deze.

Het hof oordeelt in ro. 4.27, dat [eiser] zijn onderneming in de maand augustus 1998 heeft laten 'doordraaien'. [eiser] wist of behoorde te weten dat de vennootschap alsdan niet aan nieuwe of verder oplopende verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou kunnen bieden voor de ten gevolge van wanprestatie uit niet-nakoming voortvloeiende schade. Het hof voegt daaraan toe, dat het 'doordraaien' uitsluitend tot doel had te voorkomen dat [eiser] door de bank zou worden aangesproken uit hoofde van zijn borgstelling.

4.29 Nu de omvang van de schade niet dan wel onvoldoende is bestreden, is de primaire vordering van Bannenberg toewijsbaar. Het hof wijst vervolgens de primaire vordering van de curator van f. 160.000 toe.

1.13 Het arrest werd op 2 december 2003 gewezen; hiertegen wordt tijdig - op 2 maart 2004 - beroep in cassatie ingesteld, dat naderhand schriftelijk is toegelicht. Tegen de curator is verstek verleend.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Voorafgaande aan de bespreking van de cassatieklachten dient te worden opgemerkt dat geen klachten zijn gericht tegen de overwegingen over de onrechtmatigheid van het handelen van de bestuurder en ook niet tegen 's hofs oordeel met betrekking tot de machtiging om in rechte op te treden welke de curator van Lisv had ontvangen. Aldus moet er van worden uitgegaan dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens de betreffende individuele schuldeisers en de curator door Lisv was gemachtigd om namens haar de vordering uit onrechtmatige daad in te stellen.(4) Geconstateerd mag in aansluiting hierop -neem ik aan- worden dat [eiser] door het advies op te volgen het bankkrediet af te lossen van de regen in de drup is terecht gekomen.

2.2. Het middel bevat twee onderdelen. Het eerste onderdeel gaat over de vraag of een curator in faillissement ten behoeve van een individuele schuldeiser een vordering in rechte geldend kan maken. Het tweede onderdeel heeft betrekking op de overweging van het hof dat de omvang van de schade niet dan wel onvoldoende door [eiser] is bestreden.

2.3. Onderdeel 1 betoogt dat het hof in ro. 4.14 op gronden vervat in ro. 4.9 - 4.11 en 4.13 ten onrechte mr. Bannenberg als faillissementscurator ontvankelijk heeft geoordeeld in diens onrechtmatige daadsvordering tegen [eiser]. De curator heeft in deze procedure een vordering ingesteld namens schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan na 31 juli 1998, niet namens de gezamenlijke schuldeisers. De curator is echter niet bevoegd zonder desbetreffende machtiging ten behoeve van individuele schuldeisers op te treden; de desbetreffende vorderingen komen uitsluitend aan de bewuste schuldeisers toe. Slechts wannneer de vordering uit onrechtmatige daad namens de gezamenlijke schuldeisers wordt ingesteld, zo betoogt het middel, is de curator bevoegd deze ten behoeve van de verhaalsmogelijkheden in te stellen; wanneer niet ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers wordt geprocedeerd kunnen enkel de afzonderlijke eisers jegens de derde, in casu de bestuurder van de failliet, de vordering instellen.

2.4 Vooropgesteld dient te worden dat de ontvankelijkheid van de curator waartegen het middel opkomt, betrekking heeft op de vorderingen die zijn ontstaan tussen 31 juli 1998 en de datum van het faillissement, daarvan uitgezonderd de vordering van Lisv, tot inning waarvan het hof de curator voldoende gemachtigd achtte en tegen welk oordeel geen klachten zijn gericht. In concreto gaat het om vorderingen uit huur- en leaseovereenkomsten over de maand augustus. De curator was kennelijk door deze schuldeisers niet gemachtigd een onrechtmatige daadsactie tegen de bestuurder van de failliet in te stellen. Beantwoord moet de vraag worden, of de curator die vordering ten behoeve van deze individuele crediteuren kan instellen. Met andere woorden: "Blijft de curator door zo te handelen binnen de grenzen die art. 68 Fw aan zijn taak stelt?"

