Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT7755

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2005
Datum publicatie
18-11-2005
Zaaknummer
C04/257HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6877
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT7755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad, letselschade (bovenarmbreuk) bij aanhouding van een verdachte, schadevergoeding na rechtmatige en proportionele toepassing van strafvorderlijke dwangmiddel aan de verdachte jegens wie uiteindelijk van strafvervolging is afgezien?, grondslag vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 57 met annotatie van B.P.M. van Ravels
JOL 2005, 662
NJ 2006, 189
O&A 2006, 10
JWB 2005/393
JA 2006/2
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C04/257HR

Mr. Hartkamp

zitting 17 juni 2005

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

De Politieregio Amsterdam-Amstelland

Feiten en procesverloop

1) In cassatie staan de volgende feiten vast.(1)

Op 5 september 2000 is eiser tot cassatie, [eiser]), omstreeks 16.35 uur aangehouden door twee politieagenten in burger, [betrokkene 1 en 2], in het Westerpark te Amsterdam. [Eiser] werd ervan verdacht een vrouw, [betrokkene 3], die met haar dochtertje in het park was, te hebben bedreigd of lastig gevallen. Volgens [betrokkene 3] had [eiser] tegen haar gezegd dat zij weg moest gaan met haar kind omdat hij zichzelf met een pistool door zijn hoofd wilde schieten.

Bij de aanhouding zat [eiser] alleen op een bank met zijn ogen gesloten. [Betrokkene 1 en 2] hebben [eiser] - zonder waarschuwing vooraf - bij de armen gepakt, vervolgens iets opgetild en naar voren naast de bank op zijn buik op de grond gebracht. De armen van [eiser] zijn op de rug gedraaid en [eiser] is geboeid, waarbij [betrokkene 2] de linkerknie op de nek van [eiser] heeft gehouden.(2) [Eiser] bleek geen vuurwapen bij zich te hebben.

Vervolgens is [eiser] overgebracht naar het politiebureau. Daar is hij om ongeveer 18.16 uur gezien door een arts. Op advies van de arts is [eiser] omstreeks 18.52 uur naar het Sint Lucas-ziekenhuis gebracht, waar geconstateerd werd dat zijn linkerbovenarm was gebroken. Daarna is [eiser] teruggebracht naar het politiebureau. Na verhoor en een bezoek van een psychiater heeft [eiser] rond 23.50 uur het politiebureau verlaten.

Op 12 september 2000 is [eiser] telefonisch meegedeeld dat hij niet verder zal worden vervolgd.

[eiser] heeft tegen [betrokkene 1 en 2] aangifte gedaan van mishandeling. Het Bureau Interne Onderzoeken van Politie Amsterdam-Amstelland heeft daarnaar onderzoek verricht. Vervolgens heeft de Officier van Justitie besloten tot sepot van de zaak tegen [betrokkene 1 en 2] en daarvoor als reden gegeven dat zij volgens de regels hadden gehandeld en ten onrechte als verdachten waren aangemerkt.

2) [Eiser] heeft bij exploot van 10 april 2002 het Regionaal Politiekorps Amsterdam-Amstelland gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.(3) Voor zover in cassatie van belang, heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de politie jegens hem aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de aanhouding en dat zij gehouden is deze schade te vergoeden. Hieraan heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld bij de aanhouding, nu het daarbij gebruikte geweld disproportioneel was.

Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat wanneer de wijze van aanhouding wel rechtmatig zou zijn, de door hem geleden en nog te lijden schade evenzeer voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de verdenking jegens [eiser] achteraf ongefundeerd bleek te zijn en hem onevenredige schade is toegebracht.

