Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT7728

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
C04/229HR (1416)
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT7728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak, verweer dat de noodzaak tot onteigening ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan ontbreekt omdat de beoogde bestemming reeds is gerealiseerd, marginale toetsing door rechter van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit; cassatie, aan het middel te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 619
NJ 2007, 1 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
JWB 2005/368
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C04/229HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 17 juni 2005

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

gemeente Helmond

In deze onteigeningszaak wordt de noodzaak van de onteigening bestreden.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op 12 december 2000 heeft de raad van de gemeente Helmond besloten tot onteigening ten name van de gemeente van de bij dat besluit aangewezen percelen, zulks ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein BZOB" (Bedrijventerrein Zuid-Oost-Brabant). Het raadsbesluit is gedeeltelijk goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 7 september 2001, nr. 01.004238, Stcrt. 189(1).

1.2. In genoemd raadsbesluit is ter onteigening, onder meer, aangewezen het perceel, kadastraal bekend gemeente Helmond sectie [A] nr. [001], in de loop van dit geding vernummerd tot sectie [B] nr. [002], groot 0.68.50 ha (hierna te noemen: het perceel). [Eiser], thans eiser tot cassatie, is aangewezen als degene die volgens de kadastrale registratie eigenaar is van het perceel(2).

1.3. Bij inleidende dagvaarding d.d. 14 augustus 2003 heeft de gemeente [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en een vervroegde uitspraak over de onteigening gevorderd(3). Als schadeloosstelling heeft de gemeente € 447.881,- aangeboden.

1.4. [Eiser] heeft de vordering bestreden met het argument dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt. Hij heeft gesteld dat hij het perceel gebruikt overeenkomstig de daaraan in het bestemmingsplan gegeven bestemming en dat de opstal (het bedrijfsgebouw van [eiser]) aan de voorschriften van het bestemmingsplan voldoet. De onteigening is volgens [eiser] evenmin nodig voor de aanleg van de ter plaatse geplande weg: deze weg (de Heibloemweg) is feitelijk al aangelegd.

1.5. De rechtbank heeft bij vonnis van 16 juni 2004 de verweren verworpen en de onteigening vervroegd uitgesproken zoals gevorderd, met de gebruikelijke nevenbeslissingen.

1.6. Namens [eiser] is - tijdig(4) - beroep in cassatie ingesteld. De gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Voor een onteigening is een besluit van de gemeenteraad nodig, dat door de Kroon - de Raad van State gehoord - wordt goedgekeurd. De Kroon beoordeelt niet alleen of de gemeente de voorgeschreven procedureregels in acht heeft genomen, maar ook of de voorgenomen onteigening terecht is. Daarbij let de Kroon in het bijzonder op het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en de volkshuisvesting, het publiek belang, de noodzaak en de urgentie(5). In dit geval is de goedkeuring verleend.

2.2. In de gerechtelijke fase kan de noodzaak van de onteigening opnieuw ter discussie worden gesteld, maar in een beperkt kader. De toe te passen maatstaf is verwoord in HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418 m.nt. PCEvW:

"4.2.1. Indien in een onteigeningsgeding het verweer wordt gevoerd dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt op grond van de stelling dat de betrokken partij, al dan niet samen met anderen, bereid en in staat is de beoogde bestemming zelf te realiseren, heeft de rechter slechts de vraag te beantwoorden of de onteigenende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit - dan wel de Kroon bij de goedkeuring daarvan - in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat die bereidheid of mogelijkheid niet bestaat, en dient de rechter bij de beantwoording van die vraag alleen acht te slaan op feiten die in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding tijdig naar voren zijn gebracht(6).

4.2.2. De wetgever heeft in de Onteigeningswet aan de burgerlijke rechter die zich over de vordering tot onteigening moet uitspreken, immers een nauwkeurig afgebakende taak opgedragen. Tot die taak behoort niet de beoordeling van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en - behoudens hetgeen hierna in 4.2.3 daaromtrent zal worden overwogen - naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen, met name het algemene belang tegenover het door de onteigening te treffen individuele belang van de bij die terreinen belanghebbenden; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur."