2.5 Ik meen dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld. Mijns inziens heeft het hof terecht overwogen dat het instellen van een onrechtmatige daadsvordering ten behoeve van een individuele crediteur tot de taak van een curator kan worden gerekend, omdat bij toewijzing ervan een bedrag aan vorderingen zal wegvallen met het gevolg dat er een groter bedrag ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers zal overblijven. Ter motivering van de juistheid van deze benadering wijs ik op het volgende: Over de mogelijkheid voor de curator om voor schuldeisers op te treden heeft de Hoge Raad in de loop van de tijd diverse uitspraken gedaan. Het ging daar kort gezegd steeds om gevallen waarin een derde door een bepaald handelen (bij voorbeeld het onttrekken van vermogen aan vennootschap(5) of het onzorgvuldig verrichten van bepaalde handelingen waarbij de vennootschap partij is(6)) voor de gezamenlijke crediteuren van de vennootschap nadeel heeft veroorzaakt. De Hoge Raad heeft in dit soort gevallen de curator bevoegd geacht voor de belangen van de crediteuren van de failliete vennootschap op te komen. Aantekening verdient nog dat de Hoge Raad in het arrest uit 1991 overwoog: "Er is geen grond hierop een uitzondering te maken voor het ....geval dat de vorderingen die ten tijde van de benadelingshandeling reeds bestonden voor het faillissement zijn voldaan, zodat de benadeling in feite alleen de schuldeisers raakt wier vorderingen pas na die handeling zijn ontstaan". In het onderhavige geval gaat het om een enigszins andere kwestie: de curator wil de bestuurder van een vennootschap aanspreken die alleen tegenover bepaalde crediteuren van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld. Er is hier dan geen sprake van een algemene vermindering van de verhaalsmogelijkheden voor de crediteuren, maar van een geval waarin de bestuurder van de vennootschap heeft bewerkstelligd dat bepaalde crediteuren een oninbare vordering op de vennootschap hebben. Ik meen dat in een dergelijk geval een optreden van de curator mogelijk moet zijn precies om de reden die het hof noemt: het met succes instellen van een dergelijke schadevordering uit onrechtmatige daad kan tot gevolg hebben dat de overige crediteuren een grotere uitdeling uit de boedel ontvangen dan wanneer een dergelijke actie niet zou worden ingesteld. Anders gezegd: met de door de curator ingestelde actie kan een door een bestuurder bewerkte vermeerdering van het passief van de vennootschap ongedaan worden gemaakt welke vermeerdering niet had mogen plaatsvinden vanwege de slechte financiele positie van de vennootschap. Met een dergelijk optreden van de curator is het belang van de overige crediteuren gediend. Dat is mijns inziens een voldoende rechtvaardiging voor het optreden van de curator in dezen. Het openen van de mogelijkheid voor de curator om in dit soort gevallen op te treden is te meer te billijken, omdat de curator vaak beter op de hoogte is van de gang van zaken die aan een faillissement is voorafgegaan dan de individuele benadeelde crediteur. Hier komt nog bij dat een individuele crediteur soms om begrijpelijke redenen (het voeren van een proces is voor een individuele, particuliere partij vaak geen sinecure) niet de moeite wil nemen een bestuurder uit onrechtmatige daad aan te spreken, terwijl de curator de vorderingen van een aantal crediteuren kan bundelen, zoals dit in het onderhavige geval ook is geschied. Er kan op deze wijze ook een samenloop van procedures door een aantal individuele crediteuren worden voorkomen. De kans dat een onrechtmatig gehandeld hebbende bestuurder daadwerkelijk wordt aangesproken, neemt toe, als het hier bedoelde actierecht aan de curator toekomt. Ook dat vind ik wenselijk. Ik kan in het door het hof in zijn bestreden arrest aangenomen actierecht voor de curator niet veel meer zien dan een doortrekken van de lijn die de Hoge Raad is gaan uitzetten met het Gatzen-arrest naar een enigszins ander geval.