3) De rechtbank heeft bij (tussen)vonnis van 11 december 2002 overwogen dat gelet op de feiten een gegronde verdenking van verbale dreiging met geweld jegens [eiser] bestond. Daartoe heeft de rechtbank gesteld dat de politie naar aanleiding van de melding van het slachtoffer, waarbij niet werd uitgesloten dat de man in het bezit was van een vuurwapen, moest ingrijpen. [Eiser] voldeed aan het signalement en werd door het slachtoffer aangewezen als de man die haar had bedreigd. De aanhouding moet dan ook in strafvorderlijk opzicht als gerechtvaardigd worden aangemerkt, aldus de rechtbank (r.o. 4.1).

Het voorgaande staat volgens de rechtbank echter niet in de weg aan het oordeel dat het optreden van de politie onrechtmatig kan zijn, omdat, zoals [eiser] betoogt, de aanhouding met geweld gepaard ging dat onder de gegeven omstandigheden disproportioneel was. Het gebruik van geweld bij de aanhouding behoort, zo vervolgt de rechtbank, in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. Vaststaat dat [eiser] alleen op een bank zat en zijn ogen gesloten hield. De verbalisanten hebben vanwege het mogelijk vuurwapengevaar ervoor gekozen om hem te overrompelen. Dat [eiser] daarbij zonder waarschuwing vooraf met zoveel kracht tegen de grond werd gewerkt dat zijn arm brak en zijn gezicht beschadigd raakte, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet door het doel gerechtvaardigd. Voorts acht de rechtbank voldoende aangetoond dat [eiser] door het politieoptreden schade heeft geleden. Die schade dient door Politiekorps Amsterdam-Amstelland te worden vergoed (r.o. 4.2).

Bij (eind)vonnis van 26 februari 2003 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Politiekorps Amsterdam-Amstelland jegens [eiser] volledig aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade welke het gevolg is van het onrechtmatig handelen, bestaande uit de toepassing van disproportioneel geweld bij de op 5 september 2000 verrichtte aanhouding van [eiser] en dat Politiekorps Amsterdam-Amstelland gehouden is alle schade die [eiser] door deze onrechtmatige daad heeft geleden en nog zal lijden, te vergoeden.

4) De Politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: de Politieregio) is onder aanvoering van drie grieven tegen de vonnissen van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam.

5) Bij arrest van 27 mei 2004 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiser] in haar geheel afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Volgens het hof kan niet worden gezegd dat de aanhouding, gelet op de verdenking die tegen [eiser] was gerezen door de mededelingen van [betrokkene 3], op zichzelf onrechtmatig was. Uit de overgelegde stukken van de strafzaak blijkt voorts niet van de onschuld van [eiser]. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat de vordering van [eiser] uit onrechtmatige daad niet toewijsbaar is op het enkele feit dat hij is aangehouden op grond van een verdenking, waarvan de juistheid achteraf niet is komen vast te staan (r.o. 4.8).

Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat het bij de aanhouding gebruikte geweld disproportioneel was, heeft het hof ten eerste overwogen dat de wijze waarop de aanhouding is uitgevoerd blijkens de verklaringen van [betrokkene 1 en 2], alsmede de brief van 14 maart 2002 van [betrokkene 5] - hoofdinspecteur van politie - aan de voorzitter van de commissie voor politieklachten Amsterdam-Amstelland, in overeenstemming is met een bij de politie onderwezen en beproefde methode. [eiser] heeft dat op zichzelf niet of niet voldoende weersproken. Volgens het hof is er dan ook geen reden om aan te nemen dat het bij de aanhouding gebruikte geweld verder ging dan professioneel verantwoord was bij toepassing van de gekozen methode van aanhouding (r.o. 4.9).