De Hoge Raad besprak ook de vraag of de beoordeling ex nunc dan wel ex tunc dient te geschieden:

"Met dit wettelijke stelsel is een zelfstandige beoordeling van voormelde vragen door de onteigeningsrechter naar het tijdstip van zijn uitspraak in strijd. Weliswaar brengt het bepaalde in artikel 6 EVRM mee dat, voorzover door dit stelsel wordt tekortgedaan aan de in dat verdragsartikel bedoelde waarborgen, de Onteigeningswet buiten toepassing moet blijven, doch artikel 6 dwingt niet tot een verdergaande inbreuk op evenbedoeld wettelijk stelsel dan dat de rechter de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht. Voormelde verdragsbepaling dwingt de onteigeningsrechter dan ook niet tot een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening dan wel tot een beoordeling van nieuwe feiten, welke worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door het bestuur verworpen bezwaren, een en ander naar het tijdstip van zijn uitspraak.

4.2.3. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van zijn uitspraak is wèl plaats indien hetgeen de gedaagde aanvoert met betrekking tot de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt (vgl. HR 10-8-1994, nr. 1172, NJ 1996, 35) of omdat tengevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan (vgl. HR 25-5-1988, nr. 1088, NJ 1988, 927)."

2.3. Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een noodzaak tot onteigening aanwezig is (rov. 3.5). Volgens het middelonderdeel heeft de rechtbank niet, althans niet voldoende, onderzocht of de aanwezige bebouwing en het bestaande gebruik in overeenstemming zijn met de ter plaatse geldende bestemming `bedrijfsdoeleinden I'. De klacht houdt kennelijk verband met het door [eiser] in eerste aanleg ingenomen standpunt, dat hij het perceel gebruikt overeenkomstig de daaraan in het plan gegeven bestemming en dat de bestaande opstal (het bedrijfsgebouw van [eiser]) voldoet aan de voorschriften van het bestemmingsplan, in het bijzonder die met betrekking tot de bebouwingsdichtheid, de hoogte en de afstand tot de openbare weg (zie art. 8 lid 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan). Hierop voortbouwend, stelt hij in subonderdeel 10 dat de rechtbank tot uitgangspunt had moeten nemen dat - als door hem gesteld en door de gemeente niet weersproken - tussen partijen vaststaat dat het bedrijfsgebouw en het huidige gebruik van het perceel in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan.

2.4. Om met dit laatste te beginnen: de gemeente heeft in eerste aanleg de desbetreffende stellingen betwist. Bij CvR onder 14 - 17 heeft de gemeente gemotiveerd de stelling van [eiser] bestreden dat hij het perceel gebruikt overeenkomstig de geldende bestemming en dat de aanwezige opstal aan de bestemming beantwoordt(7). Het stond de rechtbank niet vrij, de desbetreffende stelling van [eiser] aan te merken als vaststaande feiten. In zoverre faalt de klacht.

2.5. Bij CvR onder 18 - 22 heeft de gemeente aangevoerd dat, óók ingeval het door [eiser] gestelde gebruik genoegzaam zou worden aangetoond, dit gebruik niet in overeenstemming is met de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering. Wat de door de gemeente voorgestane wijze van uitvoering van het bestemmingsplan is, volgt niet alleen uit de bij het plan behorende (gebruiks-)voorschriften maar mede uit de toelichting en de beschrijving in hoofdlijnen in het plan. Ingevolge het bepaalde in art. 7 in verbinding met art. 8 van de voorschriften dient te worden nagegaan of het bedrijf past binnen de bedrijfstypologieën, zoals neergelegd in de doeleinden en in de beschrijving in hoofdlijnen. Met name op de gezichtspunten representativiteit en kavelgrootte past het bestaande gebruik van het perceel niet binnen de door de gemeente voorgestane wijze van uitvoering, aldus de gemeente.