2.6 Eén arrest van de Hoge Raad dat naar mijn inzicht relevant is voor de onderhavige problematiek is in dit geding niet ter sprake gekomen. Men kan zich immers afvragen of het afdwingen van een schadevergoeding van de onrechtmatig handelende bestuurder terzake van het ontbreken van verhaal op de vennootschap tot het tenietgaan van de onderliggende, oorspronkelijke, niet betaalde vordering leidt. De Hoge Raad heeft beslist dat dit inderdaad het geval is.(7) In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat het afdwingen van vergoeding terzake van gederfd verhaal voor wat betreft de gevolgen gelijkgesteld dient te worden met op die vennootschap zelf genomen verhaal, hetgeen leidt tot (overeenkomstige) toepassing van artikel 3: 297 BW. Het door het hof veronderstelde effect van het wegvallen van een aantal vorderingen doet zich dus voor wanneer de betrokken bestuurder schadevergoeding aan de curator betaalt. Het risico dat de aangesproken bestuurder twee keer (eenmaal aan curator en eenmaal aan de schuldeiser van de vennootschap) dient te betalen, is er mijns inziens niet.(8)

2.7. Het in cassatie aangevallen arrest van het hof is kritisch besproken door J.J. van Hees.(9) Ik besteed aan deze kritiek enige aandacht, omdat daarnaar in de s.t. op het cassatiemiddel wordt verwezen en deze kritiek voor een belangrijk deel gelijkluidend is aan eerder in de literatuur geuite kritiek op het door het hof in het onderhavige geval aangenomen actierecht van de curator. Van Hees merkt onder andere op dat als de boedel negatief is de overige schuldeisers door het wegvallen van vorderingen niet profiteren. Ik vind dat geen sterk argument tegen het actierecht van de curator. Het toekennen van een actierecht aan de curator betekent niet dat deze daarvan altijd gebruik moet maken. Als er in een concreet geval aanwijzingen zijn dat het gebruik van het actierecht voor de crediteuren voor wier belangen de curator dient op te komen niets oplevert, dan maakt de curator daarvan simpelweg geen gebruik. Ook merkt Van Hees op dat niet duidelijk is wat de grondslag van de bevoegdheid van de curator is om van de derde geïnde bedragen buiten de uitdelingslijst om af te dragen aan de benadeelde schuldeisers. Mijn inziens is de bevoegdheid van de curator om deze geïnde bedragen buiten de boedel om aan de betrokken schuldeisers af te dragen een gevolg van de uitoefening van zijn uit art. 68 Faillissementswet en het algemene stelsel van deze wet voortvloeiende taak om in het belang van een zo gunstig mogelijke afwikkeling van het faillissement ten behoeve van bepaalde benadeelde crediteuren in het geweer te komen.