Voorts acht het hof voor de beantwoording van de vraag of toepassing van die methode in dit geval disproportioneel was en daarom in strijd met de van de Politieregio te verlangen zorgvuldigheid, het volgende van belang. De Politieregio heeft een melding ontvangen van [betrokkene 3]. Er is geen aanleiding om aan te nemen, aldus het hof, dat de Politieregio deze melding niet serieus had te nemen. Afgaande op deze melding had de Politieregio rekening te houden met een man die mogelijk in het bezit was van een vuurwapen en die had gedreigd dat te zullen gebruiken. Deze man bevond zich in een park met in zijn nabijheid spelende kinderen en andere omstanders. De door de politie gehoorde getuige [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij [betrokkene 1 en 2] heeft verteld dat het ter plaatse - rondom de vijver - erg druk was, vooral met kinderen. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof niet in strijd met de van de Politieregio te verlangen zorgvuldigheid dat [betrokkene 1 en 2], met het oog op de veiligheid van omstanders, henzelf en [eiser], hebben gekozen voor de onderhavige methode van aanhouding. Deze methode gaf [eiser] immers (nagenoeg) geen gelegenheid om naar een vuurwapen te grijpen, met alle daaraan verbonden risico's. De door [eiser] geopperde alternatieven zouden die gelegenheid in meer of mindere mate wel hebben gegeven. Volgens het hof is de toepassing van de gebruikte methode van aanhouding in de gegeven omstandigheden dan ook niet disproportioneel geweest (r.o. 4.10).

Uit het vorenstaande volgt, aldus het hof, dat geen of onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat de gekozen methode van aanhouding en de uitvoering daarvan in strijd zijn geweest met de zorgvuldigheid die van de Politieregio mocht worden verlangd. Het enkele feit dat bij de aanhouding letsel is ontstaan, zoals [eiser] heeft gesteld, is onder deze omstandigheden niet voldoende om het optreden van de Politieregio desondanks onrechtmatig te doen zijn (r.o. 4.11).

[Eiser] heeft in eerste aanleg nog aangevoerd dat de Politieregio ook in het geval haar optreden rechtmatig is geweest, is gehouden tot schadevergoeding. Volgens het hof bestaat voor een dergelijke schadevergoedingsverplichting in dit geval, mede in aanmerking genomen dat [eiser] verdachte is geweest, echter geen toereikende grondslag. Daarom is de vordering van [eiser] naar het oordeel van het hof ook in zoverre niet toewijsbaar (r.o. 4.13).

6) [Eiser] is tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft hij twee middelen van cassatie geformuleerd, waarvan het eerste uiteenvalt in negen onderdelen. De Politieregio heeft geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Onderdeel 1.1 en onderdeel 1.2 bevatten slechts een inleiding en geen zelfstandige klachten.

8) Onderdeel 1.3 en onderdeel 1.4 keren zich tegen r.o. 4.9 en 4.10. In deze overwegingen heeft het hof zich uitgelaten over de stelling van [eiser] dat de aanhouding onrechtmatig was omdat het bij de aanhouding gebruikte geweld disproportioneel was. Daartoe heeft het hof in r.o. 4.9 overwogen dat de wijze waarop de aanhouding is uitgevoerd in overeenstemming is met een bij de politie onderwezen en beproefde methode en er geen reden is om aan te nemen dat het bij de aanhouding gebruikte geweld verder ging dan professioneel verantwoord was. Vervolgens is het hof in r.o. 4.10 nagegaan of de toegepaste methode van aanhouding in dit geval disproportioneel was. In het licht van een aantal door het hof aangehaalde omstandigheden heeft het vervolgens geoordeeld dat de gebruikte methode van aanhouding niet disproportioneel is geweest.

Onderdeel 1.3 en onderdeel 1.4 voeren tegen deze overwegingen aan dat het hof heeft miskend dat de toegepaste wijze van aanhouding reeds de mogelijkheid van schade dan wel letsel in zich hield, waardoor de methode van aanhouding (zelfs als zij professioneel verantwoord zou zijn) op zichzelf beschouwd al zodanig disproportioneel is dat, nu de schade of het letsel zich heeft voorgedaan, er grond bestaat voor het aannemen van aansprakelijkheid. Deze stelling berust evenwel op een onjuiste rechtsopvatting. De vraag of de wijze van toepassing van een dwangmiddel al dan niet disproportioneel is, komt neer op een belangenafweging: nagegaan moet worden in hoeverre onevenredigheid bestaat tussen het met het dwangmiddel te dienen belang en het daardoor te schaden belang. Dit betekent dus dat, anders dan de onderdelen betogen, het énkele feit dat (een bepaalde wijze van) toepassing van een dwangmiddel schade tot gevolg kan hebben, niet reeds meebrengt dat sprake is van disproportionaliteit en daarmee onrechtmatigheid als deze schade intreedt. De onderdelen falen derhalve.