2.6. Een blik in de gedingstukken leert dat het onderhavige perceel op de plankaart in verbinding met art. 8 lid 1 van de voorschriften is bestemd voor "bedrijfsdoeleinden I (B I)", afgezien van een klein gedeelte dat voor verkeersdoeleinden is bestemd(8). In art. 7 lid 1 is voorgeschreven dat de wijze waarop de in de artikelen 8 e.v. bedoelde doeleinden worden gerealiseerd, in hoofdlijnen wordt bepaald in de daarop volgende leden van art. 7. In het vierde lid van art. 7 wordt het type bedrijven genoemd. In het vijfde lid is bepaald dat voor bedrijfsvestigingen wordt gestreefd naar een nadere functionele structuur: ten aanzien van bedrijven als bedoeld in art. 8 lid 1 (zone B I) is dit de verschijningsvorm A (hoogwaardig representatief bedrijfspand) of B (representatief bedrijfspand met bedrijfshal); de bedrijven in deze zone hebben een representatief karakter aan de zijde van de Rochadeweg en de ontsluitingswegen. In het achtste lid is bepaald dat voor de kavelgrootte wordt gestreefd in het noordelijk deel van het terrein (in zone B I) naar kavels van tenminste 0,7 hectare; in het centrale en zuidelijke deel van het terrein naar grote kavels van tenminste 2 hectare(9).

2.7. Op zich is denkbaar dat een bestemming welke in een bestemmingsplan aan een perceel is gegeven niet door de gemeente wordt gerealiseerd, maar door de eigenaar van het perceel: de zgn. `zelfrealisatie'(10). In de Kroonjurisprudentie wordt als maatstaf aangehouden:

"dat indien een grondeigenaar bereid en in staat is zelf de op zijn grond rustende bestemming(en) te verwezenlijken, onteigening voor dat doel in beginsel niet noodzakelijk is. Dit beginsel kan uitzondering lijden, indien door de gemeente ter verwezenlijking van de betrokken bestemming(en) een andere vorm van planuitvoering wordt gewenst dan de eigenaar voor ogen staat. In een dergelijk geval is onteigening echter slechts dan gerechtvaardigd, indien is aangetoond, dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publiek belang dringend behoefte bestaat."(11)

2.8. Ook in de jurisprudentie van de burgerlijke rechter komt dit tot uitdrukking. Zo werd in HR 3 november 1999, NJ 2000, 417 m.nt. PCEvW, rov. 3.4, overwogen dat niet van belang is of de (toen aan de orde zijnde) woning inpasbaar is in de globale eindbestemming van het bestemmingsplan, maar of zij in te passen valt in de door de gemeente voorgestane (wijze van) realisering van die eindbestemming. Wel behoort, vanwege het vereiste van rechtszekerheid, de door de gemeente voorgestane wijze van realisering van de bestemming kenbaar te zijn voor eenieder. Voor het onderhavige geval houdt dit in dat zij moet kunnen worden afgeleid uit het plan, met inbegrip van de uitwerking op hoofdlijnen (in casu: art. 7 van de planvoorschriften) en de toelichting of andere openbare stukken.

2.9. Om mogelijk misverstand te voorkomen: het gaat in dit geval niet om een voornemen van [eiser] om zelf, al dan niet in samenwerking met een projectontwikkelaar, de bestemming te realiseren. De rechtbank heeft aan het slot van rov. 3.5.3 overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat [eiser] zich (tijdig) bereid en in staat heeft verklaard om op het perceel bebouwing op te richten die wél past binnen de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering. Het gaat in dit geding uitsluitend om de noodzaak van de onteigening en daarbij in het bijzonder om de vraag of de in het bestemmingsplan aan het perceel gegeven bestemming reeds is gerealiseerd door het bestaande gebruik, c.q. het bestaande bedrijfspand(12). De rechtbank heeft het (in alinea 2.3 genoemde) standpunt van [eiser] verworpen. Zij is, met de gemeente, van oordeel dat niet beslissend is of het pand aan de gebruiksvoorschriften (in art. 8 lid 5) voldoet, maar dat mede moet worden gelet op de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering. Dit onderscheid vindt steun in de aangehaalde rechtspraak en geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1 leidt daarom niet tot cassatie.