2.8. Onderdeel 2 is gericht tegen ro. 4.29 waar het hof overweegt dat de omvang van de schade door [eiser] niet dan wel onvoldoende is bestreden. Dit wordt in het licht van de volgende stellingen onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd genoemd. In zijn CvA onder 4.5 heeft [eiser] gesteld dat ook al zou zijn bedrijf per 31 juli 1998 zijn beëindigd, de loonkosten en de pensioenverplichtingen over de maand augustus 1998 hoe dan ook verschuldigd zouden zijn geweest. Aangezien deze loonkosten en pensioenverplichtingen niet voldaan hadden kunnen worden door Installogic, zou Lisv dezelfde kosten hebben moeten voldoen, als ter zake waarvan de curator ten behoeve van Lisv vergoeding vordert dan wel vergoeding vordert namens Lisv uit hoofde van een door haar verstrekte machtiging. Eveneens is ten aanzien van de huurovereenkomst van het bedrijfspand gesteld, dat mocht die overeenkomst op 31 juli zou zijn opgezegd, desnietegenstaande de opzegtermijn het ontstaan van verschuldigde huurpenningen over de maand augustus zou hebben veroorzaakt. [Eiser] heeft in CvA sub 4.5 gesteld, dat ook deze schade bij beëindiging van de huurovereenkomst in juli 1998 zou zijn ontstaan. Een gelijke redenering heeft [eiser] aan de dag gelegd ten aanzien van de autolease-overeenkomsten en de verzekeringen: de door de curator bedoelde schade had daarom niet voorkomen kunnen worden door de overeenkomsten voor 31 juli 1998 op te zeggen. Verder heeft [eiser] in de MvA onder 7 - waar tevens wordt verwezen naar 4.5 CvA - aangevoerd, dat het voortijdig beëindigen van overeenkomsten als lease-, huur- en arbeidsovereenkomsten, kosten veroorzaakt die soms hoger zijn dan wanneer de betreffende overeenkomsten gecontinueerd zouden worden. Onder 15 van de MvA stelt [eiser]:

"Voorts staat reeds vast dat ook als [eiser] de activiteiten reeds op 31 juli 1998 had stilgelegd en het faillissement direct had aangevraagd, het bevoorrechte schuldeisersbestand even groot zou zijn geweest, omdat ook toen de Bedrijfsvereniging voor eenzelfde personeelsbestand de Loongarantieregeling had moeten uitvoeren."

Ter onderbouwing van de stelling dat de omvang van de schade wèl voldoende werd betwist, wijst het middelonderdeel tenslotte op de CvD onder 6.1, laatste alinea, waar ook is voorgerekend dat er als gevolg van de voortzetting van het bedrijf in augustus 1998 een bedrag van f.75.796,96 aan debiteuren is bijgekomen, terwijl de bank, die een bevoorrechte positie als crediteur innam, tot een bedrag van f.181.500,-- als crediteur is verdwenen. [Eiser] heeft gesteld dat zulks ruimschoots opweegt tegen een toename van een andere preferente crediteur t.w. Lisv, wiens vordering door de curator bij CvR is gesteld op f.130.000,--.

2.9. Het hof heeft in r.o. 4.27 als grond van het onrechtmatig handelen van [eiser] heeft aangenomen dat hij zijn onderneming in de maand augustus 1998 heeft laten 'doordraaien', terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar - wegens dat doordraaien nieuw te maken of verder oplopende - verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade; voorts dat dit doordraaien uitsluitend geschiedde in het belang van [eiser], namelijk om te voorkomen dat hij onder de borgstelling bij de Bank zou worden aangesproken. Het hof verwijt [eiser] dus dat deze zijn bedrijf heeft laten doordraaien teneinde eigen belangen te behartigen met verwaarlozing van belangen van een aantal crediteuren waarvan de vorderingen na 31 juli 1998 zijn opgelopen. Deze door het hof aangenomen grondslag voor het onrechtmatig handelen van [eiser] is in overeenstemming met hetgeen de curator zowel in eerste als tweede instantie heeft aangevoerd.(10) Op basis van dit onrechtmatig handelen wijst het hof een schadebedrag van f. 160.000 toe dat bestaat uit het bedrag van de na 31 juli 1998 opgelopen schulden.