9) De onderdelen 1.5 t/m 1.9 berusten op de stelling dat het hof heeft miskend dat, ook indien de wijze van aanhouding van [eiser] in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel en daarmee rechtmatig was, de Politieregio de aan [eiser] toegebrachte schade niettemin op grond van onrechtmatige daad dient te vergoeden, nu hij door deze schade onevenredig zwaar is getroffen. Daartoe wordt een beroep gedaan op HR 30 maart 2001, NJ 2003, 615 m.nt. MS (Staat/[...]) en op HR 17 september 2004, RvdW 2004, 105 (Staat/H.)(4). Uit deze arresten zou volgen dat het enkele feit dat de aanhouding overeenkomstig de geldende voorschriften en richtlijnen is geschied en derhalve rechtmatig is, niet eraan in de weg staat dat het daarbij toebrengen van schade onrechtmatig kan zijn. Zo zou volgens de Hoge Raad van onrechtmatigheid sprake zijn indien de toegebrachte schade als onevenredig kan worden aangemerkt. Gesteld wordt dat het hof door dit te miskennen, blijk gegeven heeft van een onjuiste rechtsopvatting.

10) In de door de onderdelen aangehaalde arresten is de vraag beantwoord in hoeverre de Staat aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad voor schade die aan een derde (niet-verdachte) is toegebracht bij de toepassing van een dwangmiddel (huiszoeking) welke toepassing op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. In HR 30 maart 2001, NJ 2003, 615 m.nt. MS (Staat/[...]) is daartoe overwogen:

"...dat een huiszoeking die voldoet aan de voor dit dwangmiddel geldende geschreven en ongeschreven regels van strafprocesrecht ook jegens daarbij betrokken derden als [...] rechtmatig is. Dit kan de Staat evenwel niet baten omdat die rechtmatigheid niet beslissend is voor het antwoord op de in dit geding aan de orde zijnde vraag of het bij een op zichzelf rechtmatige huiszoeking toebrengen van schade als die welke het onderdeel op het oog heeft (i.e. de schade die door de derde, [...], wordt geleden bij een zorgvuldige huiszoeking, ASH) rechtmatig is: het enkele feit dat een huiszoeking overeenkomstig de regels van strafvordering is geschied, staat niet in de weg aan het oordeel dat het daarbij toebrengen van zodanige schade onrechtmatig kan zijn."

De maatstaf aan de hand waarvan beoordeeld dient te worden of het toebrengen van schade aan derden bij rechtmatig strafvorderlijk optreden, al dan niet onrechtmatig is, is volgens de Hoge Raad gelegen in het volgende:

"Een van de verschijningsvormen van het gelijkheidsbeginsel is de regel dat de onevenredig nadelige, - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld (vgl. HR 18 januari 1991, nr. 14 096, NJ 1992, 638, ABRvS, 6 mei 1997, AB 1997, 229, alsmede art. 3:4 lid 2 Awb). Uit deze regel vloeit voort dat het toebrengen van zodanige onevenredige schade bij een op zich zelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige huiszoeking jegens de getroffene onrechtmatig is.(...)"

Ook in het meer recente arrest van HR 17 september 2004, RvdW 2004, 105 (Staat/H.) ging het om de vraag naar aansprakelijkheid van de Staat voor schade die bij een huiszoeking aan een derde was toegebracht. In lijn met het voorgaande overweegt de Hoge Raad hieromtrent:

"Ook indien een overheidshandeling op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, is de overheid op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de onevenredig nadelige gevolgen van zodanige handeling, dat wil zeggen de gevolgen die buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen en die op een beperkte groep burgers of instellingen drukken (vgl. HR 30 maart 2001, nr. C00/083, NJ 2003, 615)."