2.10. De overige middelonderdelen vloeien voort uit het (subsidiair) door [eiser] ingenomen standpunt dat zijn bedrijfspand óók met betrekking tot de aspecten representativiteit en kavelgrootte (nagenoeg) voldoet aan de door de gemeente voorgestane wijze van uitvoering van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dit verweer onderzocht en in rov. 3.5.1 - 3.5.3 verworpen. Onderdeel 2 is gericht tegen de slotzin van rov. 3.5.1, waarin de rechtbank overweegt dat door [eiser] niet is betwist dat de daar bedoelde wijze van planuitvoering het algemeen belang dient en dat evenmin is gesteld of gebleken dat deze onvoldoende realiteitswaarde heeft. Het onderdeel wijst op een drietal stellingen van [eiser] en klaagt dat, waar [eiser] had betoogd dat het bestaande gebruik past binnen de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering, het niet op zijn weg lag om te bepleiten dat de voorgestane wijze niet het algemeen belang zou dienen of dat deze onvoldoende realiteitswaarde zou hebben.

2.11. De drie stellingen, genoemd in subonderdeel 14, houden niet een betwisting in dat de door de gemeente voorgestane wijze van uitvoering van het plan het algemeen belang dient. Zij bevatten evenmin de stelling dat de door de gemeente voorgestane wijze van uitvoering van het plan onvoldoende realiteitswaarde heeft. Zoals [eiser] zelf al zegt, het gaat om de vraag of het bestaande gebruik past binnen de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering. Om deze reden leidt de klacht niet tot cassatie.

2.12. De onderdelen 3 en 4 zijn gericht tegen rov. 3.5.2 en hebben betrekking op het aspect van de kavelgrootte. In art. 7 lid 8 van de planvoorschriften is bepaald dat de gemeente in deze zone streeft naar kavels van tenminste 0,7 ha. In eerste aanleg heeft [eiser] gesteld dat zijn perceel 0.68.50 ha groot is en nagenoeg(13) voldoet aan deze eis. De gemeente is, blijkens het verkavelingsplan, voornemens ter plaatse een bouwkavel van circa 2 ha uit te geven. De rechtbank constateert - op zichzelf natuurlijk juist - dat dit gemeentelijke voornemen strookt met het planvoorschrift dat ter plaatse wordt gestreefd naar kavels van tenminste 0,7 ha. Die constatering geeft echter nog geen afdoend antwoord op het verweer van [eiser]. Onderdeel 3 herhaalt dit verweer. Onderdeel 4 herhaalt het argument dat art. 7 lid 8 van de voorschriften slechts een 'streven' inhoudt. In de s.t. (blz. 3-4) voert [eiser] aan dat, blijkens de tekst van art. 7 lid 2 van de planvoorschriften, het bepaalde in de daarop volgende leden van art. 7 (dus ook het achtste lid) slechts verbindend is voor de gemeente: het heeft een toetsingsfunctie bij het beoordelen van aanvragen, resp. van activiteiten die slechts toelaatbaar zijn op grond van een vrijstelling e.d., en heeft daarnaast een uitvoeringsfunctie als uitdrukking van de inspanningsverplichtingen van de gemeente. [Eiser] leidt hieruit af dat deze voorschriften de burgers niet rechtstreeks verbinden: er is niet een minimale kavelgrootte voorgeschreven(14).