Van de zijde van [eiser] is met name aangevoerd dat de toename van deze schulden zich ook zou hebben voorgedaan, als het bedrijf na 31 juli 1998 niet zou zijn voortgezet. Deze stelling zou in de visie van [eiser] in ieder geval toewijzing van een lager bedrag aan schadevergoeding hebben moeten rechtvaardigen. Met deze argumentatie wordt echter voorbij gegaan aan de omstandigheid dat in het onderhavige geval de schade niet alleen door de voortzetting van het bedrijf, maar ook door het in eigen belang aflossen van het bankkrediet veroorzaakt is. [Eiser] richt zijn vizier hiermee alleen op de schuldenkant van de vennootschap en niet op de wijze waarop hij middelen heeft besteed die hij voor zijn in slechte financiële situatie verkerende vennootschap heeft geïnd. [Eiser] heeft met de stelling dat bepaalde schulden sowieso zouden zijn ontstaan op zich zelf niet aannemelijk gemaakt dat de aflossing in zijn eigen belang van het bankkrediet voor de crediteuren waarvan de vorderingen na 31 juli zijn opgelopen een geringere schade dan f.160.000 heeft teweeggebracht.

Het cassatiemiddel wijst nog op de in de nr. 6.1 van CvR opgenomen cijferopstellingen. Ook uit deze cijferopstellingen is op zich zelf ook niet op te maken hoe in de visie van [eiser] het in eigen belang aflossen van het betrokken bankkrediet tot een geringer schadebedrag dan het door de curator gestelde bedrag van f.160.000,- voor de betrokken crediteuren heeft geleid.

Ik merk nog op dat het op zich zelf denkbaar zou zijn dat geoordeeld moet worden dat de aflossing van het bankkrediet in eigen belang niet tot een schade van f.160.000 voor de crediteuren voor wier belangen de curator in het strijdperk is getreden heeft geleid. Een enigszins uitgewerkte stelling met deze strekking heb ik in de gedingstukken niet aangetroffen. [Eiser] heeft in verband met de hoogte van de schadevergoeding, zoals al opgemerkt, voornamelijk omstandigheden aangevoerd die te maken hebben met het oplopen van schulden na 31 juli 1998, maar niet uiteengezet dat het in eigen belang aflossen van het bankkrediet ter grootte van meer dan f.180.000,-- een lagere schadevergoeding voor de crediteuren waarvan de vorderingen na 31 juli 1998 zijn opgelopen dan f.160.000,-- rechtvaardigt.

Tegen deze achtergrond acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de door de curator gestelde omvang van de schade door [eiser] onvoldoende is bestreden.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het cassatieberoep

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Productie 7 CvR

2 Ik laat de positie van [betrokkene 2] verder buiten beschouwing, omdat deze in cassatie geen rol meer speelt.

3 Het betrokken vonnis van Rb. Breda van 28 december 1999 is gepubliceerd in de JOR 2000, 108 met noot NEDF.

4 zie ook ST sub 3.

5 HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 nt. Ma. (Nimox), HR 21 december 2001, NJ 2005, 95 (met noot van Kortmann) (Lunderstadt) en HR 21 december 2001, NJ 2005, 96 (met noot van Kortmann) (Hurks). Over het antwoord op de vraag hoe men in dit verband het laatstgenoemde arrest dient te plaatsen, kan men verschillend oordelen. Ik ga op deze vraag niet in, omdat het voor de onderhavige zaak niet belangrijk is.

6 HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597 nt. BW (Peeters/Gatzen) en HR 23 december 1994, NJ 1996, 628 (Notaris M).

7 HR 28 juni 1996, NJ 1997, 102 nt. Zwemmer. Zie ook: mijn bespreking van dit arrest in TVVS/9, sept. 1996, p. 362-363; A.S. Hartkamp, Ongerechtvaardigde verrijking naast overeenkomst en onrechtmatige daad (oratie UvA), Amsterdam 2001, p. 8 et passim, ook verschenen in WPNR 2001, nr. 6440-6441.

8 Van Hees meent dat dit risico er wel is (zie Schuldeisers en de afwikkeling van het faillissement: de curator onder invloed, Tijdschrift voor Insolventierecht 2004, p. 296). Mogelijkerwijs heeft hij art. 3: 297 Bw over het hoofd gezien.

9 JOR 2004, 143

10 Dagvaarding nr. 8, 9 en 13; MvG, nr. 11 en 12