Hieraan wordt toegevoegd:

"De vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandeling buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kan hierbij onder meer zijn enerzijds de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade. Voor zover het gaat om strafvorderlijk optreden waarvan de gevolgen een ander dan de verdachte treffen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat in het algemeen enig ongemak of gering tijdverlies niet als onevenredig kan worden aangemerkt en dat men dit zal moeten aanvaarden als vallend binnen het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico, maar dat dit niet zonder meer zal kunnen worden gezegd indien zaken van die ander als gevolg van dit optreden worden beschadigd. Dit een en ander brengt mee dat moet worden aangenomen dat schade die bij een huiszoeking in de woning van een ander dan de verdachte wordt toegebracht aan zaken van die ander, niet behoort tot het maatschappelijk risico van die ander, zodat de overheid in beginsel gehouden is die schade op grond van onrechtmatige daad te vergoeden."

11. Uit de aangehaalde passages blijkt dat de Hoge Raad hier het oog heeft op de evenredigheidstoetsing op grond van het beginsel van de gelijkheid voor publieke lasten (ook wel bekend als het beginsel van de 'égalité devant les charges publiques'): de onevenredig nadelige gevolgen van (op zichzelf rechtmatig) overheidsoptreden behoren niet ten laste te komen van een beperkte groep burgers, maar dienen gelijkelijk over de gemeenschap te worden verdeeld. Volgens de Hoge Raad moeten de nadelige gevolgen van overheidsoptreden die een beperkte groep burgers treft als onevenredig worden aangemerkt, indien deze gevolgen buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen.

Het betoog van de onderdelen 1.5 t/m 1.9 dat deze in de rechtspraak aanvaarde evenredigheidstoetsing óók van toepassing is wanneer (niet een derde maar) de (gewezen) verdachte schade heeft geleden als gevolg van (op zichzelf rechtmatig) strafvorderlijk optreden, faalt naar mijn mening. Zo moet bedacht worden dat de afweging of de nadelige gevolgen van het strafvorderlijk optreden voor de (gewezen) verdachte al dan niet onevenredig zijn, (reeds) aan de orde komt bij de vraag of het strafvorderlijk optreden jegens hem al dan niet rechtmatig is geweest. Volgens vaste rechtspraak is de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen jegens de (gewezen) verdachte onrechtmatig wanneer (i) uit de stukken van de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak van de onschuld van de verdachte en derhalve van het ongefundeerd zijn van de verdenking blijkt, dan wel (ii) indien het gebruik van het dwangmiddel in strijd met de regels van geschreven of ongeschreven recht is, waaronder begrepen het geval dat de toepassing van het dwangmiddel in de gegeven omstandigheden zo disproportioneel was dat zij daarom in strijd met de aan de Staat betamende zorgvuldigheid komt. Zie HR 29 april 1994, NJ 1995, 727 m.nt. CJHB en EAA; HR 23 december 1994, NJ 1995, 512 m.nt. C; HR 12 juni 1998, NJ 1999, 99 m.nt. ARB; HR 21 april 2000, NJ 2001, 143; HR 14 januari 2005, RvdW 2005, 11. Volgens de criteria van de voormelde rechtspraak is van een onrechtmatige daad van de Staat dus geen sprake.

In de onderhavige zaak heeft het hof (in r.o. 4.7) geoordeeld dat uit de stukken van de strafzaak niet blijkt van de onschuld van [eiser], zodat in zoverre geen sprake is van een onrechtmatige aanhouding. Dit wordt in cassatie niet bestreden. Voorts heeft het hof (in r.o. 4.10) geoordeeld dat de wijze van aanhouding in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel is geweest. Zoals hiervoor onder nr. 8 is gebleken, zijn de hiertegen gerichte onderdelen 1.3 en 1.4 tevergeefs voorgesteld, zodat in cassatie ook van dit oordeel dient te worden uitgegaan. Aangenomen moet dus worden dat de (wijze van) aanhouding jegens [eiser] rechtmatig en proportioneel is geweest. Volgens de criteria van de voormelde rechtspraak is van een onrechtmatige daad van de Staat dus geen sprake.