2.13. Beide klachten berusten op de gedachte dat, als [eiser]' perceel nu maar (nagenoeg) voldoet aan de minimumeis van 0,7 ha, het bestaande gebruik voor wat betreft het aspect van de kavelgrootte voldoet aan de door de gemeente voorgestane uitvoering van het bestemmingsplan. Het antwoord van de rechtbank hierop is niet te vinden in rov. 3.5.2, maar in rov. 3.5.3. Naast het aldaar besproken aspect van de onvoldoende representativiteit, heeft de rechtbank beslist dat de gemeente ook waarde heeft kunnen hechten (i) aan het feit dat het te onteigenen perceel qua omvang niet geheel toereikend is om een kavel te realiseren die aan de bestemmingsplanvoorschriften voldoet en (ii) aan het feit dat, bij een verkaveling als door [eiser] wordt voorgestaan, de omliggende grond niet doelmatig te verkavelen is en bovendien moeilijk te ontsluiten. Met andere woorden: het perceel is te klein en het is zodanig gesitueerd dat, als het eigendomsrecht van [eiser] behouden zou blijven, de door de gemeente voorgestane en uit de plandocumenten kenbare wijze van uitvoering van het plan niet kan worden bereikt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.14. Onderdeel 5 sluit bij het vorige onderdeel aan met de klacht dat de gemeente bij pleidooi in eerste aanleg slechts heeft gesteld dat de ligging en vorm van het perceel van [eiser] "onhandig" is(15). Het middelonderdeel strekt ten betoge dat onhandigheid van ligging en vorm niet voldoende noodzaak tot onteigening opleveren, gelet op de (hiervoor in alinea 2.7 al genoemde) maatstaf dat de gemeente moet aantonen dat aan de door haar voorgestane vorm van uitvoering in het publiek belang dringend behoefte bestaat, althans dat daarbij een zodanig publiek belang is betrokken dat het belang van [eiser] hiervoor moet wijken.

2.15. Het lag inderdaad op de weg van de gemeente, aan te geven waarom geen genoegen zou kunnen worden genomen met de realisatie van de bestemming door [eiser] zelf (op de wijze waarop deze het perceel gebruikt) en waarom in het publiek belang dringend behoefte zou bestaan aan de door de gemeente voorgestane wijze van uitvoering. De rechtbank heeft dit niet miskend. De discussie in eerste aanleg spitste zich toe op het argument van [eiser] dat naast zijn perceel voldoende ruimte resteert om een (door de gemeente op deze `zichtlokatie' gewenste) representatieve façade naar de Rochadeweg op te richten. De rechtbank overweegt in rov. 3.5.3 dat de gemeente ten pleidooie aannemelijk heeft gemaakt dat de strook grond, die bij de door [eiser] voorgestane verkaveling zou overblijven, onvoldoende is voor de oprichting van een representatieve façade zoals voorzien in het gemeentelijk beleid. Dat oordeel is feitelijk van aard en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn(16). Voor zover in het middel wordt bedoeld dat de rechtbank het publieke belang bij een representatieve façade minder zwaar had behoren te laten wegen, stuit de klacht bovendien af op het in alinea 2.2 geciteerde criterium. De slotsom is dat ook onderdeel 5 faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het raadsbesluit is overgelegd als prod. 10 bij CvR; het K.B. is overgelegd als prod. 2 bij de inleidende dagvaarding. [Eiser] heeft bij de Kroon geen bedenkingen ingebracht. Zie voorts: art. 77 - 79 Onteigeningswet (Ow).

2 Vgl. art. 83 Ow.

3 Art. 54f e.v. Ow.

4 De in art. 52 jo. art. 54l Ow bedoelde verklaring ter griffie is afgelegd op 24 juni 2004. De in art. 53 lid 1 jo. art. 54l Ow bedoelde betekening heeft plaatsgevonden op 12 juli 2004.

5 Art. 79 Ow. Voor een introductie: J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening (2003), par. 2.24 en 3.11.

6 Dit laatste was al eerder beslist. Zie o.m.: HR 7 november 1990, NJ 1991, 65; HR 10 augustus 1994, NJ 1996, 35 m.nt. MB; HR 2 april 1997, NJ 1997, 730 m.nt. PCEvW; HR 8 april 1998, NJ 1999, 24 m.nt. PCEvW; HR 30 september 1998, NJ 1999, 412 m.nt. PCEvW onder nr. 411. In rov. 3.3, in cassatie onbestreden, doelt de rechtbank kennelijk op deze jurisprudentie.

7 De betwisting is nader uitgewerkt in de pleitnotitie zijdens de gemeente blz. 9 - 15. Bij brief van 13 mei 2004 aan de rechtbank heeft de gemeente verscheidene bewijsstukken overgelegd "ten bewijze van het niet althans niet overeenkomstig het bestemmingsplan in gebruik zijn van het perceel".

8 Het laatstgenoemde gedeelte speelt in het cassatiemiddel geen rol. In feitelijke instantie had [eiser] aangevoerd dat de geplande weg reeds is aangelegd en onteigening dus niet meer nodig is, waartegen de gemeente heeft ingebracht dat de berm van de geplande weg gedeeltelijk over het perceel van [eiser] loopt.

9 Zie ook de toelichting op blz. 10-11 (Stedebouwkundige uitwerking) in deel I van het plan.

10 E. van der Schans, Onteigening, zelfrealisatie en de Hoge Raad, BR 2000, blz. 377-383.

11 KB 24 april 1997, BR 1998 blz. 412 m.nt. P.H. Revermann. Een gelijkluidende overweging is opgenomen in het goedkeurings-K.B. in de onderhavige zaak (blz. 4). De Kroonjurisprudentie wordt uitgebreid besproken in de losbl. Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, I.A, ad art. 77 Ow, blz. 81-82b (J.W. van Zundert); losbl. Praktijkboek onroerend goed, VB, Onteigening: procedure, aant. 19i-1 (A.Ch. Fortgens). In de vakliteratuur wordt voor dit onderwerp ook verwezen naar een brochure van het ministerie van VROM, Onteigeningswet, een handreiking voor de praktijk (1987).

12 Zie ook: P.J.J. van Buuren, Ch.W. Backes en A.A.J. de Gier, Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht (2002) blz. 117; zij verwijzen naar KB 25 februari 1987, BR 1987, blz. 936-937 m.nt. P.H. Revermann en naar P.H. Revermann, Onteigening te allen tijde gerechtvaardigd? BR 1980, blz. 592-597, i.h.b. blz. 594.

13 0,685 ha is niet hetzelfde als "tenminste 0,7 ha". [Eiser] voelt zich gesteund door de overweging van de Kroon in het onderhavige goedkeurings-K.B. (blz. 5, m.b.t. het beroep van derden op de door hen voorgenomen 'zelf-realisatie'), dat een aaneengesloten deel van de gronden van de reclamanten "wel dan wel nagenoeg aan de in het bestemmingsplan gestelde minimale kavelgrootte voldoet" (s.t. onder 40). De gemeente brengt hiertegen in dat m.b.t. het onderhavige perceel het verschil groter is dan [eiser] doet voorkomen: niet 150 m² (0,700 ha min 0,685 ha), maar 360 m² (0,700 ha min 0,664 ha): ook het perceelsgedeelte benodigd voor verkeersdoeleinden moet nog worden afgetrokken (zie de cassatiedupliek onder 1).

14 De s.t. wijst in dit verband op ABRvS 29 januari 2003, BR 2003, 957.

15 Zie de pleitnotities zijdens de gemeente in eerste aanleg, alinea 13, alwaar de gemeente deze qualificatie nader heeft uitgewerkt.

16 Men zie de kaarten, door de gemeente overgelegd als prod. 14 en 15 Cvr.