Dit zo zijnde valt niet in te zien, zoals de onderdelen betogen, dat (het hof heeft miskend dat) de aan [eiser] toegebrachte schade alsnog onevenredig zou kunnen zijn, omdat deze schade buiten het normale maatschappelijk risico of normale bedrijfsrisico zou vallen en daarmee zou leiden tot een ongelijkheid voor publieke lasten. Het zou innerlijk tegenstrijdig zijn indien enerzijds geoordeeld wordt dat tussen het (doel van het) strafvorderlijk optreden en de nadelige gevolgen ervan voor de (gewezen) verdachte geen onevenredigheid bestaat, terwijl anderzijds wordt aangenomen dat de verdachte onevenredig benadeeld wordt in vergelijking met andere burgers of instellingen. Voor de evenredigheidstoetsing op grond van het beginsel van de gelijkheid voor publieke lasten bestaat dus geen goede grond als het gaat om de door de (voormalige) verdachte als gevolg van strafvorderlijk optreden geleden schade. Gesteld kan worden dat deze evenredigheidstoetsing slechts wil voorkomen dat het strafvorderlijk optreden derden in vergelijking met andere burgers of instellingen onevenredig zwaar treft; als gezegd, wordt voor de (gewezen) verdachte onevenredige schade voorkomen door het aannemen van de onrechtmatigheid van het strafvorderlijk optreden. Evenzo: N.J.M. Kwakman, Schadecompensatie in het strafprocesrecht, diss. 2003, p. 186 die eveneens stelt dat de toetsing op grond van de 'gelijkheid voor publieke lasten' alleen kan worden toegepast met het oog op schade die een derde heeft geleden. Vgl. voorts H.Ph.J.A.M. Hennekens, Overheidsaansprakelijkheid op de weegschaal, 2001, p. 48 e.v. die bij de bespreking van de jurisprudentie over schadevergoeding bij (on)rechtmatig strafvorderlijk optreden evenzeer onderscheid maakt tussen situaties waarin dat optreden schadelijke gevolgen heeft voor (voormalige) verdachten enerzijds en voor derden-niet-verdachten anderzijds.

Nu de door de onderdelen aangehaalde rechtspraak derhalve ziet op de afweging van andere belangen dan die van de (gewezen) verdachte, faalt de klacht dat het hof, gelet op deze rechtspraak, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

12) Middel II bevat geen zelfstandige klacht(en) en behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het gaat hier om de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank in r.o. 1 onder a tot en met d van haar (tussen)vonnis van 11 december 2002 en de aanvulling hierop van het hof in r.o. 4.2.1 tot en met 4.2.3 en r.o. 4.8 van zijn arrest van 27 mei 2004.

2 Zie r.o. 4.8 van 's hofs arrest.

3 In hoger beroep is aan de orde gekomen dat de benaming 'het Regionaal Politiekorps Amsterdam-Amstelland' onjuist is; volgens art. 21 lid 4 van de Politiewet 1993 dient 'de Politieregio Amsterdam-Amstelland' gedagvaard te worden: zie r.o. 4.1 van 's hofs arrest, alsmede de memorie van grieven onder 2 waar zijdens de Politieregio Amsterdam-Amstelland wordt aangegeven dat zij uit proceseconomische overwegingen hiertegen in eerste aanleg geen bezwaar heeft gemaakt. Wel heeft zij in de door haar genomen processtukken steeds de juiste naam gevoerd.

4 Dit arrest wordt aangehaald in de schriftelijke toelichting onder nr. 2.